Borderless

9 December 2019

De Egyptische Revolutie tussen militaire hamer en islamistisch aambeeld?

Tijdens de overweldigende beelden van de revolutionaire massabeweging op Tahrir stonden de cynische politieke commentatoren van de regio even met hun mond vol tanden. Voor de opstanden in Tunesië en Egypte was het Midden-Oosten de zieke man van Huntington’s “Third Wave of Democracy” die sinds de jaren ’70 werd ingezet. Politieke wetenschappers wezen er sinds de voorbije twee à drie decennia veelvuldig op dat er niet echt sprake was van een democratische transitie in het Midden-Oosten. Nieuwe termen als “liberalized autocracies” en “post-populist regimes” werden uitgevonden om te verklaren waarom de regio afweek van de logische mars van de geschiedenis naar de liberale democratie. Autoritarisme en politieke islam werden veelal verondersteld diepgewortelde culturele structuren te zijn die een organische en spontane overgang naar een democratische samenleving belemmerden. Ondanks de vele politieke en sociale protesten in de regio – die in de Westerse media systematisch onder de radar bleven – was het dominante beeld van het Midden-Oosten er een van politiek immobilisme en apathie. De bevolking was een object van regimepolitiek en geen zelfstandig politiek subject.

 

 

Sinds de jaren ’70 waren de “regimes” van het Midden-Oosten echter niet zozeer een exponent van inherente, regionale essenties als “despotisme” en “Islam”, maar heel wereldse uitdrukkingen van globale machtsverhoudingen. In Egypte bijvoorbeeld herconfigureerde Sadats liberaliseringspolitiek “het regime” tot een geheel van binnenlandse militairen, staatsbureaucraten, Islamistische bourgeoisie, nouveaux riches en buitenlandse en transnationale politieke en economische actoren. Het is dit neoliberaal “historisch blok” – in de terminologie van de Italiaanse Marxist Antonio Gramsci – dat, met lichte aanpassingen door de jaren heen, de plak zwaaide in het Egypte. Westerse regeringen en multinationale ondernemingen maken sinds de jaren ’70 een onlosmakelijk deel uit van het zogenaamde “Moebarakregime”. Hun financiële, diplomatieke en militaire steun aan de Egyptische dictatuur is mede verantwoordelijk voor de lange winter die de Arabische Lente is voorafgegaan. Dat de Egyptenaren ondanks deze verpletterende machten – binnenlandse repressieapparaten en hun buitenlandse geldschieters – de moed en de durf hadden om massaal in opstand te komen, is en blijft een van de grootste humanistische en emanciperende verwezenlijkingen van onze moderne tijd. De cynici waren even met verstomming geslagen.

De afloop van de Egyptische 25 Januari Revolutie luchtte hen echter op. Met enige triomf konden ze opnieuw op de acties van de hen vertrouwde actoren wijzen in het historische drama van de regio: het leger en de islamisten. Het “volk”, dat even opdook als autonome en soevereine politieke kracht, lijkt opnieuw een speelbal van deze twee machten.

Het dualistische verhaal van “leger vs. islamisten" is gegrond in een zekere politieke werkelijkheid, maar de polarisering van het revolutionaire debat rond deze krijtlijnen vormt juist een integraal onderdeel van het contrarevolutionaire discours. Met andere woorden: wie het revolutionaire proces in Egypte louter door de lens van “leger vs. islamisten” bekijkt, is gedoemd om net de invloed en hegemonie van deze contrarevolutionaire krachten te consolideren.

Tijdens de laatste dagen van de massaopstand tegen Moebarak werd het voor de Supreme Council of Armed Forces (SCAF) duidelijk dat de situatie uit de hand aan het lopen was en dat hun economische en politieke machtsbasis werd bedreigd: er waren massastakingen en de betogers begonnen hun protesten meer en meer op staatsinstellingen zoals het parlement, het presidentieel paleis en het Maspero radio en televisiegebouw te richten. De beste manier om de verdere ontwikkeling van het revolutionaire proces – vooral de volkscomités als spontane organisaties van basisdemocratie en de ontwikkeling van onafhankelijke vakbonden – tegen te houden was… de revolutie zélf te leiden. Ondanks de selectieve onderdrukking en foltering van politieke activisten tijdens de dagen van de opstand werd het Egyptische leger door het volk nog steeds als een progressieve en nationale kracht beschouwd. Door de leiding van de revolutie over te nemen slaagde de SCAF erin om de volksmassa’s in de straten te demobiliseren en van de “transitie” een technische en legalistische kwestie te maken. Terwijl de georganiseerde politieke activisten sceptisch waren over de rol van het leger, gaf een groot deel van de volkse demonstranten de SCAF een voorwaardelijk mandaat om de spontane eisen van de revolutie in te willigen: vrijheid, democratie, waardigheid en sociale rechtvaardigheid.

Het “regime” onderging slechts een cosmetische verandering. De kliek rond Gamal Mubarak en zekere figuren binnen de Nationaal-Democratische Partij (NDP) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken verloren hun invloed en machtspositie binnen het neoliberale blok, ten koste van de militairen. Islamistische en liberale zakenmannen, zoals respectievelijk Khayrat al-Shater and Naguib Sawiris, aasden op een deel van de koek. Na de val van Moebarak brak dus een machtsstrijd los binnen de Egyptische economische elites met betrekking tot de controle over het staatsapparaat. De SCAF bevond zich in een moeilijk parket: enerzijds was het leger niet in staat om zelf op directe wijze de macht via een militaire dictatuur uit te oefenen; anderzijds wilde het zijn economische privilegies en politieke macht te allen koste behouden. De SCAF had bijgevolg een loyale civiele partner nodig om het land formeel te besturen. De Moslimbroeders en de liberalen voor hun part steunden op het prestige en de legitimiteit van de revolutionaire mobilisaties om hun machtspositie tegenover het leger te versterken. Een verbreding van de formele democratische ruimte, de verdediging van burger- en mensenrechten, een sterk parlement, controle op het budget van het leger, enzovoort, vormden voor hen instrumenten om hun positie binnen het neoliberaal blok te verstevigen. Hun machtspositie was en is echter niet van die aard dat zij het leger openlijk en agressief konden confronteren. Zij zoeken in de eerste plaats een genegotieerde uitkomst die hun eigen (voornamelijk economisch) belang vooruit helpt.

Naast deze spelers vinden we de revolutionaire krachten terug: de jongerenbewegingen, de onafhankelijke vakbonden, de volkscomités, de linkse mensenrechtenorganisaties, partijen en actiegroepen. Vanzelfsprekend steunen zij de democratische eisen van de Moslimbroeders en de liberalen, maar zij integreren deze eisen in wat we een omverwerping van het neoliberale blok kunnen noemen: een substantiële transformatie van de politieke en economische structuren van het land ten voordele van de “gewone” bevolking: de werkende klasse, de jongeren, de vrouwen, de lagere middenklassen, de boeren, de sloppenwijkbewoners, enzovoort. We zouden kunnen zeggen dat voor hen “het volk” niet alleen de politieke “burgers” zijn, maar ook een duidelijke klasse-inhoud heeft: de Egyptische “99 percent”. De macht van dit “tegenblok” situeert zich niet in de door de SCAF gecontroleerde politieke ruimte van referenda en verkiezingen, maar in de straten en in de bedrijven. Door de druk van hun mobilisaties werd Ahmed Shafiq door Essam Sharaf vervangen, werd het Ministerie van Binnenlandse (oppervlakkig) hervormd, werden de onafhankelijke vakbonden (gedeeltelijk) gelegaliseerd en de noodwet ingetrokken.

Hoewel het lijkt alsof de Moslimbroeders zich in de confrontatie tussen revolutie en contrarevolutie voortdurend van kamp wisselen, is het juister om te zeggen dat de strijd van revolutie en contrarevolutie ook binnen haar rangen wordt uitgevochten. De leiding van de Moslimbroeders is op politiek en ethisch vlak conservatief en op economisch gebied neoliberaal. Als organisatie zijn de Moslimbroeders een contrarevolutionaire kracht: de civiele tegenpool van de SCAF. De Broederschap is echter een heterogene beweging waarbinnen het politieke veld – de Vrijheid en Rechtvaardigheidspartij – slechts een deeldomein vormt. Binnen dat deeldomein zijn er hervormingsgezinde, militante jongeren die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de opstand tegen Moebarak en de protesten sindsdien. Deze jongeren kwamen dan ook in conflict met de Broederschap en velen van hen verlieten de beweging op individuele basis of in groep om nieuwe organisaties zoals de linkse Egyptische Stromingpartij op te richten. De revolutie woedde en woedt dus ook binnen de Broederschap. Niettemin vormen deze revolutionaire krachten een minderheid binnen de organisatie en bepalen zij allerminst de koers van de partij.

Religie was geen differentiërende factor tijdens de massaopstanden tegen Mubarak. Religie speelde een mobiliserende rol in de prozaïsche vorm van het aanbieden van ontmoetingsplaatsen en –momenten (moskeeën; het vrijdagsgebed). Als religie al ter sprake kwam, dan was het om de verbondenheid tussen Kopten en Moslims te benadrukken – beide groepen behoorden tot het revolutionaire subject: het Egyptische volk. De kunstmatige breuklijn tussen “religie” en “secularisme” kwam pas in maart 2011 aan de oppervlakte, toen het constitutioneel referendum uitdraaide op een stem voor of tegen het behoud van de sharia in de grondwet. De Broederschap en de Salafisten (puriteinse Islamisten) kozen toen het kamp van de SCAF tegen de “seculieren”. Wat werkelijk op het spel stond, was (1) of er eerst een volledig nieuwe grondwet moest komen en dan pas parlementaire en presidentiële verkiezingen; (2) de termijn waarbinnen verkiezingen zouden georganiseerd worden. Snelle verkiezingen waren in het voordeel van een goed uitgebouwde en ingeplante organisatie als de Broederschap. Dit uitte zich dan ook in de klinkende overwinning van de Moslimbroederpartij tijdens de parlementsverkiezingen van eind 2011 en begin 2012. Het Salafistische al-Nour werd de tweede grootste partij. De Moslimbroeders en de Salafisten haalden samen meer dan 65 percent van de stemmen binnen. De liberale partijen waren geschokt door de omvang van de islamistische overwinning.

Maar de Moslimbroeders beseften algauw dat ze een pyrrusoverwinning hadden binnengehaald. Zonder een nieuwe grondwet bleef de SCAF alle macht in handen houden. Het is in deze context dat we de groeiende spanning tussen het leger en de Moslimbroeders moeten beschouwen. Via het Hooggerechtshof zette de SCAF een procedure in gang om het parlement dat ongrondwettelijk was, te laten ontbinden. Het parlement haastte zich, op haar beurt, om een constitutionele vergadering bijeen te roepen die een nieuwe grondwet zou schrijven die haar zou legitimeren. Uiteindelijk won de SCAF het pleit en werd het parlement ontbonden.

De eerste ronde van de presidentsverkiezingen vormde een belangrijke stap verder in het ontwikkelingsproces van de revolutie. De steun voor de Moslimbroeders zakte aanzienlijk in vergelijking met de parlementsverkiezingen: veel Egyptenaren die op de Broeders hadden gestemd drukten hun ongenoegen uit voor hun beleid de voorbije maanden. Vooral de goede score van Hamdeen Sabahi (20,72 percent), een linkse nationalist die als derde eindigde, was bemoedigend. De stemmen voor het revolutionaire kamp waren echter verdeeld over Sabahi en Abdel Moneim Abu al-Futtouh (17,47 percent), waardoor Ahmed Shafiq, die als de “ex-regime”-kandidaat werd beschouwd als tweede eindigde (23,66 percent).

De tweede ronde plaatste dus de Moslimbroederkandidaat Muhammad Morsy tegenover de SCAF-kandidaat Ahmed Shafiq. Het politieke debat werd hierdoor verengd tot de keuze tussen een “revolutionaire” maar “islamistische” kandidaat en een “pro-regime” maar “seculiere” kandidaat. Deze polarisatie had als gevolg dat de meeste partijen en groepen die langs de zijlijn stonden vooral opriepen om tegen een bepaalde kandidaat te stemmen. Ook facties binnen de Egyptische linkerzijde lieten zich tot een dergelijke houding verleiden. De sociaal-democratische Tagammu partij bijvoorbeeld riep op om tegen de dreiging van het islamisme te stemmen (en dus voor Shafiq), terwijl de trotskistische Revolutionaire Socialisten (RS) expliciet opriepen om voor Morsy te stemmen om zo een militaire dictatuur te voorkomen. Voor Tagammu was Shafiq het mindere kwaad in vergelijking met een Moslimbroedertheocratie die de rechten van vrouwen en minderheden nog erger met voeten zou treden dan het Moebarakregime. Voor de RS was Morsy het mindere kwaad in vergelijking met een militair bewind dat de revolutie definitief in de kiem zou smoren.

De revolutie verdient echter geen politiek van het mindere kwaad. Ten eerste zijn de dreigingen van zowel een Moslimbroedertheocratie als een directe militaire dictatuur zwaar overdreven. De leiding van de Moslimbroeders bestaat uit een kern pragmatische zakenmannen die voornamelijk geïnteresseerd zijn in politieke en economische stabiliteit. Vanzelfsprekend zullen zij in hun beleid islamitische accenten leggen (net als Moebarak en Sadat voor hen, overigens), maar onder hen wordt Egypte geen nieuw Iran of Saoedi-Arabië. Een dergelijke omwenteling zou interne chaos en weerstand veroorzaken, buitenlandse investeerders en handelspartners afschrikken en de geopolitieke situatie – voornamelijk de relatie met Israël en de VS – op het spel zetten. Wat betreft de SCAF: de legertop heeft al herhaaldelijk gezegd dat zij zo snel mogelijk van de formele machtsuitoefening verlost wil zijn. Dit is geen retoriek. Gedurende het laatste jaar heeft de bevolking zich steeds sterker tegen de SCAF gekeerd.

De “democratische transitie” heeft gefaald en de legerleiding wordt hiervoor verantwoordelijk gesteld. De generaals zoeken een uitweg die hun economische belangen en invloed garandeert, zonder dat zij de hete kolen uit het vuur moeten halen. Met andere woorden: zij willen heersen zonder te regeren. De polarisatie tussen de SCAF en de Broeders is dan ook eerder een zoveelste stap in hun onderlinge onderhandelingsstrijd, dan een conflict tussen “revolutionaire” en “contrarevolutionaire” of “seculiere” en “religieuze” krachten. Dit is een strijd tussen twee facties binnen de contrarevolutie. Het is geen toeval dat de SCAF en de Broederschap drie dagen rond de tafel zaten vooraleer de definitieve uitslag bekend werd gemaakt van de tweede ronde van de presidentsverkiezingen. De Moslimbroeders en de SCAF vormen een tandem. Beide partijen willen aan het stuur, maar zonder de medewerking van de ander gaat het niet vooruit. Zolang de SCAF sterk blijft, kunnen de Broeders zich opwerpen als de enige, stevige civiel-democratische dam tegen een nieuwe militaire dictatuur. Zolang de Broederschap de grootste burgerlijke oppositiekracht vormt, kan de SCAF zich op haar beurt opwerpen als de enige, stevige seculiere dam tegen de invoering van een theocratie.

Ten tweede wees de goede uitslag van Sabahi en Abu al-Futtouh erop dat er nog steeds een groot pro-revolutionair reservoir aanwezig is onder de bevolking. De linkerzijde had duidelijk moeten stellen dat noch Shafiq, noch Morsy, revolutionaire krachten waren en een duidelijke boycotcampagne moeten organiseren. Binnen de linkerzijde waren er dergelijke stemmen voor een boycot, maar wegens verslagenheid, verdeeldheid en versnippering zijn deze niet tot een campagne uitgegroeid. Een dergelijke campagne had politieke betekenis kunnen geven aan de intuïtie van vele mensen dat er toch een “derde weg” tussen deze twee uitersten moest bestaan. Een dergelijke campagne had tevens een belangrijke politiserende werking gehad onder mensen die Morsy en de Broeders als revolutionaire krachten en een dam tegen het “regime” beschouwen.

Met een voorstelling van wat had kunnen zijn, staan we natuurlijk geen stap verder. Maar het is dankzij onze solidariteit, steun en geëngageerde kritiek dat we de Egyptische linkerzijde verder kunnen helpen in haar strijd om de revolutie te voltooien. Het is opvallend dat vaak de stemmen die voor de Arabische Lente het meest pessimistisch waren over revolutionaire verandering in de regio, nu ook de stemmen zijn die bij de minste tegenslag of het kleinste obstakel de spookbeelden van “militaire dictatuur” en “islamitische theocratie” zien opduiken. De toekomst van de Egyptische revolutie is echter nog steeds in de maak en vandaag kan het verschil nog gemaakt worden. De spelers zitten aan tafel, de kaarten zijn gedeeld en de eerste slagen zijn gevallen. Het spel is echter nog niet uitgespeeld en er is nog geen eindwinnaar bekend. In principe beschikken de revolutionaire krachten over een goede hand in de vorm van de spontane politieke bewegingen, organisaties en stakingscomités die doorheen de revolutie zijn ontstaan. De uitdaging is om deze structuren tot een coherente tegen-hegemonische kracht om te smeden. De rol die wij in het Westen in solidariteit met deze revolutionaire groepen kunnen spelen, is hen in onze media en politieke gemeenschap een duidelijke stem en platform verlenen.

Dit artikel verscheen eerder op Rood

Tags: 
Dossier: 
Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren