Borderless

19 October 2019

Een queer marxisme?

De invloed van marxisme op homostudies is tegenwoordig minder sterk dan in de jaren 1970. Maar literatuurkundige Kevin Floyd vindt dat mensen in het vak nu weer meer open staan voor de ‘verklarende kracht’ ervan. Met analyses van onder andere de roman The Sun Also Rises van Ernest Hemingway en de film Midnight Cowboy doet Floyd een poging om de geschiedenis van de homoseksualiteit door een marxistische bril te bekijken. De resultaten zijn wisselend maar heel interessant.

Evenals Judith Butler, de huidige goeroe van de queer theory, verbindt Floyd seksualiteit met gender – zoals marxisten al lang doen, vanaf Friedrich Engels en Alexandra Kollontai. De grote bijdrage van Butler is te laten zien dat mannelijkheid en vrouwelijkheid performative zijn: niet alleen sociale uitvindingen, maar ook rollen die dagelijks door mensen uitgevoerd moeten worden.
Floyd laat zien dat deze mannelijkheid en vrouwelijkheid niet eeuwig zijn, maar ontstonden onder bepaalde historische omstandigheden. De kapitalistische maatschappijen van de negentiende eeuw kenden eerder ‘manmoedigheid’ (manhood). Dat was eveneens een sociale uitvinding, maar één die de nadruk legde op het soort rigide karakterstructuur dat nodig was voor mannelijke deelname aan het productieproces en voortplanting van de arbeidersklasse. De huidige mannelijkheid en vrouwelijkheid, met hun nadruk op alledaagse gedrag en kleding, passen beter bij het moderne kapitalisme met zijn zucht naar consumptie en begeerte die de consumptie moet prikkelen.
Voor Floyd maken deze gender- en seksualiteitsstructuren deel uit van een kapitalistische totaliteit. De Hongaarse marxist György Lukács stelde begin jaren 1920 in zijn Geschiedenis en klassenbewustzijn de categorie totaliteit centraal in de marxistische methode. Voor marxisten zijn economie, politiek en ideologie niet te begrijpen als aparte terreinen, maar alleen als delen van een gestructureerd geheel. Floyd laat zien dat ook gender en seksualiteit geen louter ‘plaatselijke’ aspecten zijn van de samenleving, maar centraal zijn voor het kapitalistische accumulatieproces; productie, reproductie en consumptie hebben van meet af aan een belangrijke genderdimensie.
Ook ontleend aan Lukács is Floyds gebruik van de categorie verdinglijking (reification). Marx had al in Het Kapitaal laten zien dat koopwaren in het kapitalisme een sterk fetisj-karakter hebben; mensen dichten dingen die ze kopen een bijna magische kracht toe waardoor de sociale verhoudingen achter de koopwaren worden versluierd. Lukács breidde dat inzicht uit door het begrip ‘verdinglijking’ verder te ontwikkelen: een overkoepelende term voor hoe menselijke verhoudingen in het kapitalisme vermomd worden als verhoudingen met, of zelfs tussen, dingen. Voor Floyd zijn ook homoseksualiteit en heteroseksualiteit, twee categorieën die pas onder het kapitalisme ontstonden, voorbeelden van verdinglijking. Pas in een kapitalistische maatschappij gaan mensen hun begeerte beschouwen als lust naar mensen van een specifieke sekse. De sekse verwordt tot een ding dat verkregen kan en moet worden, onder andere door in het bezit te komen van allerlei andere dingen (van een strak lijf tot de juiste tandpasta).
Door elkaar
Zoals Floyd beschrijft, heeft Lukács in 1967 zijn eerdere gebruik van het begrip verdinglijking bekritiseerd door te zeggen dat hij de begrippen ‘verdinglijking’ en ‘objectificering’ (in het Duits van Lukács, Verdinglichung en Vergegenständlichung) door elkaar haalde. In menselijke interactie, zoals in het arbeidsproces of in seks, komt het constant voor dat een mens even een subject (een handelende wezen) is en dan weer even een object, iets dat de handeling van iemand anders ondergaat. Door deze tijdelijke objectificering met de permanente verdinglijking te verwarren, had Lukács naar eigen zeggen de materialistische basis van het marxisme verloochend.
Floyd draait helaas de vergissing van Lukács om. Hij ziet dat objectificering een onschuldig en zelfs onmisbaar deel is van seksualiteit, maar concludeert dat verdinglijking (zoals van begeerte in homo- en heteroseksualiteit) dat ook is en sterker nog, essentieel is voor seksuele bevrijding. In navolging van Michel Foucault stelt Floyd dat verdinglijking van de begeerte gevierd moet worden als een voorwaarde voor ‘een ingewikkelde, afwisselende geschiedenis van seksueel niet-normatieve discoursen, praktijken, plekken, subjectiviteiten, verbeeldingen, collectieve formaties en collectieve aspiraties’. Hij stelt dat de homobeelden van de jaren 1950 al een breuk voorstelden met de naoorlogse massaproductie en de heersende mannelijkheid ondermijnden.
Hierdoor wijkt Floyd af van de meest radicale voorvechters van de homobevrijding in de jaren 1970, die hun einddoel zagen als afschaffing van zowel homoseksualiteit als heteroseksualiteit als sociale categorieën. Ook hedendaagse queer theoretici als Butler zijn bezig om de beperkingen van de huidige homoseksualiteit te verkennen, tam geworden homo-organisaties uit te dagen en radicalere queer activisten te inspireren. Daarmee vergeleken heeft de manier waarop Floyd het marxisme op de homoseksualiteit toepast – al is hij veel meer bezig met beelden dan met bewegingen, en al helemaal niet met het schetsen van een programma – verrassend gematigde politieke implicaties.
Evenals zijn gebruik van het begrip verdinglijking is Floyds omschrijving van het kapitalisme als totaliteit voor kritiek vatbaar. De Franse marxist Louis Althusser stelde dat kapitalisme zich niet synchroon ontwikkelt, niet op verschillende gebieden (economie en ideologie bijvoorbeeld) en niet in regio’s (Europa of Afrika). De ongelijke ontwikkeling van het kapitalisme wordt door Floyd verwaarloosd. Hij houdt er bijvoorbeeld geen rekening mee dat de categorie homoseksualiteit begin twintigste eeuw arbeiders trager en minder beïnvloedde dan de middenklasse (zoals Foucault opmerkte en George Chauncey heeft aangetoond) of dat transgender nog steeds buitenproportioneel vaak voorkomt onder armere mensen in ontwikkelingslanden. Dit zijn echter discussies die door Floyds baanbrekende werk mogelijk worden. Hopelijk wordt zijn boek pas het eerste van vele die de weg openen voor een queer marxisme.

Kevin Floyd. The reification of desire. Toward a queer Marxism. Minneapolis: University of Minnesota Press, 2009. 271 p. € 24,99

Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren