Borderless

21 January 2018

Pyke Koch in het Centraal Museum te Utrecht

Ik las dat Pyke Koch een tijd na de Tweede Wereldoorlog niet meer mocht exposeren wegens collaboratie, dus ik was wat vooringenomen toen ik de overzichtstentoonstelling over deze schilder bezocht in het Centraal Museum te Utrecht. De tentoonstelling plaatst de schilder in zijn tijd.

Utrecht

Pyke Koch voelde zich erg verbonden met Utrecht, waar hij bijna zijn hele leven woonde en werkte, in een atelier aan de Oude Gracht. In het eerste deel van de tentoonstelling komt deze band uitgebreid aan bod. Ik woon in Utrecht, en van de weeromstuit begreep ik waarom ik er moeite mee heb: deze donkere katholieke stad, vele eeuwen geleden uit het centrum van de macht verdrongen door de protestantse kooplieden uit Holland, wat Ajax hier nog steeds kwalijk wordt genomen. Utrecht heeft de hoogste kerktoren van Nederland, maar zonder kerk eraan, het drukste fietspad van Nederland, de grootste fietsstalling, de grootste afdeling herenmode en cosmetica,… De moderniteit moet hier komen van hipsters en zzp-ers die in talloze broedplaatsen, bij voorkeur in oude fabriekspanden, proberen een boterham te verdienen met design, kunst en andere vormen van innovatie, in de regel zonder enige maatschappelijke relevantie. Al zijn er uitzonderingen, zoals de Basis voor Actuele Kunst {BAK}, Casco,…, Utrecht is leefbaar dankzij de fijne badmeesters in De Kwakel, het leuke popodium DB’s, en natuurlijk de basisschool van onze kinderen, De Cirkel in Zuilen, waar we erg trots op zijn sinds de school in het landelijk nieuws kwam toen binnengevallen ‘zwarte pieten’ krachtdadig de deur werden gewezen.

Zelfkant

Pyke Koch was dus erg gecharmeerd van het oude Utrecht, met zijn duistere steegjes, donkere kanten en ‘ingevreten mensen’. In zijn eerste schilderijen komt de zelfkant van de stad sterk aan bod met zijn schuldig plezier: de kermis, prostituees, smalle straatjes, een urinoir, … Het doet denken aan de schilderijen in de zestiende eeuw toen ‘gewone mensen’ het onderwerp van schilders werden, met al hun lelijkheid en gebrek aan fatsoen: het gaf de welgestelden de kans schilderijen in de huiskamer te hangen met de nodige erotische toespelingen, waar ze tegelijk op konden neerkijken en heimelijk van genieten. Prostituees en boerendochters werden een welkome aanvulling op bijbelse maagden en antieke godinnen.
Koch zelf hoorde niet tot deze zelfkant. Hij was van betere komaf, kwam naar Utrecht om rechten te studeren, en huwde de dochter van jonkheer Dirk Jan de Geer, later de minister-president van het eerste oorlogskabinet. Hij leefde als een bohemien in zijn atelier aan de Oude Gracht, terwijl zijn gezin in het familiaal kasteeltje op het platteland ten zuiden van de stad verbleef. Een bohemien is geen landloper… Zoals hij zelf een vriend antwoorde die zich  ‘een democraat’ noemde, was Koch ‘een aristocraat’, en dat zou hij zijn hele leven blijven.

Fascisme

Hoe kwam Koch in fascistisch vaarwater terecht? Hij werd snel een gewaardeerd en gevierd schilder, en maakte deel uit van een cultureel milieu dat echter in de jaren 1920-1930 in meerderheid links georiënteerd was. De tentoonstelling in het Centraal Museum maakt het niet echt duidelijk, en is verder eerder vergoelijkend. Ook linkse artistieke voortrekkers uit die tijd hadden overigens geen moeite met het fascisme van Koch, en bleven vriendschappelijke banden onderhouden. Charley Toorop gaf Koch een plaats op haar grote vriendenportret De maaltijd der vrienden uit 1933.
Wat leert ons de tentoonstelling? Met filmbeelden wordt getoond hoe in die jaren alle gezindten met grote betogingen en stoeten op straat kwamen: de socialisten, de communisten, de katholieken, zelfs de NCRV! En dus ook de fascisten… Maar was het probleem met de fascisten dat ze op straat kwamen? Waren andere karakteristieken van het fascisme niet belangrijker bij het beoordelen van deze stroming?
En hoe relevant waren deze volkse optochten voor de aristocraat Koch, die immers neerkeek op het plebs… Zo was Koch verontwaardigd over de manier waarop figuren als Albert Einstein en Sigmund Freud werden beklad, alleen omdat ze jood waren. Een rigoureus antisemitisme mocht volgens hem niet verlaagd worden tot domme jodenhaterij! Koch waardeerde antisemitisme omdat het gericht was op de eenheid van het volk, maar dit mocht zich niet keren tegen uitmuntende figuren die door hun verdienstelijk werk hun plek in de samenleving verdiend hadden.
In een begeleidende tekst in het museum lezen we dit: “De Nederlandse parlementaire democratie is nog maar jong en lijkt nauwelijks in staat om de problemen het hoofd te bieden. Elders zijn drie nieuwe ideologische stelsels aan de macht gekomen: het communisme is Rusland, het fascisme in Italië, en het nationaalsocialisme in Duitsland. (…) In Nederland hoopt menigeen dat hier ook zo’n sterke leider opstaat (…). Zo ook Pyke Koch, die ervan overtuigd raakt dat het fascisme de westerse cultuur van de ondergang kan redden.” Zo simpel is het: een stroming naast andere, te begrijpen in de tijdsgeest…
Koch werd in 1934 een actief lid van het Verdinaso, een vooral in Vlaanderen sterke fascistische beweging, gebaseerd op de Groot-Nederlandse of Dietse gedachte: zij wilden België en Nederland verenigen in een corporatistisch Dietsland, waarvan de grenzen samenvielen met het eertijdse rijk van de hertogen van Boergondië. Een persoonlijke noot: mijn vader hing op het einde van zijn leven dezelfde gedachte aan, wat opmerkelijk was, want als goede Vlaming had hij ondanks zijn Dietse overtuiging weinig op met ‘Hollanders’, een psychologische spreidstand die meer voorkomt in die kringen…
Koch vond overigens dat kunst en kunstenaars niet onderworpen moesten worden aan de staatsideologie. Zij moesten hun onafhankelijkheid bewaren, zolang zij het gezag van de Leider niet ondermijnden!

Duitse bezetting

Toen de Duitsers Nederland en België bezetten was het gedaan met Verdinaso: de Duitsers zaten niet te wachten op een onafhankelijk Dietsland! In Nederland koos Verdinaso eieren voor zijn geld en ging op in de fascistische NSB. Zo ook Koch, al is niet duidelijk of hij zich daadwerkelijk in de NSB engageerde.
Hij zou wel het kunstbeleid van de Nieuwe Orde daadwerkelijk steunen. In de catalogus schrijft Mieke Rijnders dat Koch weinig keuze had: hij was immers net vader geworden, en niemand wist hoelang het rijk van Hitler zou duren… Alsof dit Koch verplichte tot een actief engagement aan de zijde van de Nieuwe Orde!
Koch schreef verschillende artikels om vorm te geven aan de artistieke principes van de nationaalsocialistische kunst. Daarbij stelde hij dat ‘volks’ moest begrepen worden als ‘nationaal’, en niet als ‘proletarisch’. Het beslissende criterium was: dit werk kan alleen een Noord-Nederlandse hand zo gemaakt hebben. Gezien de Nederlandse volksaard betekende dit dat de kunst realistisch moest zijn.
Vol enthousiasme begon Koch ook mee te werken aan een Nederlandse Rijks-kunstcollectie. Daarbij liepen hem echter te veel mensen voor de voeten, en geïrriteerd stopte hij ermee. Van dan af keert Koch zich af van de Duitse bezetter. Eind april 1941 zegt hij zijn lidmaatschap van de NSB op.

Collaboratie

In 1942-1943 ontwierp Koch een reeks postzegels. Daarom zou hij in 1950 schuldig bevonden worden aan collaboratie, en mocht hij gedurende een jaar niet tentoonstellen.
De andere activiteiten ontkende hij. Het is moeilijk te vatten hoe deze ‘aristocraat’ zijn medewerking aan de Nieuwe Orde niet verdedigde, en er zich evenmin voor verontschuldigde, maar gewoon probeerde zich eruit te lullen door alles te ontkennen of te minimaliseren. Blijkbaar volstaat het een goede schilder te zijn om hiermee weg te komen! Zoals het artikel in de catalogus over het politieke engagement van Koch eindigt: ‘Kochs politieke engagement heeft zijn positie als kunstenaar in elk geval niet in de weg gestaan. Zijn reputatie van groot en belangwekkend schilder was en is onbetwist.”

Een onbetwist schilder?

Dat lijkt ook het leitmotiv van de tentoonstelling te zijn: Koch was een kind van zijn tijd, laten we daar niet moeilijk over doen, want hij kon schilderen.
Ook na de oorlog zou Koch nog vele jaren schilderen, tot hij in 1984 zijn laatste schilderij afwerkte.
Hij was zeker een kunstenaar in de echte zin van het woord: technisch sterk, met sprekende schilderijen, geworteld in zijn persoonlijkheid en zijn tijd. De werken trekken aan of stoten af, ze laten niet onverschillig. Ook de tentoonstelling is goed gedaan, met knappe middelen om een tijd te laten ervaren die nu al ver achter ons ligt.
Maar moet daarom vergoelijkend of neutraal gedaan worden over het politieke engagement van Koch, temeer daar dit onlosmakelijk verbonden was met zijn kunstenaarschap? Volstaat een veroordeling van de collaboratie met de bezetter, terwijl meer dan een decennium actief engagement met het fascisme niet echt beroert? Het fascisme was niet zomaar een mening, het waren niet zomaar betogingen. Het begon met het ingooien van winkelruiten, en het eindigde met concentratiekampen. Een man die ook jaren na de oorlog deze feiten niet onder ogen zag, maar probeerde zich eruit te lullen, was misschien een groot schilder, maar geen groot mens. In onze tijd is het geen overbodige luxe daar duidelijk over te zijn. Of misschien loop ik zelf achter op de geest van onze tijd: had Koch met zijn opvattingen immers vandaag geen cultureel stafmedewerker kunnen zijn van bijvoorbeeld Sybrand Buma?

Soort artikel: 

Reacties

Door Hans Vogel ( ) op
Begrijpelijk dat mensen het moeilijk vinden om te aanvaarden dat een kunstenaar opvattingen kan hebben die niet stroken met de hunne. Indien echter de waardering van kunst ondergeschikt wordt gemaakt aan politieke opvattingen, zijn wij op de verkeerde weg. Want dan zouden wij eigenlijk altijd een kunstenaar zijn opvattingen moeten kennen alvorens ons standpunt te bepalen ten aanzien van diens werk. Bij Pyke Koch zou dat nog wel gaan maar bij Jan van Eyck zou dat een stuk lastiger zijn. Verder vind ik dat als Frits Fentener van Vlissingen, Nederlandse belangrijkste zakenman van tijdens de oorlog, en de aller- allergrootste collaborateur, ongeschonden na de oorlog zijn zaken mocht continueren, we zeker ten aanzien van het "kleinere grut" erg coulant moeten zijn. Fentener van Vlissingen, de boef, werd ook nog eens voorzitter van de commissie die het bedrijfsleven na de oorlog moest zuiveren van collaborateurs. Om nog maar te zwijgen van echt gespuis zoals Bernard zur Lippe Biesterfeld, opa van de bolle die zich nu tooit met de titel "koning" en wiens tronie in alle rechtszalen achter de rechter hangt.

Reactie toevoegen

Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren