China: trek aan de noodrem

28.01.2021

Lege hogesnelheidstreinen, instortende flats en bruggen, industriële explosies, tsunami's van plastic afval, en Shanghai dat onvermijdelijk onder water loopt – dit is niet het beeld dat 's werelds nieuwste supermacht zichzelf graag voorhoudt. Maar dit is precies de realiteit die Richard Smith’s boek China's Engine of Environmental Collapse aan het licht brengt. Ondanks het feit dat de Chinese Communistische Partij (CCP) zich de afgelopen jaren onophoudelijk heeft geprofileerd als 's werelds progressieve alternatief voor de traditionele westerse hegemonie, laat Smith zien dat het enige alternatief dat China biedt een uitgesproken bureaucratisch en autoritair soort kapitalisme is – een model dat met andere westerse kapitalistische regimes wedijvert om het feit dat het de belangrijkste aanjager van de ineenstorting van het klimaat wordt. [leestijd 11 minuten] Smith's boek is een essentiële aankoop voor iedereen die China's beweringen als wereldleider op klimaatgebied wil ontkrachten zonder het Westen als een beter alternatief te zien. In deze korte, zeer leesbare tekst ontmantelt Smith op bekwame wijze China’s greenwashing-strategieën, grotendeels met behulp van de statistieken, cijfers en onderzoeksrapporten van het regime zelf. Zijn stelling is vanaf het begin duidelijk: China's 'hybride bureaucratisch-collectivistisch kapitalisme' is volstrekt onhoudbaar, ondanks de fragmentarische groene hervormingen. Dit model verergert alleen maar de ergste excessen van het westerse kapitalisme onder de sterk ontwikkelingsgerichte 1) leiding van een autoritaire partijstaat. Ongebreidelde ontwikkeling is niet alleen een bepalend kenmerk van het kapitaal, maar specifiek van China's eigen economisch kader: zonder een volledige herziening van de wijze waarop het Chinese systeem wordt bestuurd, zijn alle groene hervormingen zinloos om een halt toe te roepen aan de steeds groter wordende interne tegenstellingen van het land. Achter de staatspropaganda van het regime en zijn lakeien ter linkerzijde in het Westen, zien we bijvoorbeeld, dat  de CO2-uitstoot van China groter is dan die van de vijf volgende landen samen (30% van de wereldwijde uitstoot). Het land dumpt ook het meeste plastic en produceert de meeste giftige industriële chemicaliën per jaar ter wereld. Twee vragen sturen Smith's betoog: waarom staat overproductie centraal in China's markteconomie, en hoe werken de schadelijke effecten ervan door in de Chinese samenleving? Een belangrijke manier van argumenteren die Smith effectief en consequent hanteert is het benadrukken van de kloof tussen China's vooruitstrevende klimaatbeleid en de daadwerkelijke effectiviteit ervan. Hoewel China wereldleider is in de ontwikkeling van schone, hernieuwbare energiebronnen, wijst Smith erop dat 'het nog vele decennia zal duren voordat hernieuwbare energiebronnen het in China winnen van fossiele energiebronnen, als dit al ooit gebeurt'. Elk hoofdstuk laat ons zien hoe de retoriek van de regering verschilt van de werkelijkheid in verschillende aspecten van China's economische systeem: van het 'chaotische, ondergefinancierde, onderbezette, en vaak effectief ongereguleerde' afvalbeheersysteem tot de niet onderling verbonden  schone energienetwerken. Plaatselijke ambtenaren geven de voorkeur aan niet-hernieuwbare bronnen en er zijn geen stimulansen om de overproductie aan wind- en zonne-energie in Noord- en West-China te verbinden met de stedelijke energiecentra langs de kust. Dit is niet alleen een kwestie van lokale corruptie, maar een systematisch probleem dat verband houdt met de kern van China's nationale langetermijnstrategie, die erop gericht is de bestaande infrastructuur voor fossiele brandstoffen niet alleen in stand te houden, maar zelfs uit te breiden. Dit is ook niet een probleem dat Xi Jinping of andere partijhervormers kunnen oplossen: China heeft zijn 'systemische groeifactoren' nodig om economische zelfvoorziening op te bouwen en zijn economisch kader los te koppelen van het Westen. Productie en concurrentievermogen staan nog steeds centraal in China's economische groei en ondanks alle inspanningen om hernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen, kan zijn economisch systeem niet anders dan zijn niet-hernieuwbare energieproductie in stand houden om te concurreren met het Westen. Uit een recent rapport van Global Energy Monitor blijkt dat China het aantal kolencentrales alleen al vanaf 2019 met meer dan 20 procent heeft verhoogd, ondanks de aanbevelingen van de officiële staatsorganen om prioriteit te geven aan de ontwikkeling van schone energie. China's decennialange uitbuiting van zijn eigen arbeidersklasse ten behoeve van wereldwijde toeleveringsketens in het Globale Noorden en lokale economische winsten heeft Chinese arbeiders blootgesteld aan enorme milieuschade. En nu leidt de impuls om de economie te ontkoppelen in toenemende mate tot het opnieuw maken van dezelfde blunders op milieugebied – dit keer rechtstreeks door het regime zelf. Zelfs hervormingsgezinde lokale en nationale ambtenaren zijn machteloos om kapitalistische bouwprojecten te stoppen, omdat de nationale ontwikkelingsstrategie nog steeds de overhand heeft. De lijst van schijnbaar vooruitstrevende milieu-economische initiatieven verdient enige nadere bestudering. Wat China bijvoorbeeld niet benadrukt in zijn gedurfde plan om tegen 2030 een piekuitstoot te bereiken en deze daarna te verminderen, is dat het afhankelijk is van een grotere hoeveelheid waterkracht; de bouw van enorme dammen verplaatst lokale gemeenschappen, om nog maar te zwijgen van de verwoesting van plaatselijke ecosystemen. China's nadruk op de ontwikkeling van technologie voor elektrische auto's leidt tot nog ergere vormen van vervuiling, omdat er grote hoeveelheden fossiele brandstoffen nodig zijn om elektriciteit op te wekken en de giftige processen aan te drijven waarmee lithium-ionbatterijen worden gemaakt. Ambitieuze hogesnelheidsspoorwegen laten een enorme koolstofvoetafdruk achter, maar blijven grotendeels onderbenut. Impliciet is de kritiek van Smith op China's meedogenloze ontwikkelingseconomie een kritiek op de linkse politiek in de Derde Wereld, een politiek die het recht van armere naties in het Zuiden om hun industriële economieën te ontwikkelen voorrang geeft boven een democratische massapolitiek. In het geval van China wordt het derdewereldmodel binnen het mondiale kapitalisme tot zijn uiterste consequentie doorgetrokken, waarbij de nationale soevereiniteit van een ontwikkelingsregime zo belangrijk is dat sommige linkse politici niet anders kunnen dan China's recht te verdedigen om het Westen op alle mogelijke manieren in te halen, met inbegrip van elke concessie aan het neoliberalisme – zelfs als dat betekent dat de klimaatcrisis versneld wordt. Buiten dit model denken is de voorwaarde voor een transnationale organisatiepraktijk die het vermogen van gewone mensen om zich gezamenlijk te verzetten tegen de ecologische dreiging kan versterken. De argumentatie van Smith is dus niet alleen maar negatief. Zoals hij het stelt: 'Als de mensheid zichzelf wil redden, hebben we geen andere keuze dan zowel het westerse kapitalisme als het Chinese communistische kapitalisme te liquideren en beide te vervangen door een vorm van democratisch geplande en geleide ecosocialistische economie' die grotendeel in handen is van de overheid. 2) Dit is iets anders dan allerlei strategieën om 'het kapitalisme af te remmen': de radicaal democratische benadering van het ecosocialisme, zoals Smith die ziet, staat haaks op de basiswerking van het kapitalisme. In feite druist, zoals we goed kunnen zien in China, een werkelijk effectief milieubeleid rechtstreeks in tegen de kerndoelstelling van kapitalistische regimes, namelijk de groei van de economie. Groen kapitalisme of consuminderen versterken alleen maar de tegenstrijdigheden in de werking van het kapitaal zelf. Smith eindigt het boek met een concrete lijst van aanbevelingen voor zaken die moeten worden teruggeschroefd in China – van het aanzienlijk inkrimpen van de auto-industrie tot het sluiten van alle niet-essentiële vervuilende chemische industrieën. Deze eisen zijn onder het huidige regime onmogelijk – maar dat is nu juist het punt van Smith: transparante, democratische planning en participatie van iedereen in de gemeenschap, vooral van diegenen die direct worden benadeeld door milieuvernietigend beleid van regimes en bedrijven, druisen volledig in tegen de aard van het CCP-regime. Zo schetst de afstand tussen de ernstige urgentie van de conclusies van Smith en de praktische uitvoerbaarheid van zijn duidelijke oplossingen onder het regime van de CCP de belangrijkste lacune in de hedendaagse Chinese politiek: de afwezigheid van een georganiseerde, democratische massabeweging die in staat is om het autoritaire ecosysteem onder de partijstaat uit te dagen. Het probleem is niet dat er geen volksverzet is tegen het soort lokaal wanbestuur dat Smith zo treffend in kaart brengt. Het probleem is dat deze inspanningen zelden verbindingen kunnen leggen tussen plaatsen en sectoren voordat de staat hun meest militante organisatoren ofwel coöpteert ofwel uitschakelt door middel van dwang en gevangenneming. Greenwashing is afkomstig van kapitalistische westerse regimes en ondernemingen, die niet bereid zijn de productivistische logica van het kapitaal op te offeren om daadwerkelijk beleid te voeren om de planeet te redden, maar de CCP heeft zich de technieken ervan eigen gemaakt. Het opbouwen van massabewegingen, democratisch zelf georganiseerd door de arbeidersklasse, is onlosmakelijk verbonden met het ecosocialisme van Smith – en dat is precies het soort politiek van onderop dat de CCP sinds het Mao-tijdperk heeft willen inperken en nu onder Xi alleen nog maar sterker. Het benadrukken van de onmogelijkheid van de eisen van Smith onder het huidige Chinese systeem suggereert dat Peking zelf zijn eigen bevolking in opstandige paradigma's dwingt die het het meest vreest. Het meest huiveringwekkende aspect van Smiths boek ligt juist in datgene waar het niet op in kan gaan, vooral vanuit het standpunt van activisten en organisatoren: wat kunnen we doen als, onder de CCP, de politieke organisaties die nodig zijn om de ecosocialistische eisen die Smith zo treffend uiteenzet, systematisch de nek worden omgedraaid voordat ze van de grond komen? Deze beperking van politieke mogelijkheden duidt niet op totale hopeloosheid voor het Chinese volk (of onze planeet), maar wel op het feit dat de dreigende gevolgen van Pekings industriebeleid de Chinese arbeidersklasse zeker tot nog grotere wanhoop zullen drijven voordat er wegen voor radicale, plotselinge verandering kunnen ontstaan. Om Rosa Luxemburg in herinnering te brengen, de situatie is opnieuw socialisme of barbarij, en ecofascisme is het moderne gezicht van laatstgenoemde geworden. 3) Dat wil niet zeggen dat de inspanningen van NGO's, onderzoekers en andere plaatselijke activisten – van Greenpeace tot de Nieuwe Plattelands Wederopbouw beweging – zinloos en ondoeltreffend zijn. Maar de vooruitzichten voor zelfs zoiets basaals als een door de beweging gestuurde Green New Deal blijven onmogelijk in de Chinese politieke samenleving. Als ik de conclusies van Smith goed begrijp, denk ik dat deze organisaties niet alleen de nodige politieke scholing  en druk uitoefenen om de staat op zijn minst te dwingen een aantal van zijn excessen onder ogen te zien, maar ook helpen de grenzen te schetsen van groene hervormingen onder het bestaande regime. Het maakt niet uit hoe kleinere samenlevingen worden gereorganiseerd langs meer duurzame lijnen, of hoe nieuwe lijnen voor schone en hernieuwbare energie kunnen worden ontwikkeld, het kernprobleem is dat gewone mensen alleen worden geraadpleegd over het besluitvormingsproces als het niet gaat om de kernaspecten in het grotere regeringsplan van het regime. Tegelijkertijd worden lokale ambtenaren en bedrijven ontmoedigd om prioriteit te geven aan schone energienetwerken, en gaat de uitbreiding van het Chinese productivisme via de Nieuwe Zijderoute door naar andere landen. 4) Een fundamentele maar noodzakelijke stap om een soort ecosocialistisch denkkader onder Chinese arbeiders en activisten vooruit te helpen is het blijven vertalen, een platform bieden en versterken van lokale stemmen die de strijd voor democratie onder het Chinese autoritarisme koppelen aan de eis dat de arbeidersklasse democratisch de controle over de productiemiddelen overneemt. In feite is er de afgelopen tien jaar geen gebrek geweest aan mobilisaties van onderop tegen vervuilende bouwprojecten. Tienduizenden mensen hebben gedemonstreerd en directe acties georganiseerd tegen initiatieven als een kolengestookte elektriciteitscentrale in Haimen en een petrochemische fabriek in Dalian in 2011; infrastructuur voor het smelten van koper in Shifang in 2012; een afvalenergiecentrale in Wuhan in 2019; om maar enkele voorbeelden te noemen. Vorig jaar nog gingen burgers van Wenlou met vuurwerk de strijd aan met de plaatselijke politie om te protesteren tegen een vervuilend crematorium in wat een ecologisch park had moeten worden. En deze acties werken, maar zijn niet in staat om stand te houden en zich te  ontwikkelen tot een sectoroverschrijdende massabeweging met eisen aan de staat die verder gaan dan lokale projecten en beleidsveranderingen. Zelfs de politiek gematigde Chinese columnist Tang Hao geeft toe: 'De Chinese wet op de milieueffectrapportage bevestigt het principe van inspraak van het publiek, maar geeft niet aan hoe dat moet gebeuren en hoe de overheid met de publieke opinie moet omgaan. Het publiek heeft geen vetorecht, waardoor het toezicht op grote projecten en het recht op milieu-informatie in een soort niemandsland blijven'. De afwezigheid van dit bredere politieke bewustzijn komt ook voort uit en versterkt het NIMBYisme 4), zoals blijkt uit het succesvolle protest in Xiamen tegen een petrochemische fabriek, dat ertoe leidde dat het geplande project werd verplaatst naar een naburige arme stad. De fabriek ontplofte vervolgens in 2015. Het ongebreidelde ontwikkelingsdenken van de partijstaat zal blijven leiden tot meer en meer wijdverspreide ecologische crises die alle vormen van klassenongelijkheid en sociale onvrede zullen verergeren, wat duidt op de noodzaak om de operaties van de politiestaat nog verder uit te breiden. Met andere woorden, terwijl deze lokale, geïsoleerde protesten ons het soort activisme laten zien dat nodig is om de staat tot verandering te dwingen, zullen de Chinese staat en bedrijven zonder diepere coördinatie en opbouw van de beweging nog steeds onomkeerbare schade aan het milieu toebrengen voordat de massa's hun organisatie kunnen bijbenen. De meeste lokale oppositiebewegingen tegen het Chinese bewind hebben tot nu toe geen systemische kritiek op het ontwikkelingsbeleid van de Chinese staat die de nadruk legt op de zelfwerkzaamheid van arbeiders en andere gemarginaliseerde bevolkingsgroepen. Zoals Smith suggereert door middel van zijn zorgvuldige analyse van het economische systeem van China, zijn 'gematigde' oplossingen – zelfs die welke de deelname van de massa aan het bestuur willen versterken zonder de sociale structuur radicaal te veranderen – niet alleen in principe ondoeltreffend: de planeet, laat staan China, heeft gewoon geen tijd voor iets minder dan 'aan de noodrem trekken' door middel van een volledig democratische, door de massa aangestuurde, radicale transformatie van onze economische structuren.

Noten

1. (nvdv) Developmentalism (dat we hier vertalen met ontwikkeling of ontwikkelingsgericht, of ontwikkelingsdenken) is een economische theorie die stelt dat minder ontwikkelde economieën zich het best kunnen ontwikkelen door een sterke en gevarieerde interne markt te bevorderen en hoge tarieven op ingevoerde goederen te heffen. 2. Smith gaat meer in op ecosocialisme in zijn andere werk, zoals een artikel waarin hij zowel 'consuminderen' als 'groen kapitalisme' bekritiseert, en een korter, activistisch georiënteerd pamflet dat hij schreef voor de Democratic Socialists of America (DSA). 3. Beijing laat ons al zien dat zijn soort barbaarsheid zeer gepolijst kan zijn: verhuld onder propaganda over het 'bevrijden van 800 miljoen mensen uit extreme armoede,' schone en strakke 'heropvoedingscentra,' en gemoderniseerde, high-tech steden en stedelijke infrastructuren, liggen  de gewelddadige verwoestijning en uitbuiting van het land in West-Azië, en een nieuwe biopolitiek van onderdrukking van etnische minderheden in Xinjiang. 4.Dit wordt in de tekst niet gezegd, maar het is ook redelijk om Smiths analyse toe te passen om een nieuw perspectief te suggereren op de voortdurende spanningen tussen de VS en China. Terwijl de toenemende agressie en de ontkoppeling tussen de twee economieën voor iedereen rampzalig blijven, zou samenwerking tussen de VS en China, zoals die wordt gepropageerd door de aanstaande speciale presidentiële gezant voor het klimaat John Kerry, geen van beide noodzakelijkerwijs helpen zonder een radicale transformatie van beide economieën. Zoals de politiek econoom Patrick Bond opmerkt, heeft Peking zich des te meer bereid getoond om het onbekwame, door de VS geleide klimaatbeleid van het Klimaatverdrag van Parijs in 2015 te ratificeren – waarbij de handel in koolstofemissierechten wordt gehandhaafd, bindende emissiereducties worden voorkomen en landen aansprakelijk worden gesteld voor klimaatschulden – onder de zogenaamd progressievere regering-Obama. 5. (nvdv) NIMBY, een acroniem voor de uitdrukking ‘not in my back yard’ (niet in mijn achtertuin), of Nimby, is een typering van het verzet van bewoners tegen voorgestelde ontwikkelingen in hun lokale omgeving. Dit artikel stond op Lausan. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Soort artikel

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.