Eerst wat situerende cijfers. De ontslagen vrouwen behoren tot de snelgroeiende groep van irreguliere arbeiders in Zuid-Korea. Ook daar heeft de flexibilisering van de arbeidsmarkt het laatste decennium een hoge vlucht genomen. Het aandeel van flexwerkers was in 2004 volgens het Ministerie van Arbeid gestegen tot 30 procent van alle loontrekkenden terwijl de meeste anderen bronnen het op 55 tot 60 procent houden. Hoe dan ook, een aanzienlijk aandeel van de werkende bevolking ontbeert de zekerheid van een inkomen op langere termijn. Bovendien verdienen flexwerkers gemiddeld slechts 60 procent van het loon van een reguliere werknemer. Bestaansonzekerheid op allerlei vlakken dus.
Voor de vrouwen die bij E-land werkzaam waren, kwam het ontslag daags voor de inwerkingtreding van een wet die, in naam, flexwerkers meer bescherming moet bieden: elke werknemer die langer dan 24 maanden voor dezelfde werkgever heeft gewerkt, heeft recht op een arbeidscontract voor onbepaalde duur. Zoals de vakbonden al hadden gevreesd, leidt de wet - al voor haar inwerkingtreding - tot ontslagen van diegenen die in aanmerking komen voor een vast contract.
Tien jaar na de crisis van ‘97
De snelle en verregaande verandering van de Zuid-Koreaanse arbeidsmarkt het laatste decennium heeft alles te maken met de zware economische crisis die in 1996-1997 heel Zuidoost-Azië treft. Vóór de crisis had Zuid-Korea een sterk gereguleerde economie waar staatsbedrijven en ‘chaebols’ – familieconglomeraten zoals Daewoo en Samsung – centrale, sturende posities innemen. Nà de crisis heeft buitenlands, met name Amerikaans, kapitaal een sterke vinger in de pap: Samsung is voor 47 procent in buitenlandse handen gevallen, bij Posco, een voormalig staalstaatsbedrijf is dat 50 procent, Hyundai Motors voor 42 procent en bij LG Electronics 35 procent. Terwijl alleen al in 1998 22.828 Koreaanse bedrijven failliet gaan, met name omdat ze de gigantisch gestegen rente - met een piek in januari 1998 van 30 procent - niet konden betalen.
De gevolgen voor de werkende bevolking zijn navenant: na december 1996 wordt de positie van arbeiders steeds onzekerder als gevolg van de introductie van een wet die voor het eerst massaontslagen mogelijk maakt. Tienduizenden ambtenaren worden de dupe van hervormingen in het staatsapparaat, de concurrentie op de arbeidsmarkt wordt opgedreven, het stellen van looneisen moeilijker. Hier komt de introductie van uitzendbureaus in 1998, van concurrentie tussen werknemers -productiviteit telt in plaats van senioriteit - en prestatielonen nog bij.
De jaren hierop trekt de economie aan: in1998 kent Zuid-Korea nog een negatieve groei van 6,7 procent, maar de twee volgende jaren een groei van respectievelijk 10,9 en 8,8 procent. Ook tekent Korea, samen met de buurlanden voor de sterkste productiviteitsgroei ter wereld: in tien jaar wordt een verdubbeling van de output gerealiseerd met 2.447 uur jaarlijkse werkuren per werknemer. De hoogste van de wereld. Ter vergelijking: een Nederlandse werknemers klopt jaarlijks 1.336 uur. Het loon stijgt tussen 1995 en 2005 met 50 procent, maar de armoede neemt in diezelfde periode ook toe, van 3 procent tot 11,6 procent van de bevolking. De Gini-coëfficiënt - 0 totale inkomensgelijkheid, 1 totale ongelijkheid - bevestigt dat de verdeling van de gegenereerde rijkdom is verslechterd: 0,27 voor de crisis en 0,34 tien jaar later. Voor Nederland was dit 2005 0,27. In de woorden van de Koreaanse socioloog Chang Kyung Sup: ‘Wij zitten opgescheept met één grote ongelukkige samenleving, die terugkijkt op de periode van voor de crisis als op de Gouden Tijd’.
De KCTU en de crisis
De Zuid-Koreaanse arbeiders- en studentenbeweging w erd in de jaren tachtig wereldwijd bekend door haar militante verzet tegen de militaire dictatuur. Samen met de Zuid-Afrikaanse en Braziliaanse bewegingen vormde ze een inspirerend lichtpunt voor gedemoraliseerde Europese radicale bewegingen.
Deze strijdbeweging duurde van 1987 tot 1990. In de zes jaar hiervoor werden er bijvoorbeeld 200 stakingen geteld terwijl 1987 alleen al goed was voor 3.749 stakingen. De stakingsgolf bereikte haar piek in 1989. In dat jaar klom ook de organisatiegraad voor het eerst sinds 1979 weer boven de 23 procent. En het verzet loonde: de democratisering werd ingezet, het loon steeg met 25 tot 30 procent, de kledingcode in de fabrieken werd afgeschaft...
Deze periode, die begon met verzet in Hyundai in 1987 en zich uitbreidde tot 3.300 bedrijven en de deelname van 1,3 miljoen arbeiders, heeft de basis gelegd voor de oprichting van het Korea Trade Union Congress in 1990. In 1995 wordt zij opgevolgd door het huidige Korean Federation of Trade Unions - KCTU.
Al snel na 1990 verminderde de vakbondsstrijd aanzienlijk. Gedeeltelijk door de overgang naar een democratisch geleide economie (1987-1992) die de mores van sociale strijd verandert, maar ook omdat vakbondsleiders posities in de regering en het parlement innamen waardoor zowel de strijdvaardigheid als de legitimiteit van de beweging een knauw kreeg.
De financiële crisis halverwege de jaren negentig brengt de KCTU in nog meer moeilijkheden: het stellen van offensieve (loon)eisen in een exploderende economie blijkt een stuk eenvoudiger te zijn dan een consequente koers varen tijdens een economische crisis die zowat alles op losse schroeven zet. De KCTU reageert op twee manieren: ten eerste richt ze haar pijlen op de machtige en autoritaire chaebols onder de slogan ‘democratisering van de economie’. Ten tweede organiseert ze acties tegen de in gang gezette hervormingen van de arbeidsmarkt. Deze laatste pijler komt nauwelijks van de grond: op bedrijfsniveau houden de bonden zich vooral bezig met het redden van het bedrijf door akkoord te gaan met het bevriezen of inleveren van loon, het collecteren bij werknemers voor financiële middelen... om zo overname door buitenlands kapitaal en werkloosheid tegen te houden.
Ook de campagne tegen de macht van de chaebols maakt dat de militante basis zich tegen de KCTU begint te keren. Meer en meer gaat namelijk ook de regering de macht van de chaebols, in navolging van het IMF, als oorzaak van de crisis zien.
In februari 1998 is de maat vol voor de leden van de KCTU als zij kunnen stemmen over het zogenaamde ‘februari akkoord’ dat de maand daarvoor is onderhandeld in een tripartiete commissie – een dergelijke geïnstitutionaliseerde sociaal dialoog was tot dan toe ondenkbaar. Het akkoord behelst onder andere een verlies van 32 procent aan arbeidsplaatsen in de bank- en publieke sector en het aan banden leggen van de chaebols. Om de vakbonden tegemoet te komen is ook het uitbouwen van een sociaal vangnet, het opheffen van het verbod op het organiseren van ambtenaren en op het organiseren van politieke activiteiten door vakbonden opgenomen in het akkoord. De leden stemmen tegen het akkoord, de leiding wordt vervangen en de KCTU roept op tot een algemene staking. Maar de staking is geen succes: tegenwerking vanuit meer ‘conservatieve’ gelederen, onzekerheid over de toekomst en verlies van legitimiteit maken dat mensen hun rug keren naar de KCTU.
Enorme uitdagingen
De KCTU is dus verzwakt uit de crisis gekomen. De leidersrol die vakbondsafgevaardigden op de werkvloer tussen 1987-1995 innamen, is overgenomen door de bedrijfsmanager - in de nieuwe competitieve economie immers bepalend voor ontslag, promotie etc. De initiatiefkracht van de KCTU is vervangen door meer brave onderhandelingen, mede doordat de overheid er sinds 1998 een zeer agressieve interventiepolitiek op na houdt bij industriële conflicten.
Dat de vakbonden met name op bedrijfsniveau zijn georganiseerd en niet industrie-wijd vormt ook meer en meer een obstakel. De bonden hebben op nationaal niveau onvoldoende macht om de dereguleringen tegen te houden. Een dergelijk hervorming staat al sinds eind jaren negentig op de agenda, maar vooral vanuit bedrijven met een sterke vakbond is veel weerstand. Sinds 2002 is de noodzaak om te hervormen overigens groter geworden met het invoegen treden van een wet die het onder andere mogelijk maakt om meerdere vakbonden in één bedrijf te hebben – en dus de oprichting van concurrerende pro-management vakbonden vergemakkelijkt. Een ander voordeel is dat de integratie van flexwerkers arbeiders in industriebonden een stuk makkelijker is dan in bedrijfsbonden.
Dit laatste is een belangrijke overweging, daar de KCTU moeite heeft met het organiseren van flexwerkers. Niet-reguliere arbeiders zijn lang door vakbonden genegeerd en vallen vaak niet onder de bedrijfs-CAO met als gevolg dat in sommige bedrijven reguliere en niet-reguliere arbeiders zij-aan-zij werken met een loonsverschil van meer dan vijftig procent. In veel bonden leeft ook het idee, soms geformaliseerd, dat flexwerkers geen lid mogen worden van een vakbond.
Met de ongehoorde groei van het aantal flexwerkers is deze op zich al discutabele positie niet vol te houden. Tegelijkertijd echter creëert de toegenomen bestaansonzekerheid een behoudende reflex bij de ‘insiders’ waarbij de ‘outsiders’ worden gezien als buffer tegen ontslag van de eigen leden.
De KCTU onderkent dit probleem. Sinds 2003 is het organiseren en regulariseren van flexwerkers en (ongedocumenteerde) migranten - die bijna alle rechten ontberen - tot prioriteit verheven. Wel vaak in aparte bonden, vanwege bovengenoemde beperkingen, maar wel met als uiteindelijke beide te fuseren, of op te gaan in een industriebond.
Dat tachtig procent van deze flexwerkers vrouwen zijn maakt de boel nog ingewikkelder. Net als in de rest van de wereld hebben ook Koreaanse vrouwen een lager loon dan mannen, vaker een flexibel contract en werken ze in de meer kwetsbare sectoren. De financiele crisis heeft hun kwetsbare positie echter nog versterkt doordat werkgevers meer vrouwen dan mannen ontsloegen met het argument dat zij toch niet de hoofd-broodwinner waren (wat overigens niet bezijden de waarheid is, maar goed).
Over het algemeen hebben vakbonden weinig gedaan om vrouwen te organiseren: vrouwen zijn ondergeorganiseerd. De oprichting van vakbonden door en voor vrouwen is hier het levendigste bewijs van. In 1999 zijn er drie vrouwenvakbonden opgericht. De Koreaanse Vrouwen Confederatie van Vakbonden is opgericht door de KCTU, maar heeft sindsdien geen noemenswaardige activiteiten ontwikkeld. Het is vooral een schaamplapje. Voor de Koreaanse Vrouwenvakbond en de Seoul Vrouwenvakbond geldt dat alles behalve. Beide hebben enkele duizenden leden en weinig financiële slagkracht laat staan onderhandelingsmacht, maar alleen al het feit dat ze bestaan, het recht op een autonome organisatie claimen en een ander vakbondsmodel naar voren schuiven, oefent druk uit op de KCTU. De brede steun die de vrouwelijke activisten in hun strijd tegen E-land krijgen stemt hoopvol voor de toekomst.
Reactie toevoegen