Borderless

18 August 2019

De noodzakelijke Oktoberrevolutie

In onderstaand artikel rekent de Canadese historicus David Mandel af met zowel enkele rechtse als linkse mythes over de Russische revolutie van 1917. Lenin en de bolsjewieken hadden geen vooropgesteld plan dat de vestiging van een socialistische maatschappij beoogde, zoals conservatieve historici vandaag beweren. De bolsjewieken reageerden slechts steeds  op de politieke en economische problemen die zich aandienden tussen februari en oktober. Hierbij hielden ze rekening en moesten ze rekening houden met de wisselende gezindheid van de arbeiders- en boerenmassa’s. Ze werden gedwongen te handelen.

In oktober, onder druk van de arbeiders in de hoofdstad, grepen ze de macht in het volle besef dat dit kon leiden tot een burgeroorlog. Die burgeroorlog had grotendeels vermeden kunnen worden als de gematigde socialisten de moed hadden gehad mee te doen. Een moed, die geen enkele socialistische partij later zou hebben, maar die vandaag meer dan ooit noodzakelijk is.

Dubbele macht

Honderd jaar later is de kwestie van de historische legitimering van de Russische Oktoberrevolutie in 1917 voor socialisten een heikele kwestie. Het stalinisme kreeg in minder dan tien jaar voet aan de grond en 70 jaar later werd het kapitalisme in Rusland hersteld zonder veel verzet van het volk.

Je kan natuurlijk wijzen op de centrale rol van het Rode Leger in de overwinning op het fascisme, of op de rivaliteit tussen de Sovjet Unie en de kapitalistische wereld die meer ruimte gaf aan de anti-imperialistische strijd, of op de genationaliseerde planeconomie die een domper zette op de kapitalistische vraatzucht. Maar zelfs op die terreinen is de nalatenschap van Oktober niet ondubbelzinnig.

De belangrijkste erfenis van de Oktoberrevolutie is voor de linkse beweging vandaag in feite de minst ondubbelzinnige. Je kan het samenvatten in twee woorden: ‘Zij durfden’. Ik bedoel hiermee dat de bolsjewieken, in de manier waarop ze de revolutionaire politieke en economische machtsgreep organiseerden en die verdedigden tegen de bezittende klassen, hun missie als arbeiderspartij getrouw vervulden: zij bezorgden de arbeiders – en ook de boeren – het noodzakelijke en door hen gewilde leiderschap.

Het is daarom meer dan ironisch, dat vele historici en de hen napratende publieke opinie, in de Oktoberrevolutie een verschrikkelijke misdaad zien, een ideologisch geïnspireerd project voor de opbouw van een socialistische utopie. Volgens deze opvatting was Oktober een daad van willekeur die Rusland verhinderde om de normale weg naar een kapitalistische democratie in te slaan. Bovendien zou Oktober de oorzaak zijn van de burgeroorlog die Rusland bijna drie jaar lang verwoestte.

Een gewijzigde versie van deze visie leeft zelfs in de linkse kringen die het ‘leninisme’ (of wat zij menen dat Lenins strategie was) verwerpen, wanneer ze wijzen op de autoritaire dynamiek vervat in het grijpen van de macht met de burgeroorlog als gevolg.

Maar wie de revolutie ‘van onderop’ bestudeert 1) merkt hoe weinig de bolsjewieken en de arbeiders die hen steunden, ‘ideologisch’ gemotiveerd waren. De bolsjewieken waren geen chiliastische beweging met het socialisme als doel.

In werkelijkheid was Oktober vooral het praktische antwoord op zeer ernstige sociale en politieke problemen waarmee de volksklassen geconfronteerd werden. Hierin volgden ze de manier waarop Marx en Engels de kwestie van het socialisme benaderden: niet als een utopie die verwezenlijkt moest worden in overeenstemming met een vooraf vastgelegd ontwerp, maar als een stel concrete oplossingen voor de reële problemen waarmee de arbeiders in het  kapitalisme te maken krijgen. Daarom wees Marx alle recepten uit het utopische kookboek van de hand. 2)

Het onmiddellijke hoofddoel van de Oktoberopstand was het verijdelen van een contrarevolutie die gesterkt werd door de economische sabotagepolitiek van de bourgeoisie. Die contrarevolutie zou de democratische verworvenheden en de beloften van de Februarirevolutie vernietigd hebben en Rusland verder ondergedompeld hebben in het bloed van de imperialistische wereldoorlog.

Een zegevierende contrarevolutie – en dat was het enige andere alternatief in oktober 1917 – zou waarschijnlijk tot een eerste fascistische staat hebben geleid. Enkele jaren later was deze staatsvorm inderdaad het verlate antwoord van de Italiaanse en Duitse bourgeoisie op de gelijkaardige mislukte opstanden.

De bolsjewieken en de meeste stedelijke industriearbeiders in Rusland waren socialisten. Maar alle marxistische stromingen in Rusland waren het er over eens dat het land niet beschikte over de politieke en economische voorwaarden om het socialisme in te voeren. Uiteraard hoopte men dat een revolutionaire machtsgreep de arbeiders in de meer ontwikkelde westerse landen zou aansporen om in opstand te komen tegen de oorlog en het kapitalisme waardoor de vooruitzichten van de Russische revolutie beter zouden worden.

Die hoop was er wel, maar zekerheid was er niet. Maar ook zonder die hoop zou Oktober plaats hebben gevonden.

In mijn historisch onderzoek heb ik op gedocumenteerde wijze deze visie op de Oktoberrevolutie naar voor gebracht en ik zal het bewijsmateriaal hier niet samenvatten. Het gaat er hier om om uit te leggen hoe pijnlijk de - voor het overgrote deel uit arbeiders bestaande - bolsjewistische partij en de arbeiders die achter haar stonden, zich bewust waren van een dreigende burgeroorlog, en hoe ze geprobeerd hebben om die te verhinderen en, toen dit mislukte, zijn heftigheid te verzachten. Hiermee wil ik de betekenis van ‘zij durfden het aan’, als erfenis van Oktober, duidelijk maken.

De wil om een burgeroorlog te vermijden was de reden waarom de bolsjewieken en de arbeiders in meerderheid de ‘dubbele macht’ steunden in de periode die volgde op de Februarirevolutie. De uitvoerende macht lag in handen van de voorlopige regering die oorspronkelijk uitsluitend bestond uit liberale politici, vertegenwoordigers van de bezittende klassen.

Tegelijkertijd hielden de sovjets, de door de arbeiders en soldaten verkozen politieke organisaties, toezicht op de regering, om er voor te zorgen dat zij trouw bleef aan het programma van de Februarirevolutie. Dat programma stoelde op vier centrale stellingen: een democratische republiek, landhervorming, de achturige werkdag en een krachtdadige diplomatie om snel een democratische einde te maken aan de oorlog. Er was niets socialistisch in dit programma.

De steun aan de dubbele macht betekende een radicale breuk met de al lang bestaande afwijzing door de bolsjewieken van de bourgeoisie als een mogelijke partner in de strijd tegen de autocratie. Die afwijzing was het fundament van de bolsjewieken als arbeiderspartij. Hierdoor kon die partij,  in de periode die aan de oorlog voorafging, de hegemonie veroveren in de arbeidersbeweging.

Die afwijzing van de bourgeoisie (wat tegelijk neerkwam op een afwijzing van het mensjewisme) wortelde in de lange en pijnlijke ervaringen van de naar democratie en sociale rechtvaardigheid strevende arbeiders met de nauwe samenwerking tussen de bourgeoisie met de autocratische staat.

De aanvankelijke steun aan de dubbele macht weerspiegelde de bereidheid om de liberalen een kans te geven, nu de bezittende klassen (met de liberale Constitutioneel-Democratische (‘Kadet’) Partij als hun voornaamste politieke vertegenwoordigster) in februari 1917 zich uiteindelijk bij de revolutie hadden aangesloten, of leken te hebben aangesloten. Hun keuze maakte het slagen van een revolutie zonder bloedvergieten in het uitgestrekte Rusland en aan het front mogelijk.

Als de sovjets in februari de macht zouden hebben overgenomen, zouden de bezittende klassen de revolutie de rug hebben toegekeerd met een burgeroorlog als gevolg. Bovendien waren de arbeiders niet voorbereid om de directe staatsverantwoordelijkheid op zich te nemen en de economie te beheren.

De latere afwijzing van de dubbele macht en hun eis om de macht over te dragen aan de sovjets waren op geen enkele manier een automatische reactie op de terugkeer van Lenin naar Rusland en de publicatie van zijn April-stellingen. In wezen waren deze stellingen een herinnering aan de traditionele houding van de partij, maar in een context van oorlog op wereldschaal en een zegevierende democratische revolutie. Lenins positie kreeg de overhand omdat het steeds duidelijker werd dat de bezittende klassen en hun liberale vertegenwoordigers in de regering vijandig stonden tegenover de doelstellingen van de februari-revolutie en haar in feite wilden terugdraaien.

Revolutionaire democratie

Reeds midden april maakte de liberale regering duidelijk dat ze achter de oorlog en zijn imperialistische doelstellingen stond. En zelfs daarvoor had de burgerlijke pers een einde gemaakt aan de wittebroodsweken van de nationale eenheid, toen ze een campagne opzetten tegen het zogenoemde ‘egoïsme’ van de arbeiders die hun enge economische belangen lieten voorgaan op de oorlogsproductie. Het was duidelijk dat de regering het bondgenootschap tussen de arbeiders en de soldaten die de revolutie mogelijk had gemaakt wilde ondermijnen.

Niet vreemd daaraan was het aanzwellende gevoel van de arbeiders dat er sprake was van een sluipende lock-out (uitsluiting) die zich verschuilde achter de problemen met bevoorrading, een vermoeden dat versterkt werd door de keiharde tegenstand van de industriëlen tegen de regulering van de wankelende economie door de regering. Lock-outs waren sinds lang een favoriet wapen van de fabriekseigenaren.

In de zes maanden die de aan de oorlog voorafgingen organiseerden de industriëlen van de hoofdstad reeds, in overleg met de administratie van de bedrijven in staatsbeheer, niet minder dan drie algemene lock-outs, waarbij in totaal 300.000 arbeiders werden ontslagen. Tien jaar eerder, in november en december 1905 deelden twee algemene lock-outs in de hoofdstad een dodelijke slag toe aan Ruslands eerste revolutie.

In de late lente en de vroege zomer van 1917 deden vooraanstaande lieden van de ‘cijns-maatschappij’ (de bezittende klassen) een oproep om de sovjets te ontbinden en kregen daarvoor staande ovaties op de bijeenkomsten van hun klasse. Midden juni lanceerde de voorlopige regering, onder zware druk van de geallieerden, een militair offensief zodat de wapenstilstand die sinds februari de facto aan het oostelijk front van kracht was, verbroken werd.

En zo gebeurde het dat in juni een meerderheid van de arbeiders in de hoofdstad zich achter de eis van de bolsjewieken schaarden voor een regeringspolitiek los van de invloed die uitging van de bezittende klassen. Dat was in wezen de betekenis van ‘alle macht aan de sovjets’: een regering die enkel verantwoordelijk was tegenover de arbeiders en de boeren. Dat betekende ook dat de bolsjewieken, samen met de meeste arbeiders van de hoofdstad, een onvermijdelijke burgeroorlog in het vooruitzicht stelden.

Maar dat was op zich niet zo angstwekkend omdat de arbeiders en de boeren (de soldaten waren overwegend jonge boeren) de grote meerderheid van de bevolking uitmaakten. Veel zorgwekkender was het vooruitzicht op een burgeroorlog in de schoot van de volksklassen zelf, dus binnenin de ‘revolutionaire democratie’.

De gematigde socialisten, de mensjewieken en de Socialistische Revolutionairen (SR), domineerden de meeste sovjets buiten de hoofdstad, het Centraal Uitvoerend Comité (TsIK) van de sovjets en het Uitvoerend Comité van de boeren. Door hun vertegenwoordigers af te vaardigen naar de coalitieregering, dit om de zwakke populariteit van die regering op te krikken, gaven ze hun steun aan de liberalen.

Het gevaar van een burgeroorlog binnen de revolutionaire democratie werd begin juni verijdeld toen de arbeiders van de hoofdstad, samen met eenheden van het garnizoen, massaal demonstreerden om het TsIK er toe aan te zetten zelf de macht over te nemen. Ze slaagden daar niet in en op hun betogingen vloeide het eerste bloed van de revolutie, gevolgd door repressieve maatregelen van de regering. De gematigde socialisten vergoelijkten deze maatregelen.

Dreigende contrarevolutie

De juli-dagen gaven de bolsjewieken en hun aanhangers in de arbeidersklasse geen antwoord op de vraag welke weg ze moesten volgen. Formeel lanceerde de partij op voorstel van Lenin een nieuwe leuze: ‘een regering van de arbeiders en de armste boeren’ – waarbij de sovjets niet ter sprake kwamen omdat ze buiten de hoofdstad gedomineerd werden door de gematigde socialisten.

Lenin deed hiermee een oproep om zich voor te bereiden op een opstand, een opstand buiten de sovjets en, indien nodig, zelfs tegen hen in. Maar in de prakrijk werd die leuze niet overgenomen door de partij noch door de arbeiders van de hoofdstad, omdat de massa’s, die nog steeds achter de gematigde socialisten stonden hem niet begrepen, en omdat het een burgeroorlog zou kunnen uitlokken in de revolutionaire democratie zelf.

Men maakte zich in het bijzonder zorgen over de houding van de socialistische, dat wil zeggen de links gerichte intelligentsia, die zelf een minderheid was in de geschoolde kringen. Die linkse intelligentsia steunde nagenoeg volledig de gematigde socialisten. De bolsjewieken waren in hun overgrote meerderheid een plebejische partij, en dat gold ook voor de Linkse Sociaal-Revolutionairen die zich in september 1917 hadden afgescheurd van de SR, en in november een coalitieregering zouden vormen met de bolsjewieken.

Het vooruitzicht om het bestuur van de staat en waarschijnlijk ook van de economie over te nemen zonder de hulp van geschoolde mensen, verontrustte de arbeiders, in het bijzonder de vele bolsjewistische activisten van de fabriekscomités.

De mislukte contrarevolutionaire opstand van generaal Kornilov eind augustus, die enthousiast gesteund werd door de bezittende klassen, effende een weg uit de impasse. Het leek er op dat de gematigde socialisten nu wel moesten breken met de liberalen. (De liberale ministers hadden ontslag genomen aan de vooravond van de contrarevolutionaire opstand.)

De arbeiders reageerden op het nieuws van Kornilovs mars naar Petrograd met een curieuze mengeling van opluchting en alarm. Ze waren opgelucht omdat ze eindelijk – en zoals bleek met veel energie - konden reageren tegen de voortschrijdende contrarevolutie samen met, en niet tegen de revolutionaire democratie. Na Kornilovs nederlaag bood Lenin het TsIK de steun van zijn partij aan; de bolsjewieken zouden zich als loyale oppositie opstellen als het TsIK de macht greep.

Maar na een korte aarzeling weigerden de gematigde socialisten om met de bezittende klassen te breken. Zij lieten Kerensky een nieuwe coalitieregering vormen met daarin een paar verfoeilijke bourgeois persoonlijkheden, zoals de industrieel S.A. Smirnov die even daarvoor in zijn textielfabrieken een lock-out had afgekondigd.

Tegen het einde van september hadden de bolsjewieken reeds de meerderheid verworven in de meeste sovjets verspreid over het land, en ze konden dus rekenen op een meerderheid in het Congres van de Sovjets die het TsIK met tegenzin had gepland op 25 oktober. Lenin, die nog steeds ondergedoken zat om aan arrestatie te ontkomen, riep het centraal comité van de partij op om zich voor te bereiden op een opstand. De meerderheid van het centraal comité aarzelde echter en verkoos te wachten op een grondwetgevende vergadering.

Die aarzeling was begrijpelijk. Een opstand zou de reeds sluipende burgeroorlog volop doen uitbreken. Het was een schrikwekkende sprong in het ongewisse die de partij zou verplichten om regeringsverantwoordelijkheid op zich te nemen in een situatie van diepe economische en politieke crisis.

Anderzijds was het zeker een illusie om te denken dat een grondwetgevende vergadering de diepe polarisering in de Russische samenleving kon overstijgen, of dat de bezittende klassen haar oordeel zouden aanvaarden als die tegen hun wensen inging. Ondertussen kwamen industriële ineenstorting en hongersnood snel naderbij.

Het bolsjewistisch initiatief

Toen de leiding van de bolsjewieken de beslissing nam om een opstand te organiseren kwam dit niet door Lenins persoonlijke gezag, maar vooral  onder druk van de middenkaders en de lagere rangen van de partij waarop Lenin een beroep had gedaan. De partij telde in oktober 1917 in Petrograd 43.000 leden, waarvan 28.000 arbeiders (in een totaal van 420.000 arbeidskrachten), en 6.000 soldaten. Die arbeiders waren bereid om tot de actie over te gaan.

De stemming van de massa niet partijgebonden arbeiders was echter complexer. Zij waren weliswaar sterke voorstanders van een machtsoverdracht ten gunste van de sovjets, maar wilden niet zelf het initiatief daartoe nemen.

Dit was een opmerkelijke ommekeer van de stemming in vergelijking met de eerste vijf maanden van de revolutie, toen het initiatief van de massa’s de partij dwong om hen te volgen. Zij protesteerden in april tegen de oorlogspolitiek van de regering, de beweging voor arbeiderscontrole bestreed de sluipende lock-out, en in juli demonstreerden ze om de TsIK aan te sporen de macht te grijpen.

Maar het bloedvergieten in juli en de daarop volgende repressie hadden het tij gekeerd. De politieke toestand was sindsdien niet meer dezelfde en de bolsjewieken stonden nagenoeg overal aan het hoofd van de sovjets. Maar in de dagen die aan de Oktober-opstand voorafging voorspelde de hele niet-bolsjewistische pers dat men afstevende op een nederlaag veel bloediger dan die van juli.

Een andere oorzaak van de aarzelende houding van de arbeiders was het opdoemende spook van de massale werkloosheid. De voortgaande ineenstorting van de industrie was het sterkste argument om onmiddellijk over te gaan tot actie. Maar het was ook een bron van onzekerheid.

Daardoor moest het initiatief vaan de partij komen, wat niet wegnam dat de bolsjewistische arbeiders zelf twijfel koesterden. Maar zij beschikten over bepaalde kwaliteiten, verworven in de jarenlange intense strijd tegen de autocratie en de industriëlen, waarmee ze hun twijfel overwonnen. Een van die kwaliteiten was hun klassenonafhankelijkheid tegenover de bourgeoisie, een beslissend kenmerk van het bolsjewisme in arbeidersbeweging. In de voorrevolutionaire jaren was dit streven tot uiting gekomen op de inspanning van de arbeiders om hun politieke, economische en culturele organisaties niet te laten besmetten door de invloed van de bezittende klassen.

Sterk daaraan gekoppeld was het sterke verlangen naar waardigheid, zowel als individu en als arbeider. Het begrip ‘bewuste arbeider’ omvatte in Rusland een hele wereldbeschouwing en een morele code die zich onderscheidde, en verzette, tegen de maatschappij van de hogere klassen

Dit verlangen naar waardigheid kwam onder andere tot uiting in de eis om ‘beleefd aangesproken te worden’ zoal bleek in de eisenbundels van de stakers. Men eiste aangesproken te worden in de tweede persoon meervoud, in plaats van het informele enkelvoud waarmee men kinderen en ondergeschikten aansprak.

Het tsaristische Ministerie van Binnenlandse Zaken vermeldde in haar statistieken over de stakingen het ‘beleefd aanspreken’ als een van de politieke eisen, waarschijnlijk omdat die eis een afwijzing inhield van de ondergeschikte maatschappelijke positie van arbeiders. De resoluties die de fabrieksarbeiders opstelden verwezen vaak naar de politiek van de voorlopige regering als een ‘aanfluiting’ voor de werkende klasse.

Toen in oktober de arbeiders van de Rode Gardisten weigerden om in gebukte houding te rennen of vanuit een liggende positie te schieten, omdat ze dit beschouwden als lafheid en gebrek aan eergevoel en een revolutionaire arbeider onwaardig. De soldaten moesten hen uitleggen dat er geen eer in steekt om de vijand het voorhoofd aan te bieden. Maar hoewel deze klasse-eer vanuit militair oogpunt een zwakheid was was zonder haar de Oktoberrevolutie waarschijnlijk niet mogelijk geweest.

Hoewel het initiatief in oktober hoofdzakelijk uitging van de partijleden verwelkomden zowat alle arbeiders de actie, zelfs de meeste drukkers die traditioneel achter de mensjewieken stonden. Maar onmiddellijk rees de kwestie van de samenstelling van de coalitieregering. Alle arbeidersorganisaties, op dat ogenblik aangevoerd door de bolsjewieken, en de bolsjewistische partijorganisatie zelf, riepen op tot een coalitieregering van alle socialistische partijen.

Ook dit keer was er behoefte aan eenheid binnen de revolutionaire democratie en  wilde men een interne burgeroorlog vermijden. In het Centraal Comité van de bolsjewieken waren Lenin en Trotski tegen een deelname van de gematigde socialisten (maar niet tegen de Linkse SR en de Internationalistische Mensjewieken) omdat ze dachten dat zo’n coalitie de regering zou verlammen. Maar zij hielden zich afzijdig terwijl de onderhandelingen aan de gang waren.

Die coalitie kwam er echter niet. De onderhandelingen werden stopgezet als gevolg van de rol van de sovjets. De bolsjewieken en de grote meerderheid van de arbeiders wilden dat de regering verantwoordelijk was tegenover de sovjets – namelijk een regering van het volk los van de invloed van de bezittende klassen.

De gematigde socialisten echter beschouwden de sovjets als een te smalle basis voor een werkbare regering. Zij bleven de nadruk leggen, hoewel in een enigszins verkapte vorm, op een vertegenwoordiging van de bezittende klassen, of tenminste van de ‘intermediaire lagen’ die niet vertegenwoordigd waren in de sovjets. Maar de Russische samenleving was te diep verdeeld en de ‘intermediaire lagen’, waartoe de intelligentsia werd gerekend, volgden de bezittende klassen.

De gematigde socialisten weigerden een regering te vormen waarin de bolsjewieken de meerderheid vormden, ook al hadden die de meerderheid in het Congres van de Sovjets dat gestemd had voor de machtsovernamen. Feitelijk  betekende dit dat de gematigden de Oktoberopstand ongedaan wilden maken.

Toen dit duidelijk werd verdween de steun van de arbeiders voor een coalitieregering. Even later kwamen de Linkse SR tot dezelfde conclusie en zij vormden een coalitieregering met de bolsjewieken. Tegen het einde van november besliste een nationaal boerencongres, waarin de Linkse SR overheersend waren, om zijn uitvoerend comité samen te voegen met het TsIK van de arbeiders- en soldatenafgevaardigden.

Deze beslissing werd met opluchting en vreugde toegejuicht in de bolsjewistische partij en door de arbeiders in het algemeen: de eenheid was verwezenlijkt, tenminste onderaan, maar zonder de linkse intelligentsia wier meerderheid zich achter de gematigde socialisten schaarde. (Opgemerkt dient te worden dat de mensjewieken in tegenstelling tot de SR, de wapens niet hebben opgenomen tegen de sovjet regering).

Dit is de betekenis van ‘zij durfden het aan’ als de nalatenschap van de Oktoberrevolutie. Als volwaardig arbeiderspartij handelden de bolsjewieken naar  de spreuk ‘Fais ce que dois, advienne que pourra’ (Doe wat je doen moet, wat er ook van kome). Die spreuk, moet in Trotski’s visie voor revolutionairen leidend zijn in alle grote principiële gevechten.

Ik heb getracht aan te tonen dat die uitdaging niet makkelijk aanvaard werd. De bolsjewieken waren geen avonturiers. Zij waren bang voor een burgeroorlog en probeerden die te vermijden en, indien dat niet mogelijk was, om zijn heftigheid te minderen en de kansen op een overwinning zo groot mogelijk te maken.

Breken met de bourgeoisie

In een essay geschreven in 1923 legde Fjedor Dan, de leider van de mesjewieken, uit waarom zijn partij geweigerd had om te breken met de bezittende klassen, zelfs na de opstand van Kornilov. De reden was het ontbreken van de ‘intermediaire lagen’, dat deel van de ‘democratie’ dat niet in de sovjets vertegenwoordigd was. (Dan noemt een leraar, een medewerker, de burgermeester van Moskou…) Zij zouden een breuk met de bezittende klassen niet goedgekeurd hebben – overtuigd als ze waren dat zonder hen het land niet bestuurd kon worden. En zij wilden de samenwerking in een regering met de bolsjewieken zelfs niet overwegen. Fjedor Dan vervolgde:

‘ Er bleef dus – theoretisch! – maar een weg open voor een onmiddellijke breuk [met de vertegenwoordigers van de bezittende klassen]: de vorming van een regering met de bolsjewieken – niet een coalitie waarvan de ‘niet-sovjet’ democratie [de intermediaire lagen] deel uit maakte, maar tegen hen. Wij beschouwden die weg als onbegaanbaar gezien de houding van de bolsjewieken op dat ogenblik. We beseften duidelijk dat die weg leidde naar terreur en burgeroorlog, namelijk naar wat de bolsjewieken later gedwongen waren te doen. Niemand van ons wilde de verantwoordelijkheid opnemen voor zo’n niet-coalitie regering.’4)

Dans positie staat tegenover die van een andere gematigde socialist, de Sociaal Revolutionair V.B. Stankevitsj, een bijzondere figuur in zijn partij (hij was commissaris aan het front geweest onder de voorlopige regering). In een brief van februari 1918 aan zijn partijgenoten schreef hij:

‘We moeten inzien dat op dit ogenblik de krachten van de volksbeweging aan de kant staan van het nieuwe regime…

Er staan twee wegen open [voor de gematigde socialisten]: het voortzetten van hun onverzoenlijke strijd tegen de regering, of op vreedzame wijze creatief werk verrichten als loyale oppositie…

Kunnen de voormalige heersende partijen zeggen dat ze nu zo ervaren zijn geworden dat zij het landsbestuur kunnen overnemen, een taak die niet gemakkelijker maar moeilijker is geworden? Zij hebben in wezen geen programma tegenover dat van de bolsjewieken. En een strijd zonder programma is niet veel beter dan de avonturen van Mexicaanse generaals. En zelfs indien het opstellen van een programma mogelijk zou zijn, dan moet je inzien dat je niet beschikt over de krachten om het uit te voeren. Als je het bolsjewisme wil omverwerpen dan heb je, niet alleen formeel, maar tenminste feitelijk de collectieve inspanning nodig van iedereen, van de SR tot uiterst rechts. Maar zelfs dan zijn de bolsjewieken sterker…

Er is maar een enkele weg: de weg van een verenigd volksfront, van verenigd nationaal werk, van gemeenschappelijke creativiteit…

En morgen dan? Voortgaan  met doelloze, zinloze en in wezen avontuurlijke pogingen om de macht te grijpen? Of om samen met het volk te werken aan realistische pogingen om de problemen waarmee Rusland geconfronteerd wordt aan te pakken, problemen die gekoppeld zijn aan de vreedzame strijd voor eeuwige politieke principes, voor waarachtige democratische grondslagen om het land te besturen!’5)

Ik laat het aan de lezer over om te beslissen welke positie, die van Dan of die van Stankevitsj, de grootste verdienste heeft. Maar men kan een overtuigend argument aandragen door te stellen dat de weigering van de gematigde socialisten om ‘te durven’ bijgedragen heeft  aan de situatie waarvoor ze zo bang waren.

De geschiedenis sinds Oktober 1917 telt talrijke voorbeelden van linkse partijen die niet durfden toen dat nodig was. Zoals bijvoorbeeld de Duitse Sociaaldemocraten in 1918, de Italiaanse socialisten in 1920, de Spaanse linkerzijde in 1936, de Franse en Italiaanse communisten in 1945 en 1968-69, de Chileense Unidad Popular in 1970-73 en onlangs Syriza in Griekenland.

Het gaat er hier natuurlijk niet om dat zij er niet in slaagden op een specifiek ogenblik een opstand te organiseren, maar om hun weigering principieel te kiezen voor een strategie gericht op het afdwingen van de economische en politieke macht van de bourgeoisie, een strategie die het noodzakelijk maakt dat men op een bepaald ogenblik op revolutionaire wijze breekt met de kapitalistische staat.

Vandaag zijn de alternatieven waarmee de mensheid geconfronteerd wordt dermate gepolariseerd dat de keuze tussen socialisme en barbarij de enige optie is, nu de toekomst van de beschaafde wereld zelf op het spel staat. Links moet zijn inspiratie putten uit Oktober. Dit betekent, ondanks de historische nederlagen die de arbeidersklasse en haar bondgenoten de laatste decennia geleden hebben, dat zij de illusie van een herinvoering van de Keynesiaanse verzorgingsstaat en een terugkeer naar de ‘echte sociale democratie’ moeten afwijzen.

Een dergelijk programma is in het huidige kapitalisme gedoemd om te mislukken en heeft een demobiliserend effect. Durven betekent vandaag een strategie uitbouwen die het socialisme als einddoel vooropstelt en dat impliceert noodzakelijkerwijze op een of ander ogenblik een revolutionaire breuk met de economische en politieke macht van de bourgeoisie en bijgevolg met de kapitalistische staat.

Noten

1. Dit artikel is grotendeels gebaseerd op mijn  The Petrograd Workers in the Russian Revolution, Brill-Haymarket, Leiden and Boston, 2017.

2. K. Marx, “Nawoord bij de tweede editie van het eerste deel van Das Kapital.

3. Trotsky, L., Mijn Leven.

4. F. I., Dan, “K istorii poslednykh dnei Vremennogo pravitel’stva,” Letopis’ Russkoi revolyutsii, vol. 1, Berlin, 1923 (https://www.litres.ru/static/trials/00/17/59/00175948.a4.pdf).

5. I.B. Orlov, “Dva puti stoyat pered nimi …” Istoricheskii arkhiv, 4, 1997, 79.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Against the Current. Hendrik Patroons zorgde voor de Nederlandse vertaling.

Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren