Borderless

17 November 2019

Rood tot in de dood

De veelbesproken leegte van links gaat over meer dan alleen ideologie of beleid. Op de belangrijkste momenten in ons leven - geboorte, opvoeding, vriendschap, liefde, dood - heeft dat progressieve wereldbeeld weinig meer te bieden. Het voorbeeld van de vroege socialistische beweging en haar dodencultuur laat zien dat het anders kan.

Het was alsof heel links Nederland samenstroomde in Amsterdam om Pieter Jelles Troelstra de laatste eer te bewijzen. Tienduizenden socialisten, jong en oud, vrouwen en mannen, liepen op vrijdag 16 mei 1930 mee met de kist van de leider van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Met hen ging een zee van bloemen en rode vaandels.
Het doel van deze ceremonie? 'Opdat Troelstra's naam blijve leven in alle eeuwigheid,' schreef het sociaal-democratische dagblad Het Volk na afloop. De hemel mocht voor de meeste socialisten niet bestaan, het maakte de dood nog niet tot een zinloos, absoluut einde. De overledene leefde voort in zijn daden. De Avondpost vatte het treffend samen: 'Meer dan de felste demonstratie, sterker dan de krachtigste meeting, is deze begrafenis een strijdleus geworden en: een daad. Een kwart van ons volk heeft hem verloren, om hem in den strijd te hervinden. Zelfs zijn dood is niet tevergeefs geweest.'

Het publieke, strijdbare karakter van de begrafenis van Troelstra was geen uitzondering in het Nederland van voor de Tweede Wereldoorlog. Begrafenissen maakten deel uit van een geheel eigen linkse feestcultuur, betoogt Henk te Velde in zijn boek Stijlen van leiderschap. Neem de crematie van Domela Nieuwenhuis, grondlegger van de socialistische beweging in Nederland en voorman van de anarchisten. Ook aan dat afscheid namen tienduizenden aanhangers actief deel, de rode vlag voorop. De anti-revolutionairen zagen zulke demonstraties van macht volgens Te Velde tandenknarsend aan. Zij hadden zich immers te houden aan de ingetogen rituelen die hun religie voorschreef.
De plechtigheden voor leiders als Nieuwenhuis en Troelstra waren van een ongekende omvang. Maar ook "gewone" socialisten konden rekenen op een afscheid in stijl. Dat bestond doorgaans uit een strijdbare optocht van kameraden, muziek, vlaggen, aandacht in de eigen media en soms andere vormen van 'vereeuwiging'. Historicus Dennis Bos beschrijft een van de eerste socialistische begrafenissen, die van de Amsterdammer P.J. Luitink in 1871. Daar kwam al een menigte van zo'n duizend mensen op af. 'De Amsterdamse socialisten bewezen dat de ziel van hun overleden kameraad eeuwig was - zelfs zonder een hiernamaals - door een pamflet te publiceren met Luitink's arbeidersliederen'.
De SDAP'er en latere PvdA-voorzitter Koos Vorrink stelde op een veel later tijdstip zelfs nauwkeurige regels op voor het linkse begrafenisritueel. De doden eren op hun laatste tocht vroeg om 'een ingetogen vorm van demonstreren'. 'Elk onnodig woord is een verstoring van de plechtigheid. (...) Veel zal afhangen van de persoonlijke opvattingen van den overledene. De vlag, die hij volgde, dekke zijn baar. Zijn er bloemen, dan is het indrukwekkender ze door kameraden voor hem uit te doen dragen, dan ze op te tassen in volgwagens. Muziek zij treurmuziek. Misschien andere muziek, die de gestorvene liefhad.'
Wat betreft die ingetogenheid liepen - en lopen - de meningen overigens uiteen. Moest een begrafenis niet juist een strijdbare uiting van idealen en ongenoegen zijn? De sociaal-democraten vonden van niet en excelleerden in de strakke organisatie van bombastische plechtigheden. Heel anders ging het eraan toe bij het afscheid van Peter Kropotkin in Moskou in 1921. Voor de gelegenheid mocht een groep anarchisten voor één dag de gevangenis verlaten. Een enorme stoet betoonde de theoreticus van het anarchisme de laatste eer. Het werd getuige de foto's in het ook in Nederland uitgegeven gedenkboek tegelijkertijd een demonstratie tegen het bolsjewistische regime, inclusief politieke eisen voor vrijlating van gevangen kameraden. Niemand minder dan anarcha-feministe Emma Goldman hield de lijkrede op het kerkhof.

Zwijgend of luidruchtig, de dood was kortom van groot belang binnen de vroege linkse beweging. Bos merkt op dat de overlijdensberichten van lokale helden vaak meer ruimte kregen in de eigen pers dan berichten over stakingen. De vroegste vakbonden in Nederland hadden bovendien al tot taak een fatsoenlijke begrafenis te verzorgen voor de leden en de nabestaanden financieel te ondersteunen.
Dat kon ook niet anders. Arbeiders die zich vanaf het einde van de negentiende eeuw tot het socialisme bekeerden, zetten een enorme stap. Zij lieten de kerk, en daarmee alle oude zekerheden, achter zich. Als beweging die een volwaardig alternatief zei te bieden voor de bestaande maatschappij, kon het opkomende socialisme niet anders dan een eigen, niet-religieuze dodencultuur te ontwikkelen. Die steunde op drie pijlers: onsterfelijkheid, zingeving en collectieve rouw.
Allereerst beloofde het socialisme haar aanhangers een leven voorbij de dood. Niet in de vorm van een hemel; het individu zou zichzelf overleven in het ideaal van de revolutie of het socialisme. Nauw hiermee verweven was het idee dat de dood - en daarmee vanzelfsprekend ook het leven en het verbeteren daarvan - niet zinloos is. Bij begrafenissen werd teruggeblikt op het voorbije leven én vooruitgekeken naar een betere toekomst. Het strijdbare eerbetoon, waarin ook de nieuwe generatie meeliep, gaf zo betekenis aan de dood. Het maakte het rouwproces bovendien tot iets collectiefs. Het leed werd door meerdere schouders gedragen, de nabestaanden bleven niet alleen achter.
Zo werd de dood "overwonnen". De gestorvene had niet voor niets geleefd en bleef bestaan in het grotere ideaal. Dat kon troost en houvast bieden, mits er aandacht werd besteed aan de overledene als persoon en aan de nabestaanden. Helaas was dit niet altijd het geval. Het bleek maar al te verleidelijk om begrafenissen louter voor politieke propaganda te gebruiken. De in zijn strijdbaarheid en trouw verheerlijkte dode moest dan als dwingend voorbeeld dienen voor de achterblijvers. Waartoe het socialistische dodenritueel in zijn uiterste consequentie kon leiden, is tot op de dag van vandaag zichtbaar op het Rode Plein in Moskou. Lenin's mausoleum is niet gebouwd voor een sterfelijk persoon van vlees en bloed. Hier ligt de verpersoonlijking van de revolutie die door de achterblijvers aanbeden móest worden als een heilige.

Het mausoleum is blijven staan. De veel boeiendere, veelzijdige socialistische dodencultuur is vrijwel vergeten. Dat komt niet alleen door de verzwakking van links. De houding van de maatschappij als geheel ten aanzien van de dood is de afgelopen halve eeuw sterk veranderd. Door de individualisering en de vooruitgang in de medische wetenschap is de dood meer op de achtergrond geraakt.
Natuurlijk, God is nog steeds overleden en we weten best dat we sterfelijk zijn. Maar daarover denken we liever niet teveel na. Het past ook niet in de moderne illusie van volledige autonomie. Vroeger wachtten christenen lijdzaam de dood af. De dominante Westerse cultuur heeft sindsdien een draai van 180 graden gemaakt. Het liberale dogma, volgens welke de mens volledig verantwoordelijk is voor zijn eigen geluk, weet zich geen raad met kwetsbaarheid, laat staan met sterfelijkheid. Het maakt dat we niet goed voorbereid zijn als ons of mensen om ons heen het onvermijdelijke overkomt.
De oplossing hangt nauw samen met ons zelfbeeld. We moeten onze "relatieve autonomie" leren begrijpen. Mensen zijn niet onkwetsbaar of volkomen onafhankelijk, maar evenmin slachtoffers die zich moeten schikken in hun lot. De dood is onvermijdelijk, maar geen reden om niet ten volle te leven. Integendeel, het maakt de beschikbare tijd alleen maar waardevoller.
Bij die ideeën over het leven en de dood horen ook praktijken. De troost, zin en moed die de vroegere linkse dodencultuur verschafte, kunnen bijdragen aan een dergelijk nieuw, dapper zelfbeeld. Gek genoeg is het besef van zo'n eigen cultuur weliswaar verdwenen, maar niet de uitingen hiervan. Ook de laatste jaren zijn er in Nederland begrafenissen of crematies van linkse mensen geweest die uitmondden in een strijdbare demonstratie of in een collectief zoeken naar troost. In een stad als Parijs is de continuïteit met het verleden nog duidelijker. In een hoek van Père Lachaise, na de Franse revolutie ontworpen als het prototype van de moderne, niet-religieuze begraafplaats, liggen gefusilleerde Communards zij aan zij met slachtoffers van de nazi-kampen, prominente leden van de communistische partij en buitenbeentjes als Ernest Mandel.
Is zoiets in het anti-ceremoniële Nederland voorstelbaar? Laten we onszelf niet voor de gek houden. Ook wie daarover weigert na te denken, krijgt zijn portie rituelen, maar dan in de vorm van de onpersoonlijke mis of het obligate praatje. Zo bezien is het alternatief van een linkse dodencultuur zo vreemd nog niet - en misschien wel minder ver weg dan we durven denken.



Cremeren of begraven?

Voor de oorlog kende het verzuilde Nederland zelfs een 'Arbeidersvereeniging voor lijkverbranding', met tal van afdelingen in het hele land. Tegen een geringe wekelijkse vergoeding droeg de organisatie zorg voor de crematie van de leden, als hun tijd gekomen was.

Op crematie rustte een taboe. De kerk moest er niets van hebben, en overheden hadden het lange tijd verboden. 'Het crematievraagstuk' was dan ook 'van niet minder universeel belang dan dat van het alcoholisme of van het militarisme', schreef Andries de Rosa in 1925 in een brochure van de vereniging. Aan begraven zouden tal van nadelen kleven: het lichaam wordt langzaam verteerd door de wormen, het is onhygiënisch voor de overlevenden en er gaat kostbare grond verloren waar ook arbeiderswoningen hadden kunnen verrijzen. Maar het belangrijkste argument vóór crematie was volgens de vereniging dat de overlevenden niet met een lichaam bleven zitten. 'Ten behoeve van de levende materie [dient] de doode materie slechts in haar onstoffelijke beteekenis te worden geëerd.'

De politieke strijd voor crematie was overigens niet al te succesvol. Lijkverbranding werd weliswaar in vrijwel alle landen legaal en geaccepteerd - de Sovjet Unie stimuleerde dit "rationele" alternatief zelfs actief middels een 'Maatschappij ter Verspreiding van de Wetenschappelijke Crematie - maar de grote massa hield vast aan het ritueel van de begrafenis.

Het was niet de eerste mislukte poging tot rationalisering van de dood. Wat te denken van de Franse 'Société d'autopsie mutuelle', opgericht in 1876 door een groep vrijdenkers? Doel was de wetenschap en daarmee de wereld vooruit te helpen. Hoe? De leden beloofden plechtig dat wanneer één van hen zou sterven, ze elkaars hersenen zouden ontleden en onderzoeken.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren