De leus ‘eerlijke handel’ omvat veel, vaak zeer gedetailleerde eisen aan een waaier van instanties, maar is vrijwel altijd te herleiden tot drie principes. Ontwikkelingslanden moeten niet langer onder (financiële) druk worden gezet om hun interne markten te liberaliseren. Tegelijkertijd moeten de markten van de rijke landen worden geopend voor producten uit ontwikkelingslanden. En tot slot moeten er via aangepaste handelsregels mogelijkheden worden gecreëerd voor duurzame ontwikkeling van het Zuiden.
Het ondersteunende cijfermateriaal maakt overtuigend duidelijk dat de huidige praktijk niet mag voortduren. Voorbeelden zijn er genoeg. Zo betalen ontwikkelingslanden tot vier keer hogere importtarieven aan geïndustrialiseerde landen dan andere (rijke) landen. Dit kost hen jaarlijks gezamenlijk 100 miljard dollar. Tegelijkertijd wordt er in het westen dagelijks een miljard dollar uitgegeven aan subsidies voor de agrarische sector. Ondanks het feit dat het in de VS twee keer duurder is om rijst te verbouwen dan in andere landen, was de VS in 2002 en 2003 de derde rijstexporteur ter wereld, omdat de teelt voor zeventig procent wordt gesubsidieerd.
Door de campagnes voor eerlijke handel wordt nadrukkelijk een link gelegd tussen de wereldhandel en de armoedeproblematiek: de huidige handelspolitiek heeft de armen armer en de rijken rijker gemaakt. Terwijl handel, onder voorwaarden, juist een mogelijkheid biedt om ‘een waardig bestaan en meer duurzame welvaart voor meer mensen binnen bereik te brengen’.
Handel als liberaal dogma
Dat er iets mis is met de (wereld)handel is duidelijk. Maar de vraag is of een andere invulling van handelsrelaties een echte oplossing is. Opvallend aan de huidige campagnes is dat er (bijna) geen kritische vragen worden gesteld. Van het neoliberale vertoog waarin handel, concurrentie en winst onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn, wordt niet afgeweken. De eisen van de campagnes gaan over aanpassingen en doen een beroep op de menselijkheid van wereldleiders. Handel is nu oneerlijk, maar dat kan beter, is het idee.
Christian Aid, een Engelse ontwikkelingsorganisatie, heeft onlangs een interessant rapport uitgegeven waarin voor 32 landen is uitgerekend hoe hun economieën zich hadden kunnen ontwikkelen als de handel niet was geliberaliseerd. Ze concludeert dat handelsliberalisering de landen van sub-Sahara Afrika sinds de jaren tachtig 272 miljard dollar heeft gekost, wat meer is dan de schulden van al die landen bij elkaar. ‘Als handel is geliberaliseerd groeit de import zodat lokale producenten uit de markt gedrukt worden door concurrenten met nieuwe, goedkopere en beter aan de man gebrachte goederen. De export groeit ook, maar in mindere mate’. Het rapport is radicaal in zijn afwijzing van handelsliberalisering en wijst de rijke landen aan als hypocriete schuldigen, maar de oplossingen die het geeft blijven wel binnen de grenzen van het bestaande beleid.
Sommige organisaties gaan een stap verder en blazen de loftrompet over de ontwikkelingsmogelijkheden van wereldhandel voor het Zuiden. De ontwikkelingsorganisatie Oxfam is hier het bekendste exponent van: ‘In potentie is handel een krachtige motor voor terugdringing van armoede en voor groei van de economie, maar die mogelijkheid wordt nu helaas niet benut’. Deze overtuiging is gebaseerd op rekensommen die aantonen dat wereldhandel in de geglobaliseerde wereld de (beste) manier is om (veel) inkomen te genereren. Bijvoorbeeld: in een rapport (Rigged rules and double standards) rekent Oxfam voor dat bij een herverdeling van vier procent van de exportopbrengsten 128 miljoen mensen uit de armoede worden getrokken.
Ook de economische ontwikkeling van de geïndustrialiseerde wereld wordt opgehangen aan de verstrengeling en openstelling van de nationale markten: de jaren 1890 - 1920 werden gekenmerkt door groeiende welvaart en eerlijkere verdeling van die welvaart, en door een opvallende economische openheid. In de crisisjaren die daarop volgden zagen we niet alleen een terugkeer naar het protectionisme, maar tevens een afname van de welvaart en groeiende ongelijkheid.
Concurrentie en samenwerking
Buiten de vraag of dit historisch helemaal juist is, is het mogelijk veel fundamentelere kritiek te leveren op het pleidooi voor eerlijke handel. Het idee dat vooral in vakbondskringen maar ook bij NGO’s wordt aangehangen, is dat met het invoeren van eerlijke handelsrelaties de geschiedenis zich kan herhalen. De geïndustrialiseerde landen hebben zich uit de armoede weten te ontworstelen door een dynamiek tussen economische groei en sociale strijd. Het feit dat arbeiders zich in vakbonden hebben georganiseerd en hogere lonen zijn gaan eisen heeft de consumptie bevorderd en gezorgd voor de ontwikkeling van een interne markt. Het zuiden kan dezelfde weg opgaan als er aan de voorwaarden van recht op organisatie, recht op collectieve onderhandelingen en dergelijke wordt voldaan. Zowel de Europese als de internationale en nationale vakbondsstructuren zijn dan ook warme voorstanders van de verdere ontwikkeling van de wereldhandel op voorwaarde dat dit gepaard gaat met het respecteren van de vakbondsvrijheden, en bepleiten een daarom gelijkwaardige rol van de internationale vakbeweging en de wereldhandelsorganisatie (WTO).
Maar het idee dat de ontwikkelingslanden zich op dezelfde manier kunnen ontwikkelen in de huidige wereld is niet houdbaar. De huidige ontwikkelingslanden zijn afhankelijke landen, die zich vanuit een ondergeschikte positie omhoog moeten worstelen. Dat is een heel andere situatie dan waar de arme Europese landen zich in de negentiende eeuw in bevonden. Het verschil in arbeidsproductiviteit maakt dat handel moeilijk kan leiden tot een win-win-situatie waarbij ontwikkelingslanden uit de handel voldoende inkomsten genereren om onderwijs, gezondheidszorg, en infrastructuur te kunnen financieren. De landen die dat de afgelopen decennia tot op zekere hoogte wel is gelukt, de Aziatische Tijgers bijvoorbeeld, zijn zeer klein in aantal. Bovendien stonden deze economieën onder overheidscontrole zodat hun gedeeltelijke succes zeker geen pleidooi is voor vrijhandel. Idem dito voor China.
Armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling
Op een fundamenteel niveau kan er dus kritiek worden geuit op de campagnes voor eerlijke handel. Maar ook zonder ‘handel’ in twijfel te stellen valt er wel het een en ander af te dingen op de campagnes. Eerlijke handel moet gepaard gaan met armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling. Dit zijn al jaren de buzz words bij overheden, NGO’s en steeds meer ook bij actiegroepen. Het officiële internationale ontwikkelingsbeleid staat bijvoorbeeld in dienst van armoedebestrijding, evenals de meeste campagnes van NGO’s en actiegroepen die zich richten tegen de internationale financiële instellingen.
Francine Mestrum, voorzitter van de wetenschappelijke raad van Attac-België, stelt hier een zeer kritisch en overtuigend verhaal tegenover. In haar boek Globalisering en armoede stelt ze dat armoedebestrijding nog geen ontwikkeling is. Het vertoog over armoedebestrijding gaat ervan uit dat een vrije wereldmarkt de oplossing is, en dat het erop aan komt iedereen te laten participeren. Armen die dat niet lukt, die moeten afhaken (omdat ze vrouw zijn, of ongeschoold, of geen startkapitaal hebben) moeten via ontwikkelingshulp alsnog kansen krijgen op de markt. Dit idee heeft in de jaren tachtig andere ideeën over ontwikkeling, die uitgingen van ongelijke verhoudingen tussen landen en die een belangrijke rol voor de overheden in het Zuiden zagen, vervangen. Hier herkennen we het verhaal van clubs als Oxfam die voor eerlijke handel pleiten: handel is in potentie de oplossing voor de bestaande armoede en alleen de manier waarop die handel is vormgegeven zorgt ervoor dat mensen zich niet kunnen ontworstelen aan armoede.
WTO en GATS
De campagnes voor eerlijke handel zijn ondanks de vele bezwaren die kleven aan de achterliggende ideologie natuurlijk niet helemaal onzinnig. Dat de nationale overheden onder druk worden gezet en de werking van de WTO en het GATS in twijfel worden getrokken, is bittere noodzaak. Door vele groepen wordt al jaren hard gewerkt aan de acties de komende herfst. Op 15 oktober is er bijvoorbeeld een internationale demonstratie gepland in Genève (Zwitserland) tegen de agenda van de wereldhandelsorganisatie. En in december zullen er duizenden mensen protesteren bij de WTO-top in Hong Kong. De beloftes dat in de huidige onderhandelingsronde meer aandacht is voor ontwikkeling is vooralsnog niet bewaarheid. Ondanks de mooie woorden en beloftes van de G8-leiders afgelopen juli in Edinburgh ziet het er niet rooskleurig uit voor de miljoenen mensen die lijden onder de hypocrisie van de westerse wereld.
Reactie toevoegen