Borderless

18 August 2019

Speculatie en stijgende voedselprijzen

Een nieuw VN rapport haalt de mythe dat de stijging van voedselprijzen het gevolg is van een toegenomen vraag onderuit.

Sinds de wereldwijde voedselcrisis van 2007-8 is het idee dat een van de oorzaken van de prijsstijgingen van elementaire voedingsmiddelen – in het bijzonder van graan – het gevolg is van een toenemende vraag uit landen als China en India zeer populair. Sinds begin 2010, toen de prijzen weer verder begonnen te stijgen, heeft dit idee zich nog verder verspreid.

Het lijkt op het eerste gezicht een redelijke aanname. China en India hebben immers een immense bevolking, samen goed voor bijna 40 procent van de totale wereldbevolking. De economieën van beide landen groeien in hoog tempo, veel sneller dan die van vele andere landen, en als gevolg hiervan stijgt het inkomen per hoofd van de bevolking. Het is bekend dat als lage inkomens stijgen – en het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in China en India ligt relatief laag – mensen meer graan consumeren. Deze toename wordt niet per se veroorzaakt door directe consumptie van graanproducten maar ook door een toename van de consumptie van vee dat graan nodig heeft als voedsel.

Het valt dus te verwachten dat stijging van de inkomens in India en China tot een grotere vraag naar graan zal leiden en dit zou de wereldwijde balans tussen vraag en aanbod op zo’n manier beïnvloeden dat de prijzen stijgen. Dit is de verwachting – maar is het ook wat er daadwerkelijk gebeurde?

In werkelijkheid is de consumptie van graan in deze twee landen nauwelijks veranderd, misschien zelfs iets afgenomen. En in vergelijking met eerdere periodes is de wereldwijde consumptie van graan voor voedsel de laatste jaren zelfs afgenomen. Dit blijkt duidelijk uit een rapport van de Food and Agriculture Organization (FAO) van de Verenigde Naties, opgesteld door een panel van experts dat de taak kreeg om prijswijzigingen en de gevolgen hiervan voor voedselvoorziening te bestuderen. Het rapport geeft een nauwkeurige beoordeling van de daadwerkelijke ontwikkelingen en de verschillende manieren waarop er gepoogd is de prijswijzigingen te verklaren. Op deze manier wordt duidelijk gemaakt dat het idee dat een groeiende vraag, afkomstig uit ontwikkelende landen, tot prijsstijgingen leidt een mythe is.

Een voorbeeld is de informatie over het wijzigende patroon van graan als onderdeel van de voedselconsumptie. In de periode na 2000 groeide de totale consumptie van graan als voedingsmiddel aanzienlijk langzamer dan in de jaren zestig en zeventig en was deze vergelijkbaar met de groei in de jaren tachtig. Vergeleken met de jaren negentig was er sprake van een lichte stijging. En in tegenstelling tot de verwachting steeg het verbruik van graan voor de voeding van vee langzamer dan het gebruik van graan voor andere doeleinden.

Het rapport wijst erop dat de ogenschijnlijke toename van de graanconsumptie in het afgelopen decennium in feite te danken is aan het herstel van de vraag uit de voormalige Sovjet-Unie na de jaren negentig. Ondanks de groeiende vraag naar vleesproducten in de snel groeiende Aziatische landen, versnelde de groei van de consumptie van graan voor voedsel buiten de voormalige Sovjet-Unie niet. In tegendeel, de vraag groeit juist minder snel.

Het rapport van de FAO laat zien dat tussen 2000 en 2007 de directe en indirecte vraag naar graan uit China en India nauwelijks steeg en de totale invoer van graan bestemd voor voedingsmiddelen zelfs afnam. Wat hier de oorzaak van is, en waarom de economische groei niet tot een stijging van de vraag naar graan heeft geleid, is een kwestie op zich en een vraag die onderzoek verdient. Waarschijnlijk is een deel van de verklaring te vinden in de groeiende ongelijkheid in deze landen waardoor een gestegen vraag van mensen met een hoger inkomen wordt gecompenseerd door een daling van de vraag van mensen met lagere inkomens. Maar deze kwestie zou nader bestudeerd moeten worden.

Het is echter duidelijk dat het niet een gestegen vraag uit China en India is die de prijzen opdrijft. Dit betekent echter niet dat er geen andere factoren in het spel zijn. Financiële speculatie op de levensmiddelenmarkt is belangrijk maar dergelijke speculatie is altijd gebaseerd op verwachte veranderingen in de wereldwijde verhouding tussen vraag en aanbod. Waar zouden deze verwachtingen op gebaseerd kunnen zijn?

Ook hier geeft het FAO rapport een overtuigend antwoord: het laat duidelijk zien dat de snelle groei van de productie van bio-brandstoffen grote gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de wereldwijde vraag naar graan en plantaardige oliën. Volgens pagina 32 van het rapport is er sprake van ‘een groei van het verbruik voor andere doeleinden dan voor voedsel’, een groei ‘versterkt door de ontwikkeling van bio-brandstoffen’. ‘Als we bio-brandstoffen negeren, is het groeipercentage voor graan niet bestemd voor voedsel stabiel vergeleken met de jaren negentig en duidelijk lager dan deze historisch gezien was. Zonder bio-brandstoffen is het groeipercentage van de wereldwijde graanconsumptie 1,3 procent, met bio-brandstoffen is het 1,8 procent’.

De sterke stijging van de vraag naar bio-brandstoffen wordt voor een groot deel bepaald door zeer grote subsidies van talrijke westerse landen voor de productie van bio-brandstoffen. Ironisch genoeg hebben deze landen in dezelfde periode hun subsidies op voedselproductie terug gedraaid. Enkele uitzonderingen als Brazilië en Cuba daargelaten zou zonder deze grote subsidies de productie van bio-brandstoffen meestal niet rendabel zijn.

De impact van deze subsidies op het bepalen van wat geproduceerd wordt en op de prijsontwikkeling is nog groter als het om plantaardige oliën voor de voedselmarkt gaat. Volgens het rapport ‘daalde de consumptie van plantaardige oliën voor voedingsdoeleinden gedurende de jaren negentig en het eerste decennium (van 4,4 procent per jaar naar 3,3 procent) maar steeg het industriële gebruik van plantaardige oliën enorm, gedreven door de snel groeiende Europese bio-brandstoffenindustrie. Als gevolg hiervan groeide het percentage van het industriële gebruik van plantaardige oliën in de wereldwijde consumptie van 11 tot 24 procent tussen 2000 en 2010’.

Dit alles leidt tot de verbazingwekkende conclusie dat als we de gevolgen van de boom in de productie van bio-brandstoffen buiten beschouwing laten, de wereldwijde consumptie van voedingsgranen en eetbare oliën juist minder wordt. Dit maakt het des te tragischer dat speculatie in de voedingsmiddelenmarkt nog steeds niet onder controle is gebracht en de voedselprijzen zo hoog gehouden worden dat de ellende van miljoenen hongerige mensen nog groter wordt.

Jayati Ghosh is econoom en verbonden aan de Jawaharlal Nehru universeit, New Delhi, India. Ze is voorzitter van International Development Economics Associates (Ideas). Dit artikel verscheen eerder op de website van de Guardian.

Tags: 
Dossier: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren