Washington geeft zoals gebruikelijk de schuld aan de pro-Hamas Palestijnen: Obama en Bush zingen mee in het koor van de rechtse, pro-Israël lobby. De politici van de EU, getuige van de voorbereiding; de belegering; de collectieve manier waarop de bevolking van Gaza gestraft wordt; de aanvallen op burgers; et cetera (zie Sara Roys ijzingwekkende essay in de London Review of Books voor alle bloedige details.), zijn er niettemin van overtuigd dat het de raketaanvallen waren die Israël hebben geprovoceerd. Zij riepen daarom beide kanten op het vuren te staken. Het effect was nihil. De dictatuur van Mubarak in Egypte – al lang over de datum – en NATO's favoriete islamisten in Ankara waren niet eens in staat tot een symbolisch protest door hun ambassadeurs uit Israel terug te roepen. Ook Rusland en China namen geen initiatief voor een vergadering van de VN-Veiligheidsraad om de crisis te bespreken.
Het gevolg van de apathische reactie van de 'officiële politiek' is dat de de woede in moslim gemeenschappen over de hele wereld zal groeien. Juist de organisaties die het westen zegt te willen bestrijden in de 'war against terror' zullen sterker uit deze crisis komen.
Het bloedvergieten roept voor beide zijden vragen op van bredere, strategische aard; vragen die verband houden met de recente geschiedenis. Een van de feiten die erkend moet worden is dat er geen Palestijnse Autoriteit bestaat. Die heeft nooit bestaan. De Oslo-akkoorden waren een volstrekte ramp voor de Palestijnen en leidden tot een verzameling geïsoleerde, gekortwiekte Palestijnse getto's onder permanent toezicht van een gewelddadige beul. De PLO, eens baken van de Palestijnse hoop, werd weinig meer dan een bedelaar om EU-subsidie.
Het westerse enthousiasme voor democratie houdt op zodra stromingen die tegen het westerse beleid ingaan verkozen worden. Het westen en Israël deden alles om Fatah aan een overwinning te helpen; maar de Palestijnse kiezers negeerden de dreigementen en smeergelden van de 'internationale gemeenschap' tijdens een campagne waarin Hamas-leden en andere oppositieleden routinematig opgepakt of aangevallen werden door het Israëlische leger en hun verkiezingsmateriaal in beslag genomen of vernietigd werd; waarin Amerikaans en Europees geld in de Fatah-campagne gepompt werd; en leden van het Amerikaanse congres bepleitten dat Hamas werd uitgesloten van de verkiezingen.
Zelfs de timing van de verkiezingen was bedoeld om de uitslag te manipuleren. Oorspronkelijk gepland voor de zomer van 2005 werden ze uitgesteld tot januari 2006 om Abbas, de 'Palestijnse president' en leider van Fatah, de kans te geven giften uit te delen in Gaza. In de woorden van een Egyptische official: 'dan zullen de mensen de Palestijnse Autoriteit steunen tegen Hamas'.
Het verlangen van de Palestijnen naar een nieuw begin na tien jaar van corruptie, intimidatie en holle beloftes onder Fatah bleek echter sterker te zijn dan dit alles. Het electorale succes van Hamas werd door politieke leiders en journalisten in de hele westerse wereld afgeschilderd als een onheilspellend teken van toenemend fundamentalisme en een zware klap voor de vooruitzichten op vrede. Onmiddellijk werd financiële en diplomatieke druk uitgeoefend om Hamas te dwingen hetzelfde beleid te gaan voeren als de partij die ze in het stemlokaal verslagen had. In tegenstelling tot de Palestijnse Autoriteit, gekenmerkt door een combinatie van hebzucht en afhankelijkheid, de zelfverrijking van haar woordvoerders en politie en hun instemming met een 'vredesproces' dat slechts nog meer onteigening en ellende voor hun populatie opleverde, bood Hamas een eenvoudig alternatief. Zonder een fractie van de middelen van hun rivalen zette Hamas klinieken, scholen, hospitalen, beroepstrainingen en welvaartsprogramma's voor de armen op. De Hamas-leiders leefden op bescheiden voet, tussen de gewone mensen.
Dit antwoord op dagelijkse behoeften, niet het dagelijks voorlezen van verzen uit de Koran, is verantwoordelijk voor de brede maatschappelijke steun waarop Hamas kan rekenen. In welke mate de koers van Hamas tijdens de tweede Intifada de organisatie meer krediet opleverde is minder duidelijk. De gewapende aanvallen van Hamas op Israël zijn net zoals die van de Al-Aqsa Martelaren Brigade of de Islamitische Jihad vergeldingsacties voor een bezetting die vele malen bloediger is dan welke van deze aanvallen ook. In vergelijking met het aantal doden als gevolg van het optreden van Israëlische leger, zijn Palestijnse aanvallen beperkt. De ongelijkheid werd overduidelijk tijdens het unilaterale staakt-het-vuren van Hamas dat begon in juni 2003 en tot de zomer door duurde, ondanks de Israëlische campagne van aanvallen op en massa-arrestaties van zo'n 300 Hamas-leden op de Oostelijke Jordaanoever
Op 19 augustus 2003 blies een zelfverklaarde Hamas-cel een bus op in west Jeruzalem – een actie die de Hamas-leiding veroordeelde en waar ze zich van distantieerde. Prompt vermoordde Israël de voornaamste onderhandelaar over het staakt-het-vuren, Ismail Abu Shanab. Hamas reageerde hier weer op. Op hun beurt staakten de Palestijnse Autoriteit en de Arabische staten de subsidies aan de liefdadigheidsorganisaties van Hamas en in september 2003 verklaarde de EU de hele Hamas-organisatie een terroristische organisatie – zoals Israël steeds wilde.
Hamas valt in de hopeloos oneven strijd met Israël niet op vanwege de zelfmoordaanslagen. Talloze andere organisaties maken daar gebruik van. Hamas valt op vanwege haar superieure discipline, zoals aangetoond werd door het standhouden van een zelf uitgevaardigd staakt-het-vuren het afgelopen jaar. Alle aanvallen op burgers moeten veroordeeld worden, maar aangezien Israël het grootste aantal gedode burgers op zijn geweten heeft is het slechts hypocrisie als de EU of de VS zich drukt maakt om aanvallen van Hamas. Verreweg het meeste bloed kleeft aan Israëlische handen, het bloed van Palestijnen die gedurende de langst durende gewapende onderdrukking van de moderne geschiedenis worden gedood door een modern leger dat gewapend is met straaljagers, tanks en raketten.
'Niemand kan de opstand van een volk dat al 45 jaar onder een militaire bezetting leeft afwijzen of veroordelen', verklaarde generaal Shlomo Gazit, voormalig hoofd van de Israëlische militaire inlichtingendienst in 1993. De werkelijke bron van de Europese en Amerikaanse woede richting Hamas is dat het weigert om de capitulatie van de Oslo-akkoorden te accepteren en dat het elke daaropvolgende poging, van Taba tot Genève, om de ellendige gevolgen van Oslo op de Palestijnen af te schuiven, heeft afgewezen. Voor het westen is het breken van het Palestijnse verzet altijd de eerste prioriteit geweest. Het afsnijden van subsidie aan de Palestijnse Autoriteit is bedoeld om de Palestijnen tot onderwerping te dwingen. Hetzelfde geldt voor het opschroeven, ten koste van de macht van het parlement, van de presidentiële bevoegdheden van Abbas. Net zoals Karzai in Kabul (Afghanistan) is Abbas door Washington geselecteerd voor zijn post.
Er is geen serieuze poging gedaan om te onderhandelen met het verkozen Palestijnse leiderschap. Ik betwijfel of Hamas snel toegegeven zou hebben aan westerse en Israëlische eisen, maar dat zou niet zonder precedent zijn geweest. Het programma van Hamas gaat gebukt onder de meest fatale zwakheid van het Palestijnse nationalisme; het idee dat er gekozen moet worden tussen de vernietiging van Israël enerzijds of het accepteren van een versplinterd land, dat niet meer dan een-vijfde van Palestina inhoudt. Dat het pad van het fantastische maximalisme van de eerste optie naar het trieste minimalisme van de tweede maar al te kort is, wordt bewezen door de geschiedenis van Fatah.
De echte uitdaging voor Hamas is te ontsnappen aan deze verlammende traditie. Kort na de verkiezingsoverwinning van Hamas in Gaza vroeg een Palestijn mij wat ik in hun plaats zou doen. 'Ontbind de Palestijnse Autoriteit', was mijn antwoord; maak een eind aan de poppenkast. Als dit gebeurt, zijn de verhoudingen duidelijk en kan de Palestijnse nationale beweging eisen dat het land evenredig verdeeld wordt onder twee bevolkingen van gelijke omvang, niet 20 procent voor de Palestijnen en 80 procent voor Israël. Een dergelijke ongelijkheid zou op de lange termijn door niemand met zelfrespect geaccepteerd worden. De enige andere acceptabele optie is één staat voor zowel Palestijnen als Joden en het repareren van de schade die het zionisme heeft aangericht. Andere uitwegen zijn er niet.
Israëlische burgers doen er goed aan na te denken over de volgende, door mij licht gewijzigde woorden, uit Shakespeare's De koopman van Venetië:
'Ik ben een Palestijn. Heeft een Palestijn geen ogen, geen handen, geen ledematen, geen zintuigen, hartstochten, genegenheden? Gevoed met hetzelfde voedsel, gewond door dezelfde wapens, slachtoffer van dezelfde ziektes, genezen door dezelfde geneesmiddelen, verwarmd en verkoeld door dezelfde winter en zomer als een jood? Als je ons prikt, bloeden we dan niet? Als je ons kietelt, lachen we dan niet? Als je ons vergiftigt, sterven we dan niet? En als je ons onrecht aandoet, nemen we dan geen wraak? Als we op al deze vlakken zo op jullie lijken, lijken we in dat opzicht ook op jullie...het kwaad dat jullie me leren, zal ik uitvoeren; en hoewel het moeilijk zal zijn, zal ik de instructie overtreffen'.
Tariq Ali is is redacteur van New Left Review. Dit artikel verscheen eerder in The Guardian.
Reactie toevoegen