Vakbeweging moet zich veel meer bezighouden met de veranderende plaats van de arbeid

In onze serie interviews met actieve vakbondsleden laten we deze keer Mirjam Busse aan het woord. Mirjam is werkzaam bij de ING in Amsterdam en lid van de bondsraad van FNV Bondgenoten en het ledenparlement van de FNV. Ze pleit voor een versterking van de vakbeweging op plaatselijk vlak en voor meer diversiteit. En voor een vakbeweging met een duidelijke visie op de plaats van de arbeid in de toekomst.

‘De ontwikkeling in de automatisering gaat veel sneller dan we ons realiseren en heeft veel meer invloed op ons hele leven dan we denken’, zegt Mirjam gedreven. ‘Kijk naar de ontwikkeling van zo’n zichzelf besturende auto, of naar de rol van het internet, dat gaat allemaal heel snel. Als vakbeweging kunnen we daar niet omheen. Het zal de hele wereld van de arbeid veranderen. We hebben nu al te maken met een enorme kloof tussen mensen met een vast contract en degenen met een tijdelijk contract. We kunnen het ons als vakbeweging niet permitteren om alleen op te komen voor de belangen van de vaste werknemers. De kloof tussen ‘vast’ en ‘flex’ zal minder moeten worden. Vast zal flexibeler moeten worden en flex vaster.’

‘Op het bedrijf waar ik werk, de ING, werken heel veel mensen via een uitzendbureau. Dan kan je je als vakbond niet alleen op de vaste medewerkers richten. Tegelijkertijd zie je dat een bedrijf als de ING ook een ‘moderne’ werkgever wil zijn met een platte organisatie, met minder managementlagen, zelfstandige taakgroepen en dergelijke. We proberen nu om mensen die boventallig zijn vast te houden op plaatsen voor flexwerkers en externen, maar over dat soort zaken moeten we als vakbeweging veel meer nadenken en beleid ontwikkelen.’

Medezeggenschap

Zoals veel actieve vakbondsleden is Mirjam begonnen in de medezeggenschap, als lid van de ondernemingsraad. ‘Voordat ik zo’n kleine twintig jaar geleden ging werken bij wat toen nog de Postbank heette was ik op mijn vorige werk al slapend lid van de FNV, van de Abvakabo. Ik had wel eens wat in de bond gedaan en ook een scholingscursus gevolgd, maar veel stelde mijn vakbondswerk niet voor’, vertelt ze. ‘Toen ik hier ging werken stelde ik me verkiesbaar voor de Ondernemingsraad op de lijst van de FNV. Er waren toen veel vakbondsleden bij de Postbank en er was altijd een strijd tussen de Unie (van middelbaar en hoger personeel) en de FNV wie er bij de verkiezingen voor de Ondernemingsraad de grootste werd. Ik was in het bedrijf als nieuwkomer natuurlijk niet erg bekend en kwam op een onverkiesbare plaats. Maar na een tijdje kwam ik alsnog in de ondernemingsraad en later ook in de centrale (landelijke) ondernemingsraad van het bedrijf en in het dagelijks bestuur daarvan. Maar in de vakbond zelf was ik niet zo actief, al draaide ik wel mee in de kadergroep op het bedrijf.

Een collega van me zat in de bondsraad (het parlement) van FNV Bondgenoten en toen die er mee ophield vonden we dat er toch iemand vanuit ons bedrijf of onze sector in moest en zo ben ik zowel in de sectorraad als in de bondsraad gekomen.’

Het ledenparlement

Daarnaast zit je nu ook in het nieuw ingestelde ledenparlement van de FNV? ‘Ja in eerste instantie ben ik vanuit de sector ‘finance’ benoemd in het voorlopige ledenparlement en later ben ik door de leden van de sector in het ledenparlement gekozen.’

Wat vind je van de functie en het functioneren van het ledenparlement? ‘Ik denk dat het ledenparlement een heel belangrijke rol speelt in de vernieuwing van de FNV. Het is daar dat de stem van de leden, via de door de leden gekozen vertegenwoordigers, het beleid moeten bepalen.’

‘Het ledenparlement functioneert volgens mij redelijk goed. Natuurlijk hebben we allemaal aan dat nieuwe orgaan en de taakverdeling met het bestuur moeten wennen, maar over het algemeen gaat het goed. Het ledenparlement heeft duidelijk een plaats veroverd. Het functioneert ook veel beter dan bijvoorbeeld de bonsraad van FNV Bondgenoten. Die is zo samengesteld dat twee grote fracties uit twee grote sectoren een doorslaggevende stem hebben en eigenlijk alles kunnen tegenhouden. Soms is dat ontzettend irritant, want het lijkt soms alsof mensen daar niet zitten voor het gezamenlijke belang, maar alleen voor het veiligstellen van de belangen van hun eigen sector. Er wordt vaak het woord solidariteit in de mond genomen maar het lijkt wel alsof het vooral gaat om solidariteit met zichzelf.’

‘Maar’, voegt ze daar aan toe, ‘ik begrijp ook wel dat men huivering is over de fusie van de verschillende bonden, want bij de fusie waaruit FNV Bondgenoten is ontstaan is het indertijd bijna mis gegaan, toen was de nieuwe bond bijna failliet. Maar volgens de commissie die de financiële situatie heeft doorgelicht is er nu geen gevaar. Als je voor een fusie gaat dan moet je daar ook echt voor gaan. Dan worden de inkomsten centraal geïnd en moet je uiteindelijk ook gezamenlijk over de besteding van de gelden en de prioriteiten beslissen. Daarin moet het ledenparlement een centrale rol spelen. De verantwoordelijkheid hebben we nu als ledenparlement en die rol moet je dan ook nemen. Gelukkig heb je in het ledenparlement te maken met veel kleinere fracties van twee of drie leden per sector, zodat er altijd naar brede coalities gezocht moet worden en niet twee facties de zaak kunnen blokkeren.’

‘Wat ik ook als een probleem zie is de opstelling van een deel van de werkorganisatie’, gaat Mirjam verder. ‘Er is vanuit die hoek veel weerstand tegen de vernieuwing. Bestuurders willen soms gewoon niet samenwerken met leden, dan krijg je bijvoorbeeld voor een activiteit gewoon niet de namen van kaderleden die je aan wilt schrijven. Of er wordt gewoon buiten de leden om onderhandeld en dan komt een bestuurder met het verhaal dat het echt niet anders kon, dat er echt niets meer in zat. 'Ik begrijp best’, gaat ze verder, ‘dat bestuurders niet met iedere opmerking van een lid iets kunnen of hoeven te doen, er zijn ook altijd leden die snel roepen dat het zus of zo moet alsof dat allemaal zo makkelijk te regelen is, maar je moet je leden wel serieus nemen en zeker de kadergroep er bij betrekken. Daar schort het nog heel vaak aan.’

‘Maar’, voegt ze daar aan toe, ‘het hangt natuurlijk ook erg van de kracht van de kadergroep af. Bij ons was die in de tijd dat het economisch goed ging - en er met name bij ons in de financiële sector heel veel kon - enorm teruggelopen. Nu zie je weer meer mensen actief worden. We hebben nu een kleine, maar wel actieve kadergroep, daar kan je ook veel mee bereiken en we hebben een speciaal project met workshops om jongeren er bij te betrekken, want dat is natuurlijk cruciaal.’

Diversiteit

Wat moet er nog meer gebeuren om de nieuwe vakbeweging echt van de grond te krijgen? ‘Diversiteit’, is het prompte antwoord. ‘We moeten als vakbeweging veel meer een afspiegeling worden van de beroepsbevolking: met veel meer migranten, vrouwen en jongeren dan nu. Daar moeten we ons echt voor inzetten. Ik heb zelf een gekleurde zoon van een Antilliaanse vader, nou dan merk je dat er in Nederland heel wat meer discriminatie is dan wij als witte Nederlanders vaak denken. Dat moet de vakbeweging ook oppakken, daarom ben ik zo blij met het netwerk wereldburgers, en hoop ik dat dat een sterke en actieve groep wordt.’

‘Daarnaast’, zo gaat ze verder, ‘is het opbouwen van FNV lokaal van groot belang. De vakbeweging moet ook op plaatselijk niveau weer duidelijk zichtbaar zijn. De afgelopen tijd is daar - bijvoorbeeld met de verkiezingsbijeenkomsten - al wat aan gedaan, maar dat moet voortgezet worden. Je heb nu de plaatselijke woonafdelingen van de afzonderlijke bonden, maar die zijn niet altijd zo actief en die verdwijnen natuurlijk met de fusie. Hier in Amsterdam heb je het maandelijkse vakbondscafé waar allerlei thema’s besproken worden ook met mensen uit andere sociale bewegingen. Er is er net weer een geweest over de woonstrijd, waar ik helaas niet bij kon zijn, maar ik begreep dat daar ook de basis is gelegd voor een grotere betrokkenheid van de vakbeweging bij de strijd voor betaalbare woonruimte. Het is erg belangrijk dat de vakbeweging zich ook met dat soort zaken bezig houdt.

En zo’n sterke plaatselijke FNV is ook belangrijk omdat je dan veel makkelijker de strijd in een bedrijf kan steunen met mensen die elders werken. Het is ook een mogelijkheid om mensen die actief willen zijn in de vakbeweging, maar die niet in een bedrijf werken met een kadergroep, of bijvoorbeeld als freelancers of zzp'ers helemaal niet in een bedrijf werken toch bij het werk van de vakbeweging te betrekken. Want die aansluiting met die flexwerkers moeten we echt maken. De toekomst van de vakbeweging hangt af van de vraag of we die nieuwe groepen ook er bij weten te betrekken.’

Dossier
Soort artikel

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop