De neoliberale koers die de Nederlandse elite vanaf eind jaren zeventig is gaan varen heeft een situatie gecreëerd van de structurele achterstelling van een grote en groeiende groep mensen. Deze mensen wonen grotendeels, maar niet exclusief, in de binnensteden van grote steden. Meestal gaat het om de oude arbeidersbuurten, waar achterstand en werkloosheid, gebrek aan scholing en perspectief zich concentreren. Zij zijn in toenemende mate geïsoleerd geraakt van andere delen van de arbeidersklasse.
Scheidslijn
De scheidslijn tussen de arme groepen en middengroepen bestaat niet alleen geografisch. We zien dat die scheidslijn tevens langs etnische lijnen loopt. Gastarbeiders en hun kinderen behoren vaak tot de mensen aan de onderkant van de samenleving. Dat vergroot de geïsoleerde positie van die groep. Het ondermijnt de solidariteit. Bovendien betekent de ontwikkeling van een onderklasse van etnische- of nationale minderheden dat die onderklasse zo mogelijk nog verder gemarginaliseerd wordt. Tegenover aanvallen op de verzorgingsstaat, staat deze groep bij uitstek uiterst zwak. Niet alleen door objectieve omstandigheden, als een kleinere kennis van de taal en mogelijkheden om zich te verzetten. Maar ook omdat racistische stigmatisering gebruikt wordt om de aanvallen te legitimeren.
Het leidt geen twijfel dat dit een uiterst gevaarlijke ontwikkeling is. Langzaam dreigt een samenleving gestalte te krijgen waarin de neoliberale ideologie tot in het uiterste is doorgedrongen: geïndividualiseerd tot op het bot en gericht op de complete uitholling van de solidariteit. De perverse nadruk op de ‘eigen verantwoordelijkheid’ van het huidige kabinet komt niet uit de lucht vallen, maar dient ter legitimering van de aanvallen op mensen die afhankelijk zijn van de verzorgingsstaat. Die mensen dreigen in de huidige situatie steeds verder te worden gecriminaliseerd. Gepoogd wordt uit het beleid voortvloeiende problemen als toenemende kleine criminaliteit en vervreemding van de directe leefomgeving, die zich uitdrukt in ‘asociaal’ gedrag, met repressie beheersbaar te houden. Dat is overigens tot mislukken gedoemd.
Het rechtse monopolie op de discussie over de toestand in de binnensteden zegt veel over de zwakte van links. Immers, de problemen in de oude wijken – armoede, verpaupering, criminaliteit, werkloosheid – zijn het gevolg van het neoliberalisme, van rechts beleid, ook al werd dat uitgevoerd door zogenoemde ‘linkse’ partijen. Waar die tot een crisis van rechts zouden moeten leiden, lijken rechtse stromingen er tot nu toe alleen maar van te profiteren en kiest links steeds vaker voor antisolidaire oplossingen.
Het lijkt soms wel alsof de rechtse aanvallen op radicale, progressieve ideeën door links zijn geïnternaliseerd. Het illustreert de crisis van de linkse politiek, dat deze niet langer eigen ideeën naar voren schuift, maar in toenemende mate ook voor rechtse antwoorden kiest. Het wordt tijd voor een ander geluid.
Rotterdam
De politieke en sociaal-culturele ontwikkelingen in Rotterdam van de afgelopen periode, zijn de uitkomst van een lang proces van ontworteling, herstructurering en verarming van de stad. Na de oorlog ontwikkelde Rotterdam zich tot een redelijk voorspoedige arbeidersstad met een grote aantrekkingskracht op arbeiders uit de omgeving. De ligging van Rotterdam vormde de basis voor grote, met de haven verbonden, industrie. Na de oorlog werd de stad snel herbouwd en de groei ingezet. De sociaal-democratie voer er wel bij, met periodes waarin ze een absolute meerderheid in de raad had.
Dat begon eind jaren zeventig te veranderen. De economische herstructurering van die tijd bracht een ontwikkeling op gang van arbeidsintensieve, met de haven en transport verbonden industrie, naar een economie gebaseerd op kennis en diensten. Veel mensen, ‘gastarbeiders’ en autochtone Rotterdammers, verloren hun baan. Rotterdam werd een stad met een grote onderklasse. De middengroepen, de beter betaalde arbeiders, begonnen langzaam de oude buurten te verlaten om in de buitenwijken of in randgemeenten te gaan wonen. De oude wijken werden steeds meer vooral bewoond door mensen met lage inkomens en weinig perspectief. Vaak ging het om migranten en kinderen van migranten. De oude wijken hadden goedkope huurhuizen en oefenden dus een grote aantrekkingskracht uit op nog meer mensen met lage inkomens en weinig perspectief. De werkloosheid groeide er sterk. In de wijken concentreerden zich steeds meer mensen met gelijksoortige achtergronden: allochtoon, werkloos. Autochtone Nederlanders trokken weg.
Doorzetten
Deze ontwikkelingen waren natuurlijk niet onvermijdelijk, maar vloeiden voort uit de gemaakte politieke keuzes. Wat dat betreft is er met het huidige college weinig nieuws onder de zon. Hun beleid gaat verder waar het vorige college ophield: het uitvoeren van een neoliberale politiek.
Ook na de herstructurering eind jaren zeventig bleef het stadsbestuur zich richten op de haven als het centrale element in de Rotterdamse economie. Rotterdam moest immers wereldhaven nummer één blijven. Maar dat betekende een groei van de werkloosheid – het werk dat in de haven van na de herstructurering overbleef, was in toenemende mate weggelegd voor hoogopgeleiden.
Het nieuwe college maakt de belofte van ‘nieuwe politiek’ van de leefbaren niet waar. Ze overgoten de oude met een andere saus, dat wel. Hoe die saus smaakt, wordt duidelijk uit het in december 2003 gepubliceerde collegeprogramma Rotterdam zet door: Op weg naar een stad in balans. Het programma staat vol met ‘oorlogstaal’, zoals de Rotterdamse fractievoorzitter van de SP Theo Cornelissen het uitdrukte: ‘stadsmariniers, uitzonderingstoestand, frontlijnvorming.’ Voor het Rotterdamse establishment zijn de mensen in de arme wijken een soort vijanden en het programma is dan ook gericht op hun uitsluiting. In plaats van een beleid dat gericht is op participatie en solidariteit zet het college het weren van kansarmen en allochtonen, repressie en de ‘yuppificering’ van de binnenstad.
Wie in Rotterdam wil komen wonen moet 120 procent van het minimumloon verdienen. Daarvoor moeten andere wetten, zoals de huisvestingswet, worden aangepast. De komende vier jaar wil het college vrijstelling van het huisvesten van erkende asielzoekers. Mensen die een buitenlandse partner willen huwen moeten over adequate huisvesting beschikken; vroegtijdige schoolverlaters krijgen een leer- of werkplicht tot 23 jaar. Bovendien wil de stad woningzoekenden met een hoger inkomen bij de toewijzing in probleemwijken voorrang geven. En op het vlak van de veiligheid overheerst de harde hand en de knuppel.
Er zijn alternatieven mogelijk.. Die vereisen niet alleen een breuk met de tijdsgeest, maar met het neoliberalisme als uitgangspunt van beleid.
Samenhang
Eerst en vooral komt het er op aan samenhang terug te brengen, mensen het gevoel te geven dat hun buurt, hun school, hun straat mede van hen is. De vervreemding van de eigen leefomgeving ligt aan de wortel van de huidige problemen in de arme wijken. Bijvoorbeeld in het onderwijs. Tegenwoordig wordt vooral over de eenzijdige etnische en sociale samenhang van veel scholen gediscussieerd, wat inderdaad niet bijdraagt aan een verbetering van de kansen voor scholieren. Maar de eenzijdige nadruk op zwarte scholen verhult de problemen die de door de neoliberale agenda gedicteerde schaalvergroting in het onderwijs met zich mee hebben gebracht. Hedendaagse jongeren zitten op leerfabrieken. Fabrieken waar voor jongeren uit achterstandssituaties geen tijd is. Waar leraren hun leerlingen niet meer voldoende kennen. Waar het steeds moeilijker is geworden problemen van jongeren op tijd te signaleren. Waar de begeleiding van jongeren in het kiezen van mogelijke toekomstperspectieven onvoldoende is. Waar irritant, asociaal, soms gewelddadig gedrag niet effectief kan worden aangepakt. Dat heeft met leraren vaak weinig te maken: die willen wel. Maar het is ze volstrekt onmogelijk gemaakt.
Het aanpakken van het gebrek aan perspectief in achterstandsbuurten – en zo automatisch een aantal van de problemen daar – begint bij een beter, en vooral kleinschaliger onderwijs. Scholen zijn meer dan leerfabrieken: behalve een onafhankelijke toekomst veiligstellen, heeft de school een aantal essentiële maatschappelijke functies. Jongeren met persoonlijke problemen hebben hulp nodig; kinderen uit slecht functionerende gezinnen moeten een veilige plek hebben; geweld en criminaliteit kunnen op school vroeg worden gesignaleerd. Kleine klassen in kleine scholen met veel individuele aandacht, zijn essentieel.
Woningbouw
Op het vlak van de woningbouw ontbreekt het ’t huidige college niet alleen aan ambitie of visie, maar vooral aan de wil echte, radicale keuzes te maken. Het is gemakkelijk en goedkoop, zeker in Rotterdam, te praten over de noodzaak van ‘spreiding’. Moeilijker is het de woningbouw weer in eigen hand te krijgen, de heilige vrije markt uit het beleid te bannen en te beginnen rationeel, divers en sociaal te bouwen. De wetten van het neoliberalisme dicteren marktwerking in de woningbouw. Maar de noodzaak aan een toekomst te werken die sociaal, solidair en multicultureel is, dicteert het terugdraaien van de privatiseringen. De woningbouw moet onder democratische controle. Wat gezamenlijk kan, moet collectief gebeuren!
De vlucht van hoger opgeleide, ‘kansrijke’ mensen – ‘sociale stijgers’ - uit de arme wijken, moet gestopt worden, maar niet door kansarme bewoners verder de marge in te drijven. Integendeel, een progressief woningbouwbeleid zorgt dat mensen uit de onderklasse betere huizen krijgen en bevrijd worden van huisjesmelkers die te hoge huren vragen en hun woningen laten verpauperen. Het vertrek van kansrijken kan gestopt worden door naast voor sociale woningbouw te kiezen, woningen te bouwen voor mensen uit middengroepen; mensen die alleen willen wonen; voor grote gezinnen; voor kunstenaars die een atelier aan huis nodig hebben; voor woongroepen en studenten. Diversiteit is essentieel in een stad met zoveel verschillen als Rotterdam. En divers bouwen, is iets heel anders dan de ‘yuppificering’ waar rechts voor kiest.
Niet alleen op het vlak van onderwijs en woningbouw zijn veranderingen nodig – deze maken slechts deel uit van een geheel aan ideeën en eisen die een alternatief kunnen vormen voor de neoliberale stadspolitiek. Sociale, solidaire alternatieven vragen om flinke investeringen in het buurt– en jongerenwerk in plaats van bezuinigingen. Het behoud en de uitbreiding van sociale voorzieningen op buurtniveau verschaft werk en houdt de buurt leefbaar. Er moet geïnvesteerd worden in preventieve handhaving op het vlak van criminaliteit en geweld in plaats van in meer repressie en meer blauw. Vechten voor radicaal ander – sociaal en solidair – beleid is veel zinvoller dan het populisme van ‘de instroom beperken’ en ‘hogere eisen stellen aan huwelijksmigratie’. Daar gaat het niet om. Als de stad ‘het niet meer aan kan’, is het zaak werk te maken van een stad waar dat wel kan. Daar kiezen wij voor – een stad die (kans)armen niet de toegang weigert, maar de strijd tegen uitsluiting en marginalisering aangaat.
Reactie toevoegen