Borderless

19 August 2019

Vakbonden in het poldermodel voor de rechter

'Poldermodel onder druk' luidde de kop van het Trouw-commentaar van 28 oktober. Aanleiding was de aankondiging van de FNV hogere looneisen te stellen in de komende cao-ronde. Eerder liet Lodewijk de Waal al weten de loonmatiging niet meer naar zijn leden te kunnen rechtvaardigen. Een ander bericht, uit de Volkskrant van 20 november 1997: 'Na jarenlang uitzendarbeid te hebben verketterd, beginnen de vakbonden nu zelf een uitzendbureau. Met deze unieke constructie wordt de failliete Amsterdamse havenpool op het nippertje van de ondergang gered.' Wat hebben deze twee berichten, die bijna twee jaren overspannen, met elkaar te maken?

Het poldermodel omvat veel meer dan loonmatiging en gaat verder terug dan 1982, het jaar van het akkoord van Wassenaar. Het is de neoliberale uitwerking van de corporatistische geschiedenis van de Nederlandse sociaal-economische verhoudingen. Aan de traditionele bereidheid van de vakbeweging om in 'constructief overleg' medeverantwoordelijkheid te dragen voor het besturen van de maatschappij, is de aanvaarding toegevoegd dat de marktmechanismen die besturing voor hun rekening nemen. Kortom: loonmatiging, maar ook sociale vrede, privatisering van publieke economische activiteiten en 'verzakelijking' van de vakbeweging.
Onder anderen de Amsterdamse havenarbeiders waren dissonanten in deze harmonie. Met de 'unieke constructie' van november 1997 waren ze bepaald niet gelukkig. De toenmalige vervoersbonden FNV en CNV sloten met een aantal havenondernemers een akkoord, waarin het poldermodel tot de uiterste consequentie werd doorgevoerd. De bonden werden werkgever. Behalve dat zij verantwoordelijkheid namen voor een ingrijpende inkrimping van het personeelsbestand, waren zij als vertegenwoordigers van de werknemers ook de partij die de uitvoering van dat akkoord dienden te controleren. Een uniek 'twee petten'-verhaal, dat Pim Fischer al in de vorige Grenzeloos beschreef.

Co-maker van de macht
Het poldermodel wordt in het buitenland met bewondering, aarzeling en verbazing gevolgd. Met een uitspraak van Lodewijk de Waal kunnen die reacties geïllustreerd worden: 'Essentieel is voor het poldermodel dat er een besef van onmacht is bij elk van de drie partijen.' (Financieel Dagblad, 30 oktober 1998)
Bewondering bij werkgevers en bij politici als Blair, Schröder en tegenwoordig ook Jospin. De onmacht die hen wordt toegeschreven nemen ze voor lief - ze weten wel beter. De onmacht van de vakbeweging bevalt hen prima, en ze zouden zich zo'n sociale partner wensen. Ze loven de loonmatiging, maar hun grootste waardering gaat uit naar het poldermodel als 'stabiliteitspact'. Dat is de term waarin kritische leden van de Duitse vakbond IG Metall hun verbazing samenvatten, een verwijzing naar het gelijknamige pact dat de landen van de Europese Unie zich hebben opgelegd. Een bezuinigingsoperatie die alleen in consensus met de Europese vakbonden gerealiseerd kan worden. En juist in die sociale consensus ligt de kritiek van de 'Genossen' op het poldermodel, die ook bij Franse, Belgische en Britse collega's te horen is. De eventuele import van dat model zien zij als het afscheid van de vakbeweging als 'tegenmacht' en de komst van de postmoderne vakbeweging als 'co-maker' van de macht.
Daarmee beschrijven ze feitelijk de positie van de bonden in de Amsterdamse havenpool en bieden ze een verklaring voor de recente waarschuwingen van FNV-kopstukken dat het poldermodel zal worden geblazen bij kwesties als de voortzetting van de loonmatiging, de invoering van de vierdaagse werkweek, de terugdringing van inkomensongelijkheid, het nieuwe belastingstelsel en de privatisering van de uitvoering van de WAO. Het meedenken, meesturen en mee macht uitoefenen door de postmoderne vakbeweging stuit op de grenzen van de neoliberale realiteit.

Schending akkoord
Bij de havenpool zijn de grenzen al bereikt. In het genoemde akkoord van november 1997 werd vastgelegd dat alle 315 werknemers van de failliete Arbeidspool eerst een half jaar door een onafhankelijk instituut zouden worden getest, in een tweedaags werkverband. De werkgever werd een stichtingsbestuur bestaande uit drie bondsbestuurders en twee functionarissen van het Regionaal Bureau van Arbeidsvoorziening (RBA). Op basis van de testresultaten volgde een splitsing in twee pools. Een Scholingspool: een contract van een jaar, één dag werk en daarnaast opleidingen; met dezelfde werkgever. En een Operationele Pool: een contract van onbepaalde duur en drie dagen werk en als werkgever alleen de drie bondsbestuurders. De Scholingspool zou maar een jaar bestaan. Waarna de betreffende werknemers gekwalificeerd zijn voor een baan binnen of buiten de haven. Krijgen ze die baan niet, dan zouden ze terugvallen op de Operationele Pool.
De Operationele Pool was gepland voor 110 werknemers. De Scholingspool telde, juni 1998, 98 werknemers. Maar in strijd met het akkoord dat de bonden als onderhandelaars hadden gesloten, besloot de bond als werkgever deze 98 te ontslaan. De ontslagcommissie, die de Regionale Directeur Arbeidsvoorziening adviseerde over het verlenen van de ontslagvergunning, was unaniem tegen. Toch legde die directeur het advies naast zich neer en verleende de ontslagvergunning.
Het 'onafhankelijk' instituut dat de testen verrichtte, bleek verbonden aan het RBA. De vraag ligt dan ook voor de hand: zijn de testresultaten gebruikt als criterium voor het ontslag? Dat kan niet, want die waren slechts bedoeld voor de splitsing in twee pools. Welke criteria zijn er dan wel bij het ontslag gehanteerd? Er werd een rijtje gepubliceerd. Een voorbeeld: 'instelling (gestaag willen aanpoten, geen schades veroorzaken, geen geruzie met derden tijdens het werk, voortijdig het werk verlaten).' Vaag en oncontroleerbaar...

Natuurlijke vijand
21 havenpoolers wilden duidelijkheid, en daagden de bonden voor de Amsterdamse Kantonrechter. Zij vermoeden dat het ontslag volgens een grote willekeur heeft plaatsgevonden. Als dat uit de verhoren blijkt, is er een juridische grond voor het stellen van eisen. Op 4 en 5 november verhoorde de rechter acht getuigen onder ede: drie bondsbestuurders, twee RBA-functionarissen en drie (oud-)managers. En zo kreeg de 'unieke constructie' in de havenpool een uniek vervolg. Niet alleen vanwege de erg vergaande uitwerking van het poldermodel, maar ook omdat zo'n getuigenverhoor in het Nederlands arbeidsrecht zelden vertoond is. (Zie kader)
Gemakkelijk is het tot nu toe niet geweest, ook omdat onder 'de 21' nogal wat leden zijn van FNV Bondgenoten. Afspraken over overleg, via de advocaat van de werkgever, eerder raadsman van de ondernemingsraad van de Arbeidspool, werden eerst uitgesteld en daarna afgezegd. Het verzoek om de adressen van de op te roepen getuigen werd pas ingewilligd na een kort geding. De juridische dienst van de FNV weigerde eerst de zaak in behandeling te nemen en beknibbelde later zo op de toegezegde bijdrage aan de kosten van hun advocaat dat daarvan waarschijnlijk net de postzegels betaald kunnen worden.
Het is te hopen dat de zaak van de Amsterdamse havenpool de bonden tot bezinning brengt. Deze wel erg vergaande uitwerking van het poldermodel laat zien dat de bond als werkgever kennelijk onvermijdelijk het gedrag kopieert van degenen die ooit als de 'natuurlijke vijand' beschouwd werden.

Hans Boot is hoofdredacteur van Solidariteit, blad voor een strijdbare vakbeweging.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren