België: De 'krijt-revolutie', als een samenleving in opstand komt om haar openbare school te verdedigen

De maand juni 2026 zou achteraf gezien wel eens een beslissend moment kunnen blijken te zijn in de hedendaagse sociale en politieke geschiedenis van België. Wat er op het spel staat, reikt veel verder dan een simpele sectorale hervorming. Het gaat om een diepgaande confrontatie tussen twee onverzoenbare visies op het onderwijs.

Aan de ene kant een openbare instelling die is opgezet als pijler van sociale rechtvaardigheid en democratie; aan de andere kant een systeem dat steeds meer wordt afgestemd op marktlogica, winstgevendheid en individuele verantwoordelijkheid.

Op donderdagochtend 4 juni 2026 werd die kloof zichtbaar door een mobilisatie van uitzonderlijke omvang. Duizenden mensen – leerkrachten, leerlingen, studenten, ouders, actoren uit het onderwijs en de sociale sector – trekken naar de hoofdstad, Brussel. Hun doel is duidelijk: massaal verzet uiten tegen het beleid van een regering die steeds autoritairder wordt en doof lijkt voor de eisen van de mensen in het veld.

Die dag komt niet uit het niets, maar is het resultaat van 18 maanden toenemende spanningen, grote mobilisaties en een opeenstapeling van hervormingen die worden ervaren als een systematische aanval op het openbaar onderwijs.

Een regering beschuldigd van democratische breuk

Sinds haar aantreden, ongeveer anderhalf jaar vóór de gebeurtenissen van juni 2026, heeft de regering van de Federatie Wallonië-Brussel [1] zich ingezet voor een reeks hervormingen die gericht zijn op een ingrijpende herstructurering van het onderwijssysteem. Al snel verslechterden de relaties met de leerkrachten en hun vertegenwoordigende organisaties. [2]

De kritiek is eensluidend: gebrek aan overleg, beslissingen die zonder echte onderhandelingen worden opgelegd en een openlijke minachting voor de actoren in het veld. De vakbonden hekelen een top-downbenadering waarin de professionele expertise van de leerkrachten systematisch wordt gemarginaliseerd. De opkomende collectieven spreken op hun beurt van een uitgesproken politieke wil om het maatschappelijk verzet te omzeilen.

Die spanning bereikt een hoogtepunt bij de goedkeuring van een centraal wetsvoorstel: het 'programma-decreet 2'. Om de goedkeuring ervan te garanderen, maakt de regering gebruik van uitzonderlijke parlementaire procedures. Tweemaal worden de vastgestelde regels omzeild om de debatten tot een minimum te beperken en te voorkomen dat de oppositie haar rol ten volle kan spelen.

Voor de oppositiepartijen en een groot deel van het maatschappelijk middenveld vormen die beslissingen een echte breuk met de democratie. De stemming van 4 juni 2026 blijkt dan ook niet alleen een wetgevend moment te zijn, maar ook een indicator van bredere institutionele misstanden.

Het 'programma-decreet 2': een systeemhervorming met cumulatieve effecten

Centraal in het protest staat de inhoud van het 'programma-decreet 2' zelf. Die tekst, die wordt gepresenteerd als een maatregel voor begrotingsrationalisatie, introduceert een reeks ingrijpende veranderingen in het onderwijssysteem.

Een van de meest symbolische maatregelen is de verhoging van de werkdruk in het hoger secundair onderwijs, die van 20 naar 22 lesuren per week gaat, zonder loonsverhoging. Voor de leerkrachten is die wijziging geen louter technische aanpassing: ze houdt een intensivering van het werk in zonder verbetering van de pedagogische omstandigheden, in een context die al gekenmerkt wordt door overbelasting en burn-out.

De tekst voorziet ook in een aanzienlijke beperking van de rechten met betrekking tot ziekteverlof en afwezigheid zonder medisch attest. De regelingen voor de aanpassing van het loopbaaneinde worden aangescherpt, waardoor de mogelijkheden voor de meest ervaren leerkrachten om hun werkdruk geleidelijk te verminderen, worden beperkt.

Tegelijkertijd worden sociale maatregelen geschrapt. Met name de budgetten voor de gratis verstrekking van maaltijden in instellingen die kwetsbare groepen opvangen, worden ingetrokken. Dat besluit wekt bijzondere verontwaardiging, omdat het de meest kwetsbare leerlingen rechtstreeks treft.

In het hoger onderwijs voorziet de hervorming in een aanzienlijke verhoging van het inschrijvingsgeld (van 835 euro naar 1.194 euro per jaar aan de universiteiten – een stijging van meer dan 40 procent; en tot wel een vervijfvoudiging aan bepaalde hogescholen). Die maatregel gaat gepaard met een uitbreiding van het studentenwerk (studenten mogen meer uren werken) en een verlaging van de toegangsleeftijd voor dat werk (van 16 naar 15 jaar), wat een paradoxale situatie creëert: studenten moeten meer werken om hun studie te financieren, die duurder is geworden, met het risico dat hun school- en academische prestaties in het gedrang komen.

Andere maatregelen maken het plaatje compleet: afschaffing van het gratis onderwijs aan kunstacademies voor kinderen jonger dan 12 jaar, heroverweging van eerdere hervormingen die gericht waren op het versterken van de gelijkheid binnen het systeem en het ontbreken van salariskompensatie voor de verlenging van de opleiding (van 3 naar 4 jaar) van toekomstige leerkrachten.

Op zichzelf genomen zou elk van die punten het onderwerp kunnen zijn van een specifiek debat. Samen vormen ze een structurele transformatie: een school die minder toegankelijk is, meer ongelijkheid kent en meer steunt op individuele middelen dan op collectieve solidariteit.

Bezuinigingen die deel uitmaken van een breder kader

Onderwijshervormingen vinden niet in een vacuüm plaats. Ze maken deel uit van een breder geheel van beleidsmaatregelen die op nationaal niveau worden aangenomen.

Daartoe behoren met name de 'dubbele indexsprong', die de koopkracht van werkenden vermindert door de automatische indexering van de lonen aan de inflatie op te schorten, evenals de verscherping van de voorwaarden voor toegang tot ziekteverlof en aanpassingen aan het einde van de loopbaan.

De invoering van 'pensioenmalus'-mechanismen die van invloed zijn op het toekomstige pensioen van deeltijdwerkers versterkt het gevoel van onzekerheid nog verder. Voor leerkrachten komen die maatregelen bovenop de sectorale hervormingen, wat een bijzonder ernstig cumulatief effect heeft.

In die context reikt het protest al snel verder dan alleen het onderwijs. Het sluit aan bij bredere zorgen over de toekomst van de openbare diensten, de verslechtering van de arbeidsomstandigheden en de toenemende ongelijkheid.

Het ontstaan van een ongekende sociale beweging (oktober 2024 – mei 2026)

De beweging is niet op 4 juni 2026 ontstaan. Haar wortels gaan terug tot het najaar van 2024, toen de eerste bezuinigingsmaatregelen het openbaar onderwijs raakten.

Vanaf oktober 2024 ontstonden er lokale acties. Die bleven aanvankelijk beperkt, maar legden de basis voor een dynamiek die zich geleidelijk uitbreidde. Leraren uitten toen hun bezorgdheid over de verslechtering van de arbeidsomstandigheden en het ter discussie stellen van bepaalde recente verworvenheden.

Na de voorjaarsvakantie van 2026 vindt er een ommekeer plaats. Op 12 mei 2026 zorgt een grote demonstratie tegen de federale regering – vaak aangeduid als de ‘Arizona-regering’ – ervoor dat de tot dan toe verspreide woede wordt gebundeld.

In die context besluiten verschillende algemene vergaderingen van scholen, met name in Luik, om doorlopende stakingen te organiseren. In Brussel organiseren scholen zich om hun coördinatie en hun slagkracht te versterken. Op dat scharniermoment ontstaat het collectief ‘Mars attacks’, een inter-schoolcoördinatie die een centrale rol speelt in de structurering van de beweging.

De opkomst van de collectieven: 'École en lutte', 'Université en colère', 'Mars attacks'

Een van de meest opvallende kenmerken van deze mobilisatie is de opkomst van autonome collectieven. Naast de vakbonden organiseert zich een nieuwe generatie actoren.

Tot de meest zichtbare behoren 'École en lutte' en 'Université en colère', die respectievelijk leerkrachten uit het basis- en secundair onderwijs en actoren uit het hoger onderwijs verenigen. Die collectieven streven ernaar een sociale beweging nieuw leven in te blazen die als te geïnstitutionaliseerd en soms los van de realiteit in het veld wordt beschouwd.

De coördinatie 'Mars attacks' speelt een bijzonder doorslaggevende rol. Ze organiseert inter-schoolvergaderingen, coördineert acties en draagt bij aan het produceren van alternatieve informatie tegenover wat de activisten zien als misleidende communicatie van de regering.

Al snel ontstaan er andere initiatieven: 'Parents attack' en 'Élèves attack'. Die collectieven breiden de mobilisatie uit naar de hele onderwijsgemeenschap, waardoor een beroepsmatige protestactie verandert in een maatschappelijke beweging.

Zelforganisatie en basisdemocratie

Vanaf mei 2026 komt de beweging in een intensievere fase terecht. In verschillende grote steden worden inter-schoolse algemene vergaderingen (AV’s) georganiseerd. Die AV’s worden plaatsen van beraadslaging en collectieve besluitvorming. Er wordt gesproken over de voortzetting van de stakingen, de organisatie van de stakingsposten, de wijze van beoordeling van de leerlingen en communicatiestrategieën.

Die dynamiek van zelforganisatie vormt een van de meest vernieuwende aspecten van de beweging. Ze weerspiegelt een wantrouwen ten opzichte van de traditionele structuren, maar ook een wil om de beslissingen weer in eigen handen te nemen.

Voor veel deelnemers geeft die ervaring een nieuwe politieke betekenis aan het beroep van leerkracht en aan het collectieve engagement.

4 juni 2026: een massale demonstratie onder hoge spanning

Op donderdag 4 juni 2026 bereikt de mobilisatie haar hoogtepunt. Vanaf de ochtend stromen demonstraties uit het hele land samen in de wijk rond het parlement. Ongeveer vijfduizend leraren, vergezeld door leerlingen, studenten en vakbondsleden, staan tegenover een politie-inzet van ongekende omvang. Wegversperringen, oproerpolitie, massale aanwezigheid van agenten: alles wijst erop dat men rekening houdt met een hoog conflictniveau.

Al snel loopt de situatie uit de hand. In de buurt van het parlement van de FWB breken confrontaties uit. Verschillende getuigen maken melding van bijzonder gewelddadig optreden van de ordestrijdkrachten. Leraren proberen hun leerlingen te beschermen, van wie de meesten minderjarig zijn. Jongeren van 14 tot 15 jaar, vaak aanwezig voor hun eerste demonstratie, komen terecht in het hart van een brute politie-repressie. De ‘klemtechniek’ – waarbij demonstranten worden omsingeld om ze te arresteren of zelfs te bestraffen – wordt toegepast. Die techniek wordt door talrijke organisaties aan de kaak gesteld als een problematische, zelfs illegale praktijk.

Repressie en gericht optreden tegen jongeren (5–6 juni 2026)

De spanningen houden niet op 4 juni op. De daaropvolgende dagen, 5 en 6 juni 2026, nemen de zogenaamde 'preventieve' controle- en arrestatieoperaties toe. Ze concentreren zich met name rond transitgebieden, zoals het centraal station. Verschillende getuigenissen maken melding van controles die gericht zijn op jongeren — met name zwarte tieners en tieners van Maghrebijnse afkomst.

Die praktijken voeden een gevoel van onrechtvaardigheid en versterken de politieke dimensie van de beweging. De kwestie van politiegeweld en institutionele discriminatie staat nu centraal in de mobilisatie.

Een onmiddellijke reactie: de oproep van 8 juni 2026

Gezien die gebeurtenissen is de reactie snel. Op maandag 8 juni 2026 wordt een gezamenlijke oproep gelanceerd door collectieven van scholen en universiteiten, lerarenvakbonden en jongerenorganisaties.

De oproep roept op tot een grote en vreedzame demonstratie tegen elke vorm van geweld tegen jongeren. Het markeert een samenkomst van de verschillende onderdelen van de beweging en benadrukt haar vermogen om zich snel te hergroeperen.

Een beweging die zich uitbreidt: richting 16 juni 2026

Naast de eenmalige demonstraties is de beweging van blijvende aard. De stakingen gaan door. De algemene vergaderingen blijven bijeenkomen. Er worden roulerende demonstraties georganiseerd in verschillende steden.

Er wordt een nieuwe datum vastgesteld: 16 juni 2026, een grote interprofessionele demonstratie in Namen, de hoofdstad van het Waalse Gewest. Dat evenement markeert een mogelijke uitbreiding van de beweging naar andere sectoren.

Eisen die vorm krijgen

Hoewel de mobilisatie aanvankelijk was gebaseerd op de afwijzing van de hervormingen, evolueert ze geleidelijk naar het formuleren van positieve eisen. Daartoe behoren onder meer de verkleining van de klassen, de uitbreiding van de pedagogische middelen, de erkenning van de pedagogische vrijheid van leerkrachten en de harmonisatie van de salarisschalen. Meer in het algemeen verdedigt de beweging een visie op de school als een ruimte van gelijkheid, emancipatie en strijd tegen discriminatie.

Een internationale reikwijdte

De 'krijt-revolutie', zoals de beweging is gedoopt, is geen op zichzelf staand geval. Ze past in een internationale dynamiek waarin veel landen soortgelijke mobilisaties kennen. Overal komen leraren, studenten en ouders in actie tegen beleid dat wordt gezien als pogingen om het onderwijs te commercialiseren. De inzet is vergelijkbaar: toegang tot onderwijs, arbeidsomstandigheden, financiering van openbare diensten. In die zin kan de beweging die in juni 2026 te zien was, worden gezien als een waarschuwingssignaal, maar ook als een proeftuin voor nieuwe vormen van mobilisatie.

Een strijd die nog maar net begonnen is

Ondanks de goedkeuring van het 'programma-decreet 2' in de vroege ochtend van 5 juni, vertoont de beweging geen tekenen van verzwakking. Integendeel, ze lijkt een nieuwe fase in te gaan. De mobilisatie heeft al effect gesorteerd: ze heeft vaak onzichtbare kwesties aan het licht gebracht en heeft het mogelijk gemaakt om ongekende allianties te smeden.

Het valt nog te bezien of die dynamiek de politieke keuzes kan beïnvloeden. Eén ding is zeker: de kwestie van de toekomst van het openbaar onderwijs staat nu centraal.

En, ver buiten de grenzen van België, spreekt ze alle samenlevingen aan die met dezelfde fundamentele vraag worden geconfronteerd: hoe kunnen we het recht op onderwijs en het openbaar en democratisch onderwijs verdedigen (en uitbreiden)?

Noten

1. In België valt het onderwijs onder de bevoegdheid van de taalgemeenschappen (Franstalig, Nederlandstalig en Duitstalig). Het Franstalig onderwijs wordt beheerd door de regering van de Federatie Wallonië-Brussel (FWB), waarvan de ministeries onder meer het verplicht en hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek, cultuur, jeugd, sport en de vroege kinderjaren bestrijken, en die de Franstaligen van Brussel en het zuiden van het land vertegenwoordigt. De FWB beschikt niet over eigen middelen en is voor haar financiering afhankelijk van de federale regering.

2. De regeringscoalitie in de FWB bestaat uit twee partijen: de partij Les Engagés, die haar oorsprong vindt in de christendemocratische traditie. Ze heeft onlangs haar naam en politieke koers gewijzigd en positioneert zich steeds meer naar rechts; en de MR – Mouvement réformateur, een Franstalige neoliberale partij die steeds verder radicaliseert onder invloed van haar voorzitter, George-Louis Bouchez, een bewonderaar van Trump en diens methoden. De coalitie die deze twee partijen in de FWB vormen, draagt de naam Azur.

Foto's: © Sébastien Brulez / MOC Bruxelles / CC BY-NC-ND 4.0

Aphrodite Mara is lerares, vakbondsafgevaardigde en activiste bij Gauche anticapitaliste, onze Franstalige Belgische zusterorganisatie.

Dit artikel stond op Inprecor. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop