Borderless

24 March 2019

Plannetjes van bovenaf of strijd van onderop

Een reactie op de stukken van David Hollanders en Geert Reuten over democratisering van de economie,

In en rond de SP wordt al geruime tijd gediscussieerd over het thema ‘democratisering van de economie’. Even zag het er naar uit dat die discussie formeel door de partijraad ‘afgesloten’ zou worden, maar in juni besloot de partijraad de discussie voort te zetten en in het blad Spanning zullen de komende tijd bijdragen aan de discussie verschijnen. In het meest recente nummer schreef David Hollanders(1) een bijdrage, eerder publiceerde Geert Reuten al een stuk. Grenzeloos redacteur Willem Bos reageert op beide teksten.

De bijdrage van Hollanders draagt de prikkelende titel ‘5 uitgangspunten voor een socialistisch programma’. Hij vertrekt zijn betoog vanuit wat hij noemt 'ongerijmdheden' in onze samenleving. Een zorgconsulent die 95.000 euro per maand verdient, terwijl zorgmedewerkers ontslagen worden of op de nullijn worden gezet. ‘s Lands grootste pensioenfonds dat enorme salarissen en prestatievergoedingen betaalt terwijl de pensioenen worden gekort. Dat soort dingen….

Vervolgens stelt hij dat er binnen links twee reacties zijn op deze “ongerijmdheden”. De eerste reactie ziet het als incidenten, dat noemt hij de sociaal democratische reactie. De tweede ziet de “ongerijmdheden’ als typerend voor de maatschappij waarin wij leven, dat noemt hij de socialistische zienswijze.

Vervolgens stelt hij dat er twee verschillende benaderingen (narratieven) worden gehanteerd. Eén voor de lagere inkomens waarin ontslagbescherming economisch slecht is omdat de werkgevers dan niet snel mensen aannemen. En een andere voor hoge inkomens, waarbij een vast contract goed is omdat bankiers anders emigreren. “In het eerste frame is overheidsschuld slecht: de door de burgers op te brengen rentebetalingen worden dan te hoog. In het tweede frame zijn private (hypotheek) schulden goed, dat stimuleert de economie” schrijft hij.

Als voorbeeld voor die verschillende benaderingen voor de lage en de hoge inkomens neemt Hollanders de vennootschapsbelasting. Hij presenteert een grafiek die: “laat zien dat sinds het aantreden van het Paarse kabinet in 1994 bedrijven steeds minder bijdragen aan de inkomstenbelasting. De keerzijde is dat de factor arbeid relatief steeds meer bijdraagt.” Om daar op te laten volgen: “Het ligt dan ook voor de hand om niet zozeer te pleiten voor hogere toptarieven voor inkomen uit arbeid (de z.g. Box 1), maar juist voor een hogere vennootschapsbelasting en/of vermindering van de aftrekposten en ontwijkmogelijkheden, die vooral door grote bedrijven worden gebruikt.”

Naast het door elkaar halen van de begrippen ‘inkomensbelasting’ en ‘inkomstenbelasting’ (2). schept deze passage nog meer verwarring. Het is onmiskenbaar dat de afgelopen decennia de belastingdruk voor bedrijven (vennootschapsbelasting) flink naar beneden is gebracht en dat het aandeel van de werknemers aan de inkomsten van de overheid flink is toegenomen. Daarnaast, en los daarvan, heeft er binnen de inkomstenbelasting een verschuiving plaats gevonden waarbij hogere inkomens minder zijn gaan betalen en lagere inkomens relatief meer. Maar is dat een reden om het verhogen van de belasting voor topinkomens te stellen tegenover het verhogen van de belastingen voor grote bedrijven? Mij lijkt van niet. Er is alle reden om beide te doen.

Socialistisch antwoord

Het socialistische antwoord, het socialistische program, schrijft Hollanders “bestaat mijns inziens uit het consequent toepassen van zinnige (economische)beginselen op hoge en lage inkomens, op kapitaal én arbeid.” en hij formuleert vervolgens vijf uitgangspunten voor een dergelijk programma.

Het eerste punt is: “Nationaliseer instellingen die niet failliet mogen gaan”. Hollanders schrijft daar het volgende over: “Indien banken gered worden door de belastingbetaler, dan dient de belastingbetaler ook volledige zeggenschap te krijgen. Dat is niet alleen rechtvaardig. Het is niet alleen consequent. Het is vooral ook economisch verstandig. Anders zijn winsten geprivatiseerd en de verliezen gecollectiviseerd. Met andere woorden: dan kunnen banken gokken met andermans geld. Wat dat betekent is duidelijk gemaakt door ABN AMRO, ING en SNS Reaal. Deze banken namen veel risico en zij namen dat met andermans geld.”

Mij lijkt die redenering noch rechtvaardig noch logisch. De drie genoemde financiële instellingen hebben inderdaad gegokt met andermans geld. Maar wat deze drie gemeenschappelijk hebben is niet dat ze gokten, dat deed de hele financiële sector, maar dat ze mis gokten. Daardoor kwamen ze in de problemen en wat veel erger is brachten ze anderen in de problemen. De boodschap van Hollanders is niet: je mag niet gokken met andermans geld, maar je mag niet verliezen bij het gokken met andermans geld.

Hollanders vind het niet juist als de verliezen gecollectiviseerd worden en de winsten geprivatiseerd, en gelijk heeft hij. Maar toch is dat precies wat in zijn voorstel gebeurt. Die financiële instellingen die slecht gegokt hebben en daarmee in de problemen komen worden genationaliseerd en de gemeenschap draait op voor de verliezen, terwijl anderen die beter gegokt hebben en meer winst hebben gemaakt die winst mogen houden. Binnen een bepaalde economische opvatting zou je dat “economisch verstandig” kunnen noemen (ik kom daar later nog op terug), logisch of rechtvaardig is het in ieder geval niet.

Het probleem met de financiële sector is wel iets omvangrijker en fundamenteler dan dat er met geleend geld wordt gegokt. We hebben te maken met een economie die beheerst wordt door de financiële sector die drijft op een golf van schulden en speculatie, waar geld met geld wordt gemaakt en waarbij de ‘echte’ economie ten dienste staat van de financiële markten in plaats van omgekeerd. Om dat te beteugelen is het stevig aanpakken van de hele financiële sector noodzakelijk en kan niet volstaan worden met het aanpakken van die bedrijven die dreigen om te vallen. Of dat aanpakken moet bestaan uit heel strikte regulering of het in gemeenschapshanden brengen van de hele financiële sector laat ik hier even in het midden.

De andere punten van het programma van Hollanders zijn: Belast kapitaal evenveel als arbeid; bescherm menselijk kapitaal evengoed als financieel kapitaal; behandel private schulden hetzelfde als overheidsschulden en hanteer dezelfde arbeidsvoorwaarden voor lage als hoge inkomens. Op zich zijn dan geen onzinnige punten, maar Hollanders maakt nergens duidelijk hoe die zaken bijdragen aan de democratisering van de economie. Het is mij zelfs onduidelijk wat hij daar onder verstaat.

Economisch verstandig

“Bovenstaande uitgangspunten zijn economisch verstandig”, schrijft Hollanders. En even verder “Het consequent toepassen van juiste economische principes leidt tot een rechtvaardigere uitkomst. Een socialistisch programma is dan vooral een pleidooi voor consequente toepassing van economische beginselen.” Er zijn dus volgens Hollanders algemene economische principes die je slechts consequent hoeft toe te passen om tot een betere rechtvaardiger wereld te komen.

Dat maakt natuurlijk nieuwsgierig naar de vraag waarom die principes dan niet toegepast worden. “Daarop zijn vele antwoorden te geven”, schrijft Hollanders. “Het overtuigendste antwoord wordt samengevat door het gezegde: het is moeilijk om iemand iets te laten begrijpen als zijn salaris afhangt van het niet begrijpen ervan.” En als voorbeelden noemt hij een wethouder die later een woningbouwcoöperatie gaat leiden en dus topsalarissen niet werkelijk afkeurt; een minister-president die later commissaris wordt van ’s lands grootste bank en een vicepremier die later zorg consulent wordt en dus niet werkelijk de macht van zorgverzekeraars aan de kaak gaat stellen.

Daar zit natuurlijk iets in, maar het blijft wel erg aan de oppervlakte. Het draaideur effect: politici die na hun politieke carrière doorschuiven naar het bedrijfsleven en daar in hun politieke carrière vast op voorsorteren is zeker een punt maar kan moeilijk als de kern van het probleem worden gezien. Het werkelijke probleem is een probleem van macht, en van de doelstelling van de belangrijkste actoren in de huidige economie. Die belangrijkste actoren zijn private bedrijven die het maken van winst als doelstelling hebben. Want we leven in een kapitalistische maatschappij, een maatschappij waarin bedrijven met elkaar concurreren. Een concurrentie waar uiteindelijk maar één economische wet, één economisch principe geldt: accumuleer, accumuleer. Maak zo veel mogelijk winst, vergaar zo veel mogelijk kapitaal, anders wordt je door de concurrent opgegeten. Daar is niets rechtvaardigs aan en ook niets economisch verstandig. Tenminste niet gezien vanuit het totaal van de maatschappij.

Zo weinig mogelijk aan arbeidskosten betalen, daar produceren waar de lonen het laagst, de vakbonden het zwakst en de milieuregels met minst zijn, of in ieder geval niet nageleefd hoeven te worden. Producten maken die snel weer verouderen of kapot gaan, zodat de mensen blijven kopen. Je consumenten verslaafd maken zoals de sigaretten industrie dat decennia heeft gedaan. Miljarden uitgeven aan reclame om consumenten er van te overtuigen dat ze van jouw producten zo veel mogelijk moeten kopen. De aarde vergiftigen met afvalstoffen en de atmosfeer met broeikasgassen. Dat is allemaal economisch verstandig, vanuit het standpunt van de individuele ondernemer, vanuit de kapitaalbezitter die er zijn kapitaal door ziet groeien. Maar voor de maatschappij als geheel is het een ramp. Dat is de grote ongerijmdheid van de huidige samenleving.

Bij de discussie over democratisering van de economie gaat het niet om een vrijblijvende academische discussie. Deze discussie raakt de kern van de socialistische politiek: wat moet er in deze wereld veranderen en hoe kunnen we daar een bijdrage aan leveren? Over de vraag hoe is Hollanders uiterst summier. Eigenlijk alleen zijn laatste zin gaat daar over. Die luidt: “En vooral komt het er op aan duidelijk te maken dat er in een parlementaire democratie uiteindelijk slechts op één locatie een einde gemaakt kan worden aan het onrechtvaardige en economisch desastreuze beleid dat het directe gevolg is van dat discours: in het stemhokje.”

Het lijkt mij een misvatting dat het ‘desastreuze beleid’, of zoals Hollanders het aan het begin van zijn verhaal formuleert de 'ongerijmdheden' het gevolg zijn van een verkeerd discours. In de harde werkelijkheid zijn het niet de discours die bepalend zijn maar machtsverhoudingen. En in die zelfde werkelijkheid heeft, of we dat nu leuk vinden of niet, de kiezer in zijn of haar stemhokje bitter weinig invloed op de economie. De kiezer heeft met zijn stem invloed op de samenstelling van parlementaire organen, en daarmee indirect op de samenstelling van de regering. Maar de belangrijke economische beslissingen worden elders genomen: in de directiekamers van multinationals, in de organen van de EU, het IMF, de Wereldbank, de trojka. De kiezer heeft daar nauwelijks of geen invloed op omdat de besluitvorming over de economie vrijwel volledig buiten de politieke democratie plaats vind. Dat is juist het probleem.

Doordat hij dat niet onderkent geeft Hollanders geen handelingsperspectief. Ook als je voor honderd procent in zou stemmen met zijn socialistische vijf punten programma blijft de vraag wat te doen? Meer dan een stemadvies en een oproep hard mee te doen aan de verkiezingscampagne kan ik me er niet bij voorstellen.

Gedeelde macht

Een zelfde probleem heb ik met de tekst van Geert Reuten die indertijd in het extra nummer van Spanning over democratisering van de economie verscheen. Onder de titel “Een stap naar democratisering van de economie, de gekozen raad van commissarissen” pleit hij voor een andere manier van samenstellen van de raad van commissarissen in grote bedrijven. Reuten benadrukt in zijn stuk verschillende malen dat zijn voorstel beperkt is en slechts als een eerste stap in een proces van democratisering gezien moet worden.

Het voorstel van Reuten is om de bestaande ondernemingsstructuur te handhaven, maar de manier waarop de Raad van Commissarissen wordt samengesteld te veranderen. Ook werknemers moeten daar een stem in krijgen. Na drie mogelijke vormen van verdeling van de stemmen van werknemers en kapitaalverschaffers besproken te hebben komt hij uit op wat hij als een corporatistische model omschrijft: beide partijen krijgt de helft van de stemmen. Als argument voor deze verdeling noemt hij dat dit de minste weerstand (òf: het minst weerstand) op zal wekken en het best aansluit bij de 'poldertraditie'.

Reuten is dan al een stuk afgedwaald van zijn eerdere principiële stellingname dat: “Net zoals in het politiek domein alle betrokkenen democratische rechten behoren te hebben, zou dat ook moeten gelden voor het economisch domein. Dit spreekt temeer omdat er geen zinnig argument is dat onderbouwt waarom er aan eigendom van kapitaal macht verbonden zou moeten zijn.” Dat in zijn voorstel ook de formele macht (over de feitelijke macht komen we verderop nog te spreken) voor een groot deel bij de kapitaalverschaffers blijft liggen is, zo argumenteert hij, omdat de weg naar democratie een proces is. “We moeten daarbij doelen stellen die op redelijk korte termijn praktisch realiseerbaar zijn en van daaruit verder werken en de democratie versterken.”

Zijn voorstel geldt alleen maar voor de zeven en een half duizend bedrijven in Nederland met meer dan 100 werknemers, samen goed voor 60% van de werkgelegenheid. Maar Reuten gaat er van uit dat als dat eenmaal gerealiseerd is het vanzelf verder zal gaan. “Het idee is dat democratisering dan geleidelijk uitwaaiert naar kleinere bedrijven. In kleine bedrijven is de bedrijfsorganisatie minder anoniem en kan er op den duur gekozen worden voor andere, minder formele, vormen van participatie in het bedrijfsbestuur. Belangrijk is in ieder geval dat werknemers die willen werken in een bedrijf met een vorm van formele democratie, daar de gelegenheid toe hebben. Indien kleinere bedrijven (met minder dan 100 werknemers) de gewenste participatie niet goed regelen, dan zullen zij hun personeel zien weglopen naar de bedrijven waar dit wèl goed geregeld is, al dan niet formeel.”

We kunnen ons afvragen of dat 'uitwaaier'- effect wel zo voor de hand liggend is, maar eerst is natuurlijk de vraag aan de orde of en hoe deze eerste stap te realiseren is. Waarom zouden kapitaalbezitters instemmen met het verminderen van hun machtspositie in de bedrijven? Zeker als die bedoeld is als een eerste stap op weg naar een verdere democratisering en dus afkalving van hun macht? Aan de ene kant benadrukt Reuten dat voor zijn plannen maar een kleine aanpassing van de wet noodzakelijk is, om daar meteen aan toe te voegen ”die er in de huidige politieke verhoudingen niet zonder strijd zal komen.”

“Zeker ook in tijden waarin werknemers gevraagd wordt om ‘matige’ looneisen te stellen ‘in het belang van het bedrijf’, kunnen daar tegenover democratiseringseisen ‘in het belang van het bedrijf’ gesteld worden.“ schrijft Reuten even verderop. Daar lijkt me het addertje onder het gras te zitten: zeer beperkte (schijn) democratisering en mede verantwoordelijkheid in ruil voor loonmatiging. Dat zou de kapitaalbezitters over de streep moeten halen. Maar of daar een uitwaaier-effect naar andere bedrijven van uit gaat lijkt me zeer de vraag. Ja, wij willen ook loonsverlaging in ruil voor een stem bij het kiezen van de Raad van Commissarissen, is niet de reactie die te verwachten is.

Reuten kiest duidelijk voor de weg van de kleine stappen. “Democratisering, de weg naar democratie, is een proces: net zoals dat gold en geldt voor politieke democratisering, geldt dit ook voor economische democratisering. We moeten daarbij doelen stellen die op redelijk korte termijn praktisch realiseerbaar zijn en van daaruit verder werken en de democratie versterken.” Daar is op zich niets mis mee. Ook de langste tocht en de verste sprong begint met een eerste stap. Het is alleen de vraag of het een stap in de goede richting is. Een goede stap in de politiek, of beter gezegd in de klassenstrijd, is er een waarbij het eigen kamp versterkt en dat van de tegenstander verzwakt wordt, waarbij de (potentiële) medestanders zich gesterkt voelen en gemotiveerd.

Ik kan me nauwelijks voorstellen dat dat bij dit voorstel het geval is. Acties, stakingen en demonstraties om de helft van de Raad van Commissarissen te kiezen? Ik kan het me niet voorstellen. En als die door de werknemers gekozen commissarissen er komen welke garantie is er dan dat ze zich ook echt in het belang van de werknemers op zullen stellen? Reuten stelt nadrukkelijk dat hij verder niets wil veranderen. Dat betekent dat de Raad van Commissarissen als taak blijft hebben het behartigen van het belang van de onderneming. En het belang van een onderneming in een kapitalistische economie is het maken van winst. Ook nu kennen we op beperkte schaal zo genaamde werknemerscommissarissen of speciale door de overheid aangewezen commissarissen. Vaak zijn dat voormalige vakbondsbestuurders als Wim Kok en Lodewijk de Waal. De ervaring daarmee is dat zij het belang van de onderneming op precies dezelfde manier invullen als hun collega’s commissarissen en bijvoorbeeld ook instemmen met topsalarissen en bonussen in het belang van het bedrijf.

Het centrale probleem is dat bedrijven - wat hun structuur, of de samenstelling van hun leidende organen ook is - functioneren in een markt, dat zij moeten concurreren met andere bedrijven. Dat zij zo veel mogelijk winst moeten maken en blijven groeien om niet ten onder te gaan. Ook bedrijven met een coöperatieve structuur gaan daarom op den duur net zo functioneren als de anderen, zoals de Rabobank recentelijk weer eens heeft laten zien. Kortom ik denk dat een voorstel als van Reuten in de praktijk weinig verschil zal maken en dat je er geen hond de straat voor op krijgt.

Plannetjes van bovenaf of strijd van onderop

Hoe verschillend de voorstellen van Hollanders en Reuten ook zijn er zit een gemeenschappelijk element in. Het zijn allebei plannen om van bovenaf iets te veranderen. Hollanders kijkt daarbij alleen naar het beleid en heeft economische principes als zijn instrument. Reuten richt zijn blik alleen op de bedrijfsstructuur van bedrijven (met meer dan 100 werknemers) en streeft naar een (kleine) wetswijziging. Ofschoon Reuten het in zijn stuk een paar keer heeft over de strijd die er geleverd moet worden om zijn plan te realiseren is het niet duidelijk waar, hoe en door wie die strijd geleverd moet worden.

De benadering van Hollanders en Reuten staat dwars op een andere bijdrage aan deze discussie van een vijftal plaatselijk actieve SP'ers. Die schreven: “Daarom richten socialisten zich altijd in de eerste plaats op het stimuleren van mensen om zich te organiseren, om gezamenlijk de strijd voor hun belangen te voeren. Daarom staan overtuigde socialisten vooraan als het gaat om het opbouwen van de vakbeweging, het organiseren van buurtbewoners, uitkeringsgerechtigden, en andere groepen.”

En: “Er zal geen sociale uitweg uit de economische crisis zijn en geen oplossing van de milieucrisis gevonden worden zolang de huidige economische machthebbers het voor het zeggen hebben.
Om dat te bereiken zijn niet alleen sterke sociale bewegingen nodig, maar ook een politieke partij, een partij van socialisten, die initiatieven neemt om de maatschappij te veranderen. De afgelopen jaren heeft deze economische elite laten zien dat ze hun macht niet zo maar laten inperken. Er zal een brede en sterke sociale beweging en een sterke socialistische partij nodig zijn om hen daar toe te dwingen. Alleen dan zal er van democratisering van de economie sprake zijn.” Dat lijkt me een realistischer benadering dan die van Hollanders en Reuten.


(1) Het stuk van Hollanders is nog niet digitaal beschikbaar.

(2) In de door hem gepresenteerde grafiek is, zo schrijft Hollanders: “weergegeven het aandeel van de vennootschapsbelasting in de inkomensbelasting; de inkomstenbelasting bestaat verder nog uit loonbelasting, dividendbelasting en kansspel belasting.” Helaas haalt Hollanders twee begrippen door elkaar. De Nederlandse belastingwetgeving kent ‘inkomensbelastingen’, dat wil zeggen belasting op inkomsten uit arbeid, winst, kansspelen e.d. En ‘inkomstenbelasting’, een speciale vorm van inkomensbelasting, namelijk belasting op het inkomen (uit arbeid) van natuurlijke personen.

Tags: 
Dossier: 
Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren