14 August 2020

Een nieuwe kans voor Palestina?

Het verzoek van Mahmud Abbas, president van de Palestijnse Autoriteit (PA) om volledig Palestijns lidmaatschap van de Verenigde Naties werpt in zowel Palestijnse als internationale kring politieke en juridische vragen op. Die vragen tonen aan hoe weinig deze stap voortkwam uit een weloverwogen politieke strategie.

De keuze om de VN te vragen een Palestijnse staat te erkennen had het resultaat moeten zijn van een dergelijke strategie. De eis om een Palestijnse staat te erkennen had het hoogtepunt kunnen zijn van een verzoeningsproces tussen Hamas en Fatah, van een herstructurering van de Palestijnse sociale bewegingen en van een hervorming van de banden met de Arabische wereld en met de internationale en Israëlische antizionistische bewegingen. Kortom, de roep om erkenning van een Palestijnse staat had de uitkomst kunnen zijn van een nieuwe opstelling van de Palestijnse beweging en een andere houding tegenover toekomstige vredesbesprekingen. Dit was niet het geval.

Gebrek aan legitimiteit
Ten eerste is het verontrustend dat de keuze om de VN om erkenning te vragen plotseling kwam, niet als het resultaat van een beoordeling van de Palestijnse politiek sinds Oslo. Het lijkt een keuze te zijn ingegeven door de crisis van de bestaande Palestijnse politiek. Een serieuze analyse van de politieke en historische context is een eerste voorwaarde om dit initiatief meer te maken dan een politieke manoeuvre binnen de beperkte kaders van het zogenaamde ‘vredesproces’. Dit ‘vredesproces’ liep mank vanaf de geboorte in 1991 in de vredesconferentie in Madrid en nu, in 2011, moet men onder ogen zien dat het dood is. Dit falen is te wijten aan het feit dat het dit vredesproces vanaf het begin ontbrak aan de noodzakelijke voorwaarden voor succes. Alle onderhandelingen werden getekend door de ongelijke machtsrelaties tussen de Palestijnen enerzijds en de Israëlisch-Amerikaanse alliantie, gesteund door de Europese Unie anderzijds. Ook de Arabische regimes kozen de kant van deze oppermachtige alliantie.

De politieke en historische context van dit initiatief van Abbas is het conflict tussen de koloniale Israëlische bezetting en de Palestijnse aspiraties voor nationale bevrijding. Een beoordeling van de gang naar de VN, negatief of positief, mag deze context niet uit het oog verliezen. De discussie gaat dieper dan juridische controverses over VN-lidmaatschap of media-campagnes van politici. Waar het om gaat is of de keuze om naar de VN te stappen een terugkeer naar het referentiekader van de VN resoluties en het internationaal recht, en dus het opgeven van het referentiekader opgelegd door de ongelijke machtsverhoudingen van ‘Oslo’, betekent.

Als het antwoord op deze vraag ‘ja’ is, zou de oproep om een Palestijnse staat te erkennen de eerste stap van een nieuwe Palestijnse strategie zijn: de heropbouw van de Palestijnse strijd, gebaseerd op de noodzaak van nationale eenheid en een heroverweging van alle vormen van verzet alsmede de heropbouw van de Palestinian Liberation Organization (PLO) als de legitieme vertegenwoordiger van het Palestijnse volk. Die legitimiteit kan slechts rusten op een nationale consensus over Palestijnse rechten (het recht van ontheemden om terug te keren, zelfbeschikking en de oprichting van een onafhankelijke, soevereine Palestijnse staat met Jeruzalem als de hoofdstad en het ontmantelen van de nederzettingen). Slechts de gang naar de VN zal weinig gevolgen hebben voor de lokale realiteit.

De Palestijnen hebben al een hoge prijs moeten betalen voor de kortzichtigheid en het opportunisme van veel van hun leiders. Dit blijkt duidelijk uit de bittere ervaring van de Oslo akkoorden en hoe dit ‘vredesproces’ niet de uitgangspunten en doeleinden van de strijd voor nationale bevrijding en de fase waarin deze verkeerde respecteerde. De akkoorden respecteren werd het doel zelf, en niet het middel om de Palestijnse rechten te garanderen. Sommige mensen suggereerden zelfs dat de onderhandelingen en de vorming van de PA betekenden dat het stadium van nationale bevrijding, met alle nationale, politieke en organisatorische vereisten hiervan, al voorbij was. De machtsverhoudingen in de Palestijnse samenleving tussen de politiek enerzijds en de sociale actoren anderzijds – sociale bewegingen, de linkse partijen en de talloze mensen die het belang inzien van het voortzetten van de bevrijdingsstrijd – moeten herzien worden. Alleen op een democratische basis kunnen de verschillende politieke stromingen en sociale bewegingen samenkomen.

In ieder geval zou de Palestijnse leiding moeten beseffen dat het falen van alle ‘vredesinitiatieven’ verklaard kan worden door het simpele feit dat deze poogden fundamentele voorwaarden als de nationale rechten en eenheid van de Palestijnen te negeren. Er werd geprobeerd vrede te brengen terwijl de Israëlische bezetting gewoon voortduurde. De aard van de concessies gemaakt door de Palestijnse leiding hebben de nationale rechten ondergraven en hierdoor ontbeert het vredesproces elke vorm van legitimiteit. In de ogen van de meerderheid van de Palestijnen is het zogenaamde vredesproces slechts een keuze van een beperkte politieke elite, een keuze die ingaat tegen de rechten en belangen van de meerderheid terwijl de onderhandelingspartner, Israël, zijn koloniale beleid, inclusief het bouwen van nederzettingen op Palestijns land, voortzet. Het overzicht op hoeveel de Palestijnen al verloren hebben wordt vertroebeld door politiek gekonkel. Alleen een politieke koers gebaseerd op het principe van nationale bevrijding, een principe waar het legitimiteit aan kan ontlenen, heeft kans op succes. Toewijding aan de Palestijnse zaak en de gerechtvaardigde strijd voor vrijheid, onafhankelijkheid en zelfbeschikking, op de basis van het internationaal recht en de VN resoluties moeten de uitgangspunten zijn. Indien de gang naar de VN het begin is van een nieuwe oriëntatie op het internationale recht en de Palestijnse bewegingen de kans grijpen om zich te hervormen op basis van een dergelijke oriëntatie en breken met het mislukte ‘vredesproces’ oontstaan er nieuwe kansen voor de Palestijnse bevrijdingsstrijd. Wat betreft het initiatief om naar de VN te stappen, betekent dit dat het doel moet zijn om het politieke, sociale, economische en culturele vermogen van de Palestijnse samenleving te versterken en een eind te maken aan de bezetting. Dit is veel belangrijker dan een juridisch en diplomatiek debat.

Valse vrede en valse hoop
Er zijn twee dringende politieke noodzaken. Ten eerste die van het herstel van een nationale Palestijnse strategie, in overeenstemming met de noden van de Palestijnse bevolking en de erkenning dat zij nog steeds bezet worden gehouden. De eerste taak is het maken van een evaluatie van Oslo-akkoorden, het erkennen van de ongelijkheden hierin en het opgeven van valse hoop. In 2002 waarschuwde de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish er al voor dat de Israëlische staat met de ‘valse vrede’ van Oslo hoopte te bereiken wat het niet kon bereiken middels oorlog: een dominante positie in de regio en het isoleren van de Palestijnen; ‘de Palestijnen hebben zich tot uiterste toe ingespannen en een hoge prijs betaald voor een akkoord dat niet meer beoogt dan de erkenning van het recht om op twintig procent van ons historische thuisland een staat te creëren terwijl Israël weigert zich terug te trekken en ons historische bestaan nog steeds ziet als een buitenlandse bezetting van het ‘eeuwige Joodse thuisland’.’

Ten tweede moeten de Palestijnse politieke organisaties, de PLO en de Palestijnse Authoriteit (PA) opnieuw opgebouwd worden. Een eerste taak is het trekken van een scherpe lijn tussen de taken van de PA en die van het verzet. De vergissing om de verzetsstrijd en de taken van de PA door elkaar te halen leidde tot de crises in de twee grootste politieke Palestijnse bewegingen, Fatah en Hamas. Fatah werd niet meer dan een verlengstuk van de PA hetgeen tot de breuk met Hamas leidde. De PA probeert nu de verzetsbewegingen te controleren terwijl het zijn eigenlijk taak is om de sociale voorzieningen en democratie in de Palestijnse samenleving te waarborgen. Als de verzetsbewegingen onafhankelijk waren gebleven van de PA had het conflict niet het punt bereikt dat de eenheid van de Palestijnen en daarmee de strijd voor vrijheid en onafhankelijkheid in gevaar komen.

De nationale bevrijding van de Palestijnen kan niet los gezien worden van hun sociale rechten en van ontwikkeling van de Palestijnse gemeenschap, te meer omdat buitenlandse hulp nu fungeert als politiek pressiemiddel. De huidige omwentelingen in de Arabische wereld creëren gelukkig nieuwe kansen voor steun aan de Palestijnse strijd. Geconfronteerd met toenemende sociale spanningen in Israël is de Israëlische regering bang het overwicht dat ze dankzij Oslo verwierf te verliezen. De sociale en economische misère in Israël houdt direct verband met de kosten van de bezetting – een nieuwe Palestijnse beweging kan een bondgenootschap aangaan met de Israëli’s die onder dit beleid leiden.

Kortom, de betekenis van ‘september’ ligt niet in de besluiten van de VN – wat daar besloten wordt zal door bestaande machtsverhoudingen bepaald worden – wat telt is dat dit debat een kans is om voor een nieuwe oriëntatie te kiezen. Zo’n oriëntatie moet afscheid nemen van de illusies van Oslo en zich baseren op de meest wezenlijke principes: de sociale en politieke rechten van de Palestijnen.

Nassar Ibrahim is actief bij het Alternative Information Center, een Israëlisch-Palestijnse organisatie die actie voert tegen de bezetting. Dit artikel is een bewerking van een essay dat eerder op hun site verscheen.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren