Een tweede fase van de Arabische lente is begonnen. Terwijl machthebbers proberen de volksbeweging in te kapselen of neer te slaan rijst de vraag of het de bevolking of de elites zullen zijn die de toekomst bepalen.
De lappendeken van de Arabische politiek, een verzameling van monarchistische cliënten, gedegenereerde nationalistische dictaturen en de tankstations bekend als de Golfstaten, was het product van een ingrijpende periode van Frans en Engels kolonialisme. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Verenigde Staten langzaam de dominante machtsfactor met als resultaat tijdens de Koude oorlog de tegengestelde bewegingen van radicaal, anti-kolonialistisch Arabisch nationalisme en zionistisch expansionisme. Na het einde van de Koude Oorlog nam Washington de controle over de regio over, aanvankelijk via lokale potentaten, daarna door middel van militaire bases en bezetting. Democratie was nooit een optie, hetgeen de Israëliërs de kans gaf op te scheppen dat zij het enige lichtpuntje in de Arabische duisternis waren.
Hoe is dit allemaal verandert door de Arabische intifada, de opstand die vier maanden geleden begon? In januari werden demonstrerende massa’s, ongeacht hun sociale afkomst of religie, verenigd door de slogan ‘Al-Sha’b yurid isquat al-nizam!’ (‘Het volk wil de val van het regime!’). Van Tunesië tot Caïro, van Saana tot Bahrein zien we Arabieren de rug rechten en opstaan. Op 14 januari, terwijl de massa’s richting het ministerie van binnenlandse zaken trokken, vluchtte de dictator van Tunesië, Ben Ali, naar Saudi Arabië. Op 11 februari bracht een landelijke opstand de Egyptische dictator Hosni Mubarak ten val en op hetzelfde moment braken in Libië en Jemen opstanden uit.
In het bezette Irak gingen mensen de straat op om te protesteren tegen de corruptie van Maliki’s regime en, meer recent, tegen de aanwezigheid van Amerikaanse troepen en bases. Jordanië werd in beroering gebracht door landelijke stakingen en rebellerende stammen. De protesten in Bahrein escaleerden en er werd het vertrek van de monarchie geëist, een ontwikkeling die de angst om het hart van de Saudische kleptocratie en hun Westerse beschermheren – die zich geen Arabië zonder sultans kunnen voorstellen – deed slaan. Terwijl ik schrijf, vecht het corrupte en gewelddadige regime van de Syrische Ba’ath partij voor zijn leven.
De opstanden werden door onvrede over twee soort factoren bepaald: economisch – massale werkloosheid, stijgende prijzen, een tekort aan levensmiddelen – en politiek: vriendjespolitiek, corruptie, repressie, marteling. Egypte en Saudi Arabië waren de twee voornaamste pijlers van de Amerikaanse strategie in de regio, zoals onlangs nog erkend werd door de Amerikaanse vice-president toen deze verklaarde zich meer zorgen te maken over Egypte dan over Libië. De zorg is dat een democratische regering, ontsnapt aan Amerikaanse controle, het vredesverdrag met Israël zou kunnen opzeggen. Voorlopig is Washington erin geslaagd de politieke verandering te kanaliseren in een overgang onder supervisie van Mubaraks voormalige minister van defensie en zijn bevelhebber van het leger – vooral de laatste staat dicht bij de Amerikanen.
Het regime van Mubarak is nog grotendeels intact en dringt nu aan op stabiliteit en een einde aan de stakingen. Achter de schermen vinden koortsachtige onderhandelingen tussen Washington en de Moslim Broeders plaats. Met enkele wijzigingen is de oude grondwet nog steeds van kracht. Het lijkt er nog lang niet op dat het Latijns Amerikaanse model van grote sociale bewegingen welke politieke organisaties voortbrengen die zegevieren in verkiezingen en vervolgens hervormingen doorvoeren in de Arabische wereld herhaald zal worden. Tot nu toe wordt de economische status quo er nog niet bedreigt.
In Tunesië en Egypte blijft de massabeweging waakzaam maar ontbreekt het haar aan politieke instrumenten om de wil van de mensen te vertegenwoordigen. De eerste fase is voorbij, de tweede, van het inperken van de bewegingen, is begonnen.
De NAVO bombardementen op Libië waren een poging van het Westen om zich als de voorhoede van ‘democratie’ te positioneren nadat elders pro-Westerse dictators verjaagd waren. De bombardementen hebben de situatie nog slechter gemaakt. Het zogenaamde voorkomen van een bloedbad heeft tot de dood van honderden, veelal onder dwang vechtende, soldaten geleid en heeft de verachtelijke Muammar Kadaffi de kans gegeven om zich voor te doen als een anti-imperialist.
Het Libische volk heeft, ongeacht de uitkomst, verloren. Of het land wordt verdeeld in een privéstaat van Kadaffi enerzijds en een pro-westers protectoraat geleid door een select groepje zakenlieden anderzijds, of het westen schakelt Kadaffi uit en neemt de controle over heel Libië, inclusief de enorme olie-reserves, over.
Elders in de regio blijkt het westen niet zo enthousiast te zijn over ‘democratie’. De VS gaf het groene licht aan een Saudische interventie in Bahrein om plaatselijke democraten te onderdrukken, religieuze tegenstellingen aan te wakkeren en demonstranten ter dood te veroordelen. Bahrein is een gevangenenkamp, een giftige cocktail van Guantánamo Bay en Saudi Arabië.
In Syrië is het veiligheidsapparaat, geleid door de familie Assad, overgegaan tot grootschalig dodelijk geweld maar is er tot nu toe niet in geslaagd de democratische beweging de kop in te drukken. De Syrische oppositie wordt niet gedomineerd door fundamentalisten: het is een brede beweging die alle sociale lagen omvat – behalve de kapitalistische klasse welke loyaal blijft aan het regime.
In tegenstelling tot in veel andere Arabische landen bleven in Syrië veel intellectuelen thuis – gedwongen door huisarrest en marteling. Seculiere socialisten als Riad Turk maken deel uit van de ondergrondse leiding van de beweging in Damascus en Aleppo. Niemand hier wil westerse militaire interventie, niemand wil een herhaling van Irak of Libië. De Israëliërs en Amerikanen zouden het liefst zien dat Assad bleef, net zoals ze er eerder de voorkeur aan hadden gegeven dat Mubarak was aangebleven. In Jemen heeft de lokale despoot honderden burgers laten doden maar het leger is verdeelt en de Amerikanen en Saudi’s proberen hier, net zoals in Egypte, koortsachtig een nieuwe coalitie te vormen – maar de opstandige massa’s weigeren elke deal met de zittende machthebber.
De VS wordt geconfronteerd met een nieuwe politiek landschap. Het is nog te vroeg om te zeggen wat de uitkomst zal zijn, het einde is nog niet in zicht.
Dit artikel verscheen eerder op de website van de Guardian. Tariq Ali is een anti-oorlogsactivist, journalist en schrijver van onder andere ‘The clash of fundamentalisms. Crusades, jihads and modernity.’Vivendie rorum, utem, publicipio in ilis, C. C
Reactie toevoegen