25 February 2021

Een verloren strijd in Sri Lanka

In januari 2020 bevestigde de president van Sri Lanka wat velen al vreesden: meer dan 20.000 mensen die tijdens de burgeroorlog waren verdwenen, zijn dood. Zij waren het slachtoffer van de onderdrukking van de Tamil rebellen door de Sri Lankaanse staat in mei 2009. De nederlaag van de Tamil Tijgers maakte voorlopig een einde aan 26 jaar militaire strijd voor zelfbeschikking van de Tamil-minderheid in Sri Lanka.

In Losing Santhia: Life and Loss in the Struggle for Tamil Eelam, vertelt de Australische socialist Ben Hillier het verhaal van één deelnemer aan deze strijd. Santhia was een vooraanstaand lid van de Tamil Tijgers die zich als tiener bij de beweging aansloot en in 2017 als vluchteling in Indonesië overleed. Ze werd 42 jaar oud.

Hillier combineert herinneringen aan Santhia, van overlevende activisten en vluchtelingen met een beschrijving van de geschiedenis van het conflict. Het geïllustreerde essay van Hillier bevat daarnaast verspreid door het boek fragmenten van poëzie geschreven door vrouwelijke leden van de Tamil Tijgers. Het resultaat is deels een politiek commentaar en deels een verslag van de nasleep van de nederlaag van de Tijgers.

Onderdrukking en verzet

Op hun hoogtepunt waren de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) een formidabele beweging, die in staat was weerstand te bieden aan het leger van de staat en een eigen de-facto staat op te richten in het noorden van Sri Lanka. Hillier vertelt hoe mensen die hij interviewde hun trots uitten als leden van een onderdrukte minderheid die eindelijk een staat veroverden die zij als de hunne beschouwden.

Hillier traceert de wortels van het conflict in Sri Lanka in haar geschiedenis als een Britse kolonie. Net zoals andere koloniale machten pasten de Britten een verdeel-en-heersstrategie toe op het eiland, waarbij de Tamil-minderheid werd opgezet tegen de boeddhistische Singalese meerderheid. Het einde van het Britse kolonialisme was het resultaat van een door onderhandelingen tot stand gekomen regeling waardoor een boeddhistische, Singalese elite de politieke macht kreeg. Anders dan in voormalige koloniën waar een gemeenschappelijke strijd tegen de koloniale machthebbers een nieuwe nationale identiteit voortbracht, bleven in Sri Lanka de door de Britten getrokken scheidslijnen bestaan.

Na de onafhankelijkheid werden religie, etniciteit en staatsmacht steeds meer gecombineerd in een reactionaire vorm van nationalisme, en ‘vanaf de jaren zestig werden de termen 'Singalezen' en 'boeddhisten' synoniem’, zoals Hillier schrijft. Deze combinatie werd gesymboliseerd door toenemend politiek activisme en politieke macht van boeddhistische monniken die de Tamil-minderheid als een existentiële bedreiging voor de boeddhistische Singalezen beschouwden. De grondwet van 1972 definieerde het land als een 'eenheidsstaat', waardoor de Tamils het recht op zelfbeschikking werd ontzegd.

Gedurende deze jaren kende Sri Lanka een sterke, zelfverklaard marxistische beweging. Een in naam trotskistische partij, de LSSP (Lanka Sama Samaja Party, letterlijk: Gelijke Samenlevings Partij van Sri Lanka), had aan het eind van de jaren veertig massale steun verworven en zich aangesloten bij de Vierde Internationale. In zijn memoires besprak Livio Maitan, destijds leider van de Vierde Internationale, de ontwikkeling van de partij. [1] Al in 1960 beschreef hij de situatie waarin de LSSP zich bevond: Gezien haar grotendeels Singalese samenstelling kwam ze voor Indiase (Tamil) arbeiders altijd over als een partij van de 'andere nationaliteit', terwijl haar steun voor de rechten van minderheden door brede lagen van achtergebleven arbeiders en andere Singalezen als niet echt 'nationaal' werd gezien.

Om deze zwakte te overwinnen moest de partij organische banden creëren tussen de bewegingen van Tamil- en Singalese arbeiders. 'Een absolute voorwaarde daarvoor', schreef Maitan, 'was de onvoorwaardelijke verdediging, zonder enige aarzeling of terughoudendheid, van de nationale rechten van de minderheid’. Helaas koos de LSSP de tegenovergestelde weg en steunde ze de Singalese burgerlijke politieke krachten. Een paar jaar nadat Maitan er bij de LSSP op had aangedrongen om de rechten van de Tamil-minderheid te steunen, werd de LSSP uit de Vierde Internationale gezet.

Singalese chauvinisten wakkerden het geweld tegen de Tamil-minderheid steeds meer aan, wat leidde tot bloedige pogroms. In de jaren zeventig begonnen radicale Tamils gewapende revolutionaire groepen te vormen. Sommigen van hen zagen hun strijd als onderdeel van een revolutie die in heel Sri Lanka gevoerd moest worden en beschouwden de Singalese arbeidersklasse als een potentiële bondgenoot. Maar bij gebrek aan sterke, betrouwbare bondgenoten onder de Singalezen en geconfronteerd met toenemend racistisch geweld, richtten Tamil-bewegingen zich steeds meer op hun nationale strijd.

Een keerpunt was een pogrom in 1983 die bekend werd als 'Zwarte Juli'. Hillier schrijft: 'Het geweld raakte in een spiraal toen monniken, gesteund door de politie en het leger, Singalese menigten mobiliseerden voor steeds meer en toenemend geweld’. Het geweld kostte drieduizend doden en verdreef meer dan honderdduizend mensen. Tamiljongeren sloten zich in groten getale aan bij de gewapende bewegingen, waarvan de LTTE de belangrijkste was. Enkele jaren later sloot Santhia zich aan bij de Tamil Tijgers, terwijl ze nog op de middelbare school zat.

De Tijgerstaat

Tijdens de jarenlange oorlog groeiden de Tamil Tijgers en werd de beweging ook in militair opzicht sterker. Uiteindelijk ondertekenden ze begin 2002 een wapenstilstand met de regering van Sri Lanka, waarna de Tijgers hun positie konden consolideren. De Tijgers bouwden een schaduwregering op, met onder meer een eigen politie- en justitieapparaat en onderwijs- en gezondheidsinstellingen. Tegen die tijd had de LTTE de eis van afscheiding laten varen en eiste hin plaats daarvan een vorm van autonomie.

Maar deze situatie was tijdelijk. Verschillende Singalese krachten verzetten zich tegen het soort structurele veranderingen dat nodig zou zijn geweest om tegemoet te komen aan de Tamil-eisen voor zelfbeschikking. Boeddhistische monniken organiseerden chauvinistische Singalese mobilisaties tegen elke vorm van federalisme of machtsdeling. Hillier citeert een legergeneraal die zich bitter beklaagde over het feit dat hij mikpunt was van minachting door Tamil-jongeren. Hiller beschrijft hoe wereldwijd autoriteitsfiguren die geconfronteerd worden met bevrijdingsbewegingen niet kunnen begrijpen dat de eerbied die hen voordien betoond werd, slechts afgedwongen was.

Internationaal werden de Tamil Tijgers bekend vanwege moordaanslagen. De beweging was een pionier in het organiseren van zelfmoordaanslagen. Maar de beweging kan niet gereduceerd worden tot dit geweld, en Hillier laat zien hoe het een tegenstrijdige combinatie was van bevrijding en autoritarisme. De noodzaak van de beweging om mensen te mobiliseren ging in tegen conservatieve normen en hiërarchische ideeën gebaseerd op kaste, gender en clan. De betrokkenheid van vrouwen in de strijd, ook in gewapende operaties, ging in tegen seksistische normen omdat de noodzaak van mobilisatie oude taboes doorbrak. Vrouwen verwierven nieuwe posities van gezag en autoriteit. De vooruitgang was reëel, maar de positie van vrouwen bleef tegenstrijdig omdat de Tijgers ook seksistische normen handhaafden. Vrouwen die in civiele Tijger-instellingen werkten, moesten bijvoorbeeld traditionele, beperkende jurken dragen. En in bepaalde gevallen werden ook kastegebruiken geaccepteerd.

Zoals veel andere gewapende bewegingen, breidden de Tijgers de oorlogslogica uit tot buiten de strijd tegen het regeringsleger. Om hun dominantie over de Tamilbeweging te doen gelden, organiseerden de LTTE moordaanslagen op leiders van rivaliserende Tamilbewegingen en op socialisten die zich verzetten tegen hun oriëntatie op de guerrillastrijd. Binnen de beweging bleef de macht uiteindelijk in handen van een patriarchale figuur; het gezag van stichter en leider Velupillai Prabhakaran was onaantastbaar. Dit was een bevrijdingsbeweging zonder democratie.

De nederlaag

In 2005 won Mahinda Rajapaksa, een hard-line Singalese chauvinist (en oudere broer van de huidige president) de presidentsverkiezingen in Sri Lanka. Chauvinistische Singalese krachten bleven eisen dat de Tamilbeweging vernietigd moest worden. De Tijgers hadden zich meer en meer ontwikkeld tot een conventioneel leger, maar in zuiver militaire termen waren zij geen partij voor het regeringsleger. Volgens Hillier ligt de uiteindelijke oorzaak van de nederlaag van de Tamil Tijgers in een veranderende internationale situatie. Hillier beschrijft de rol van India, de Verenigde Staten, Canada en Europese mogendheden in internationale acties tegen fondsenwerving door de Tamil Tijgers in de Tamil diaspora, en in het blokkeren van wapentransporten.

Met de hulp van een factie van voormalige Tijgers, ging de Sri Lankaanse staat in het offensief. Naarmate het staatsleger de Tijgers de verdediging in drong, vluchtten meer en meer mensen. Begin 2009 riep de Sri Lankaanse regering een 'no-fire zone' uit binnen door de Tijgers bezet gebied, zogenaamd om de burgervluchtelingen veiligheid te bieden. Het leger bombardeerde de no-fire zone echter voortdurend. De regering wees alle pogingen om een staakt-het-vuren tot stand te brengen af en zette het offensief voort. In mei 2009 werd Prabhakaran gedood.

De overwinning van de Sri Lankaanse staat werd deels mogelijk gemaakt door westerse steun, maar zoals Hillier schrijft, 'kwam de hulp ook van staten die met het Westen in onmin verkeerden. Hulp ter waarde van miljarden dollars werd aangeboden door China, Rusland, Iran, Libië en Pakistan'. Het internationale isolement van de Tamils was compleet. Op 27 mei 2009 prees een Orwelliaanse resolutie van de VN-Mensenrechtenraad de regering van Sri Lanka voor 'bescherming van de mensenrechten', terwijl terreurdaden van de Tijgers werden veroordeeld.

Hoeveel mensen tijdens de oorlog zijn gedood, is onbekend. Naast duizenden strijders werden tienduizenden burgers gedood – de meesten door regeringstroepen. Pogingen om de omvang van de moorden en de mensenrechtenschendingen te onderzoeken werden door de Sri Lankaanse regering en haar internationale bondgenoten gedwarsboomd. In februari 2020 verklaarde Mahinda Rajapaksa, die een paar maanden eerder door zijn broer tot premier was benoemd, dat Sri Lanka niet mee zou werken aan onderzoek van de Verenigde Naties naar vermeende oorlogsmisdaden.

De oorlog was verloren, en wat er nog over is van de Tamilbeweging vecht nu wanhopig om minimale democratische rechten te verdedigen.

Vragen voor de toekomst

Hillier eindigt zijn essay met de vraag: wat nu? De gebieden van de voormalige staat van de Tamil Tijgers zijn nu bezet gebied. Nadat in de verkiezingen van 2015 Mahinda Rajapaksa werd verslagen door zijn voormalige bondgenoot Maithripala Sirisena nam de repressie enigszins af, maar het regeringsbeleid van Singalisering gaat door. Hillier trekt een vergelijking met het beleid van de staat Israël en beschrijft het als een strategie om 'feiten op de grond' te creëren. De Tamiltaal wordt uit de publieke sfeer gewist doordat straten en andere plaatsnamen worden veranderd, het Singalese kapitaal en de economische projecten van het leger verdringen Tamil-ondernemingen, en de regering probeert de demografische samenstelling van het gebied te veranderen door grote aantallen Singalesen binnen te halen.

Het laatste deel van het boek bestaat uit de tekst 'Liberation Tigers and Tamil Eelam Freedom Struggle', geschreven door Anton Balasingham, in 1983 de hoofdonderhandelaar van de Tijgers. De tekst beschrijft de vroege visie van de Tamil Tijgers op de geschiedenis van het eiland, op de nationale kwestie, en op hun beweegredenen om een militaire strijd te beginnen. De tekst is een historisch document dat, net als bij veel andere nationale bewegingen in die tijd, laat zien hoe de Tamil Tijgers hun strijd uitdrukten in 'marxistisch-leninistische' termen, ook al heeft de beweging nooit beweerd communistisch te zijn.

Losing Santhia is meer een tekst die de lezer helpt de beweegredenen en gezichtspunten van deelnemers aan een vaak genegeerde of verkeerd gekarakteriseerde strijd te begrijpen, dan een academisch artikel of een uitgebreid overzicht van de gecompliceerde geschiedenis van de strijd. De logische bondgenoten van de Tamils, schrijft Hillier, 'blijven de verarmde Singalese arbeiders en boeren. ... Het blijft de grootste politieke catastrofe van het eiland dat het eens zo machtige Singalese links er niet in slaagde zich achter de Tamils te scharen en een verenigde strijd te beginnen voor de bevrijding van alle uitgebuite en onderdrukte mensen.'

Door de Tijgers zelf aan het woord te laten, stelt Hillier de lezers in staat om het verhaal te horen van overlevenden van deze tragedie.

Noot

1] Livio Maitan, Memoirs of a critical communist: Towards a history of the Fourth International. Dagenham: Merlin Press, 2019.

Ben Hellier, Losing Santhia: Life and Loss in the Struggle for Tamil Eelam, Interventions, 2019, 164 pp.

Dit artikel stond op NewPolitics. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren