De invoering van de lopende band, het gebruik van semi-geautomatiseerde machines, het inperken van de macht van de arbeider door het loskoppelen van zijn kennis van zijn werk, een hiërarchisch en bureaucratisch productiemodel. Dit zijn allemaal kenmerken van het fordisme uitgewerkt door Henry Ford en Frederick Taylor in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Het innovatieve van dit productiemodel was dat er voor het eerst op massa-schaal gestandaardiseerde producten konden worden gemaakt.
Als we vanuit het perspectief van de arbeidersbeweging naar dit model kijken dan is de meest ingrijpende verandering wellicht dat er een strikte scheiding werd doorgevoerd tussen het denkende deel (het management) en het ‘doende’ deel (de arbeiders). Tegen de vervreemding die dit opleverde (uren, dagen en weken achtereen moertjes aandraaien, is een sprekend voorbeeld) hebben de vakbonden toen een verloren strijd gestreden. In de jaren tachtig wordt het afstompende van het fordisme als belangrijkste argument gebruikt in de populaire media en richting de vakbeweging om een ander productiemodel in te voeren – maar daarover later.
Een nieuw politiek systeem
Het fordisme ontstond niet in een politiek-economisch vacuüm. De jaren twintig en dertig van de vorige eeuw werden enerzijds gekenmerkt door enorme armoede onder de laagste klasse en anderzijds door een zich ontwikkelde decadentie van de hoogste klasse (‘Gay Twenties’). De crisis van 1929 maakt hier een abrupt einde aan. Econoom John M. Keynes ontwikkelt een politiek-economisch antwoord waarin consumeren centraal staat. Dit idee sloot naadloos aan bij de hoop van Ford dat uiteindelijk elke arbeider zijn eigen auto kon kopen, wat een garantie bood voor zijn afzetmarkt. Ook op andere vlakken sluiten het fordisme en het keynesianisme op elkaar aan. Beide modellen zijn gericht op de natiestaat en de eigen beroepsbevolking. Politiek-economisch werd dit vorm gegeven door het opwerpen van handelsbarrières.
Crisis wat de klok slaat
De Tweede Wereldoorlog markeert het begin van een periode waarin de expansie van de wereldeconomie vaart neemt. De belangrijkste pijlers van deze periode zijn het taylorisme, het fordisme, het keynesianisme en de hegemonie van de Verenigde Staten. Na ongeveer drie decennia komt er een kink in de kabel en de ‘wereldwijde’ economische groei stagneert. De heersende klasse wordt geconfronteerd met lagere winsten en werknemers met ontslagen en andere ellende. Er ontstaat een economische crisis (gevolgd door de val van het Bretton-Woods systeem van vaste wisselkoersen), een ideologische crisis (sociale onrust) en een politieke en beleidsmatige crisis (hoge werkloosheid, instabiliteit wereldeconomie en de hoge kosten van de verzorgingsstaat). Ook het fordistische productiemodel ontsnapt niet aan deze crises. De dalende winsten door hoge productiekosten, de militanter wordende vakbonden, een verouderd machinepark en hoge voorraadkosten zijn enkele van de elementen die bijdragen tot de val van het fordisme. Het kapitalisme is aan het einde van een lange golf van opgang en tegen haar eigen wetmatigheden opgelopen.
Conservatieve antwoorden
In deze neergang bleek ook Keynes geen antwoord meer. De sociaal-democratie, (bijvoorbeeld Mitterand in Frankrijk) probeert het nog een tijdje, maar het is vechten tegen de bierkaai. Aangezien de sociaal-democratie ook niet bereid is om met een radicaler alternatief te komen, winnen de antwoorden uit de conservatieve hoek aan aantrekkelijkheid.
De zuiverende werking van de markt zou een groot deel van de problemen moeten oplossen. De staat moet zich zoveel mogelijk uit het economische en publieke leven terugtrekken en zich voornamelijk concentreren op haar taak als boekhouder van de overheidsfinanciën. (Zo nodig gecombineerd met het bestrijden van vakbonden en andere sociale bewegingen of het in de uitverkoop doen van staatsbedrijven.) Dit nieuwe economische paradigma, waarvan Reagan en Thatcher de eerste politieke vertegenwoordigers zijn, wordt ook wel neoliberalisme genoemd. Waarbij het liberale overigens alleen slaat op het economische en niet op het politieke. Dit model wordt gretig door vrijwel alle Westerse politici omarmd, en wordt gekenmerkt door een laissez-fairegedachte waar voornamelijk het bedrijfsleven de zoete vruchten van plukt. In de context van de neergang heeft het fordisme afgedaan en wordt nu de lean production groot.
Het Japan van na de oorlog
Lean production, ofwel slanke productie, wordt na de Tweede Wereldoorlog in Japan als eerste in de praktijk gebracht. In Japan, dat als verliezer uit de oorlog was gekomen, werden een aantal voorwaarden geschapen, waardoor een ongeëvenaarde economische groei werd gerealiseerd. Enkele van deze voorwaarden zijn; de geringe investeringen die Japan in haar militaire apparaat mocht doen, de economische activiteit die vooral de Koreaoorlog met zich mee bracht, de positieve effecten van het Bretton-Woodsysteem, de grote macht van het Ministerie van Internationale Handel en Industrie, en tenslotte de noodzaak om een geheel vernieuwd machinepark op te bouwen (tijdens de oorlog was het oude park vrijwel geheel vernield).
Op het niveau van de vakbeweging gebeurde er ook het een en ander in de beginjaren na de oorlog. In 1949 was meer dan de helft van de werkende bevolking georganiseerd en er ontstonden zeer radicale vakbewegingen. Deze vakbonden waren het Japanse establishment door de Amerikanen door de strot gedouwd als tegengif voor het fascisme. Eén van de eisen van de vakbeweging was een solidariteitsloon gebaseerd op noden; niet alleen de arbeid was bepalend voor het loon, maar ook de samenstelling en leeftijd van het gezin moest meetellen. Deze radicaliteit ging de Amerikanen wat ver en ze begonnen het tegenoffensief van de Japanse overheid te steunen. Vanaf 1949 worden 40.000 (communistische) vakbondsleiders ontslagen en elke weerstand wordt gewelddadig de kop ingedrukt. De grootste vakbond, de Sanbetsu, komt deze klap niet meer te boven en een vacuüm ontstaat.
Totyota
Onder deze omstandigheden ontwikkelt de heer Toyota (van het automerk) een nieuw productiemodel – een aantal elementen had de wiskundige Deming in de beginjaren van het fordisme al proberen te slijten in de VS, maar in Japan kreeg hij meer voeten aan de grond.
De kern van dit model is de eliminatie van verspilling en een productie gedicteerd door vraag.
Het hele productieproces is zeer scherp afgesteld. Dus geen grote voorraden meer zoals bij het fordisme, maar enkel productie op vraag. Ook zijn zeer strakke kwaliteitscontroles door de arbeiders zelf, een opvoering van de snelheid van werken, en een afslanking van het personeel terugkerende elementen van lean production. De (potentiële) druk waaronder wordt gewerkt is door de verwijdering van de reservecapaciteit enorm toegenomen. De flexibiliteit wordt verschoven van de voorraden naar de mensen. Een ander belangrijk element is het afstoten van delen van de productie. Onderaannemers nemen zaken als technisch onderhoud, administratie, beveiliging en dergelijke over.
Neoliberalisme
Het is niet opvallend dat lean production in de jaren tachtig populair is geworden in het Westen. Reanimatie van het fordisme was geen optie, maar in het vacuüm dat was ontstaan hadden de CEO’s en politici ook alternatieven die waren ontwikkeld als het human relations management –in retrospectief te karakteriseren als een sociaal-democratisch versie van lean production – kunnen uitwerken. Dit is niet gebeurd; Toyota had een productiemodel ontwikkeld dat halverwege de jaren tachtig met enige aanpassingen (levenslange gebondenheid aan het bedrijf is geschrapt) is overgenomen en perfect aansloot bij het neoliberale paradigma. In beide modellen neemt ‘de markt’ een centrale plaats in. En ook globalisering en flexibilisering zijn elementen van het neoliberalisme die naadloos aansluiten bij de nieuwe productiemethode. Een aantekening is wel dat lean production nergens in haar ‘zuivere’ vorm bestaat. Bedrijven en landen nemen elementen over, passen dingen aan aan hun eigen omgeving en blijven aspecten van het fordisme gebruiken.
Leaner and Meaner
Opvallend aan lean production is dat er veel aandacht is voor de manier waarop er met het personeel wordt omgegaan. Werknemers worden betrokken bij een aantal besluitvormingsprocessen over de inrichting van de werkplek of de manier waarop het werk kan worden uitgevoerd (employee involvement). Ook wordt er meer in (zelfsturende) teams gewerkt. Deze teams krijgen een bepaalde mate van autonomie over het werk en daarmee ook verantwoordelijkheid.
Ook wordt het werk minder repetitief dan onder het fordisme. Arbeiders krijgen meerdere taken die ze (tegelijkertijd) moeten uitvoeren (multi-skilling en multi-processing). Hij/zij is dus niet meer enkel bezig met een detail binnen het hele proces. Dit zou de vervreemding, die binnen het fordisme extreme vormen had aangenomen moeten tegengaan.
Internalisering
Het laatste klinkt helemaal niet zo verkeerd. Mensen krijgen meer beslissingsbevoegdheid, hoeven niet meer uren per dag hetzelfde repetitieve werk te doen. Wat is het probleem?
Werknemers worden geacht binnen hun werk capaciteiten als creativiteit en samenhorigheid te gebruiken die eerder exclusief binnen de privé-sfeer ontplooid werden. Deze benadering dat arbeiders als mensen worden aangesproken, (en niet als machine zoals onder het fordisme) heeft de keerzijde van zelfcensuur en vergaande vervreemding in zich. Elke arbeider wordt geacht actief mee te denken over de concurrentiepositie van het bedrijf – de internalisering van het bedrijfsbelang. Wat van levensbelang is omdat managementtaken steeds meer gedecentraliseerd zijn; het middenkader is voor een groot deel wegbezuinigd en die bevoegdheden verplaatst naar de zelfsturende teams. Het collectieve gevoel dat wordt aangesproken was eerder het exclusieve domein van de vakbond. Nu echter wordt dit ongelijkwaardige collectief gebruikt tegen zelforganisatie van arbeiders en dus ook tegen de vakbond.
Democratie
Voorstanders geven hoog op van de democratisering van het werk onder lean production. Tegenstanders echter zeggen dat die democratie een farce is, belangrijke besluiten worden nog steeds in de directiekamer genomen en dat juist door het dunne laagje van democratie de werkelijke veranderingen als verhoging van de werkdruk niet ter discussie staan.
Natuurlijk is het zo dat de werkgevers geen belang hebben bij een democratische werkvloer, hun belang is winst en graag zoveel mogelijk. Echter, winst wordt gemaakt door menselijke arbeid en de productiviteit is onder lean production vaak wel omhoog gegaan. Het blijkt dat het creëren van concurrentie tussen arbeiders zelf (het team mag heel democratisch zelf beslissen wie van hun ontslagen moet worden) en tussen werknemers van verschillende bedrijven (diegenen die het product het goedkoopst kan maken, krijgt de opdracht) zeer effectief werkt.
Deze vorm van democratie is de titel ‘democratisch’ nauwelijks waardig en natuurlijk is het een farce, want de belangrijke beslissingen worden inderdaad nog steeds door enkelen genomen, maar een deel van de elementen van lean production zijn ooit voorstellen van de vakbeweging geweest. En het interessante is nu juist dat deze voorstellen enerzijds zijn ingepast in een productiesysteem waar voor vakbonden nauwelijks geen rol is weggelegd en dat anderzijds de vakbeweging op het moment van invoering van lean production (en nog steeds) zodanig zwak of gedepolitiseerd was dat áls ze al een antwoord hadden willen ontwikkelen op de veranderingen, hier geen strijd aanvast had kunnen koppelen.
Kwaliteit van de arbeid
De tegenstanders van lean production wijzen voornamelijk op de verhoogde werkdruk. In Nederland is er inderdaad een verhoging van de werkdruk te constateren. Klaagde in 1988 nog 25 procent van de werknemers over te hoge werkdruk, dat aantal ligt nu dichter bij de zestig procent. Ook is het aantal gewerkte uren van fulltimers opgelopen tot 45 uur, ondanks een verkorting van de werkweek. 15 tot 20 procent van het werk wordt verricht middels overwerk. Drie miljoen mensen klagen over RSI-achtige verschijnselen. Natuurlijk is het niet alleen de lean production die de werkdruk heeft opgevoerd. Het is het effect van de aanval van rechts en de inadequate reactie van links. Arbeidstijdverkorting, zonder evenredige aanname moest wel fout aflopen.
Daarnaast heeft er ook een verschuiving plaatsgevonden in de kwaliteit van de arbeidscontracten. Sinds 1988 ongeveer is het percentage deeltijdbanen als aandeel in het totaal aantal banen verdubbelt. Ook tijdelijk werk is meer dan verdubbelt. Een deel van de werkende bevolking, en dan met name jongeren, willen geen vaste contracten, maar dat doet geen afbreuk aan het feit dat tweederde van de mensen met een tijdelijk contract dit als ongewenst zien. Opvallend is ook dat de meeste deeltijders nog steeds vrouwen zijn.
De flexibele mens
Deze flexibilisering van zowel de arbeidsmarkt als het werk heeft grote gevolgen voor de mens stelt Richard Sennet in ‘The Corrosion of Character’ (in het Nederlands vertaald als ‘De Flexibele Mens’). In een interview met de Volkskrant stelt Sennet: ‘Flexibilisering werd gezien als democratisering. Maar daar is niets van terechtgekomen. Menden krijgen een taak of een project waarvoor ze verantwoordelijk zijn, zonder dat ze meer zeggenschap hebben gekregen over het geheel. De hiërarchie is minder rigide geworden, organisaties zijn platter dan ooit, maar de top heeft geen macht afgestaan.’
Het vertrekpunt van Sennet is dat het voor werkende mensen een probleem begint te worden om een coherent verhaal voor hun leven te verzinnen om, bijvoorbeeld, door te kunnen geven aan hun kinderen. Normen en waarden die ze zelf hebben mee gekregen lijken geen rol te spelen in het huidige arbeidsproces. Zaken als loyaliteit, binding, het ontwikkelen van een lange termijnperspectief zijn geen vaste onderdelen meer van het werk en het leven. Sterker nog het tegenovergestelde; onzekerheid, instabiliteit, korte termijn doelen, snelheid zijn de ijkpunten van de moderne mens geworden. Mensen hebben ook geen tijd meer om zich binnen een gemeenschap te kunnen wortelen. Een existentiële onzekerheid is het gevolg. Mensen vragen zichzelf niet meer af wie ze zijn, maar eerder wie ze zouden kunnen worden.
Gezamenlijkheid en gemeenschap
Sennets oplossing is het herontdekken van de gemeenschap en een positieve evaluatie van de positie van het individu daarin. Binnen het postmodernisme en het neoliberalisme is er een te grote nadruk op het conflict tussen individuen en hun relatie met het geheel. Hij beschrijft dit aan de hand van een voorbeeld van een groep ontslagen IBM-programmeurs. Hun eerste versie van het verhaal van hun ontslag is dat IBM, hun bazen hen verraden hebben. In de tweede fase van het verhaal zoeken ze de fout niet meer bij IBM. De globalisering krijgt dan de schuld en wel in de vorm van buitenlanders (in hun geval programmeurs in India) die de inspanningen van hardwerkende Amerikanen ondermijnen. In de derde fase gaan hun gesprekken gaan weer over het vak, komen ze pas tot de ontdekking dat ze zelf fouten hebben gemaakt. Ze hebben de ontwikkelingen niet zien aankomen en de tekenen des tijds niet verstaan; hoe ze kansen hebben laten liggen om bij te blijven in het vak en niet voor zichzelf zijn begonnen. Uiteindelijk nemen de programmeurs de verantwoordelijk voor hun leven en voor hun gezinnen. Het gemeenschapsgevoel dat hieruit spreekt, is de eerste stap in een samenhorigheid die de arbeidersklasse weer een gevoel van zelfrespect kan teruggeven.
Grote vakbonden spelen hierin geen rol meer volgens Sennet. In het verleden hebben ze hun dienst bewezen maar de bonden van de toekomst zijn klein. Alleen op die manier kan samenhorigheid worden gecreëerd, dwars door de flexibiliteit heen.
Niet zeuren, niet voldoende
Op zich is Sennets voorstel om niet te veel te zeuren en de problemen ook bij jezelf te zoeken, niet onsympathiek. ‘Geloof in je eigen kracht’ is nog steeds actueel. Eén van de interessante kanten van lean production is dat door het verschuiven van managementtaken de arbeiders een nieuw soort kennis verkrijgen. Kennis over besluitvormingsprocessen, inzicht in de manier waarop keuzes wordt gemaakt, kan openingen bieden voor het veranderen van de huidige machtsrelaties.
De crux is wel dat, zoals al eerder is geconstateerd, de vakbeweging in het Westen zodanig is geïncorporeerd in het systeem dat daar voorlopig geen fundamentele actie van te verwachten valt. Hoopgevend in deze is echter dat verschillende vakbonden in het Zuiden en kleinere, onafhankelijke bonden in het Westen wel degelijk lijken na te denken over manieren waarop ze de aanval van de werkgevers kunnen keren. V
[Kader]
Mein Zeit ist Mein Leben
De ondernemingsraad van de Duitse IBM heeft als reactie op de flexibilisering het project ‘Mein Zeit ist Mein Leben’ (Mijn tijd is mijn leven) geïntroduceerd. Na het afschaffen van de prikklok gingen de remmen helemaal los en de werkdruk nam enorm toe. De prikklok had altijd als maximum gewerkt en toen de prikklok weg viel, was er geen maximum meer. Dit werd gecombineerd met een intensieve campagne van het management om hun personeel als ondernemers te laten denken. De directie probeert concurrentie tussen de bedrijven in te wisselen in concurrentie tussen werknemers.
Tegen dit ideologische offensief is de campagne ‘Mijn tijd is mijn leven’ gericht. Er worden goedbezochte sessies voor het personeel georganiseerd, waar filosofen lezingen houden over arbeid. Er wordt regelmatig gepubliceerd over de manier waarop het management haar doelen probeert te bereiken. En het project wordt, minder verassend voor deze bedrijfstak, begeleidt door discussies via e-mail.
Binnen de campagne wordt ook een strijd gevoerd tegen het opdringen van het werk in de vrije tijd. Geprobeerd wordt om dit om te draaien. In plaats van dat thuis wordt nagedacht over het werk, worden op personeelsbijeenkomsten managers geconfronteerd met problemen van thuis en gevraagd hoe ze dachten dat dit in de arbeid moet worden geïntegreerd.
Het aansprekend is dat niet geprobeerd wordt om arbeid en privé te scheiden, zoals bij de ATV-campagnes in Nederland, waar ATV nog slechts een overlevingsstrategie is om de werkdruk te overleven. De hele mens staat weer centraal.
Een probleem aan de campagne is, of is het toeval, dat de campagne voor heel IBM-Duitsland was bedoeld en enkel is aangeslagen in IBM-Dusseldorf. Het bijzondere aan deze vestiging is dat hier software wordt ontwikkeld en in de andere Duitse vestigingen hardware.
Reactie toevoegen