Ook op andere vlakken lijkt de Chinese overheid haar alles overheersende grip wat te laten vieren. Sinds 2001 is het mogelijk om op een werkplek met meer dan vijfentwintig arbeiders een comité te kiezen en te laten registreren bij de ‘All China Federation of Trade Unions’. Ook worden hier en daar proeven gedaan met collectieve onderhandelingen – weliswaar vertaald in het Chinees als ‘collectieve consultatie’- en het bevorderen van sociale dialoog.
Over de achtergrond van deze versoepelingen lopen de meningen nogal uiteen. Enerzijds zijn er de China-volgers die de veranderende houding van de Chinese Communistische Partij tegenover mensen- en arbeidersrechten toeschrijven aan internationale druk, aan de wens van China om mee te doen op het wereldtoneel. De openstelling van de economie, de toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie, de toegevingen een maand geleden in de textieloorlog... allemaal indicatoren dat de maoïsten van weleer bakzeil hebben gehaald en alsnog erkennen dat vrijhandel het ordewoord is. De Chinese overheid wordt door hen ook geprezen voor de geleidelijkheid waarmee de hervormingen, zowel op het vlak van de economie als van de sociale rechten, worden doorgevoerd. Hebben de economische en sociale chaos in het voormalige Sovjetimperium niet bewezen dat radicale omwentelingen niet werken? De stevige economische groei van de Zuidoost Aziatische tijgers dient tevens als voorbeeld én bewijs; de inperking van sociale rechten, die daar op grote schaal plaats vindt, is weliswaar op de lange termijn niet goed te praten, maar heeft er op de korte termijn wel degelijk toe geleid dat die landen hebben kunnen opklimmen uit de barre armoede.
Aan de andere kant van het spectrum staan de mensen die zeggen dat de zachte lente van het regime te danken is aan arbeidersstrijd, aan het groter wordende verzet en de groeiende onvrede. Het regime wil alles doen om een volksopstand als in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede te voorkomen. In tegenstelling tot zestien jaar geleden is, zo is hun observatie, de macht van het regime tegenwoordig minder onwrikbaar: de corruptie in de ambtenarij en de lagere regionen van de partij is onvoorstelbaar; de intelligentsia steunt meer en meer het idee van de vrije markt; de desillusie en woede onder de bevolking is nog groter. Kortom, de koerswijzigingen zijn niet meer dan plak- en vliegwerk om het verzet zo veel mogelijk te pacificeren.
Tussen droom en daad
Antwoord geven op dit meningsverschil lukt niet in het bestek van dit artikel. Wél kunnen we iets meer inzoomen op dat groeiend verzet en beginnen met het beschrijven van een van de mogelijke oorzaken: de groeiende kloof tussen de werkelijkheid van het dagelijks leven en het door de Chinese Communistische Partij (CCP) gepropageerde China.
De hierboven genoemde proeven met collectieve onderhandelingen zijn meteen al illustratief voor die enorme discrepantie tussen realiteit en theorie. In de uitvoering van deze experimenten wordt telkens weer duidelijk dat het regime zijn beloftes niet kán houden; er zijn geen onafhankelijke organisaties waarmee onderhandeld kan worden. Aan werknemerskant is de enige toegelaten vakbond de All China Federation of Trade Unions (ACFTU) die expliciet het bewaren en zonodig herstellen van de vrede op de werkplek als taak heeft meegekregen. En aan werkgeverszijde zijn ook nauwelijks legitieme gesprekspartners: de staatsbedrijven worden bestuurd door partijkader, gerekruteerd uit dezelfde vijver als waar de vakbondsleiders vandaan komen en de geprivatiseerde bedrijven zijn vaak ‘opgekocht’ door ofwel regionaal partijkader ofwel de mensen die eerst namens de staat het bedrijf bestuurden, CCP’ers dus.
Een ander voorbeeld is het werkloosheidscijfer: volgens het regime is 3,1 procent werkloos, volgens de meeste analisten echter zijn schattingen dat tussen de tien en vijftien procent van de beroepsbevolking geen baan heeft realistischer. Ook over de hoeveelheid Chinezen die onder de ‘absolute armoedegrens’ leven doen verschillende cijfers de ronde. De Chinese overheid houdt het op tien procent, de Wereldbank daarentegen spreekt van tweeëntwintig procent.
Van een iets ander kaliber en misschien wel opmerkelijker voor de spagaat waarin de CCP verkeerd, is dat de ACFTU al minstens een decennium het aantal stakingen en stakers publiceert. Ook toen de officiële lijn was dat stakingen niet bestonden. Zo weten we in ieder geval wel dat er in 1994 135.000 arbeidsconflicten worden gerapporteerd en in de eerste zes maanden van het volgende jaar al 150.000. In dat zelfde jaar, 1995, vinden er daarnaast nog 25.000 stakingen plaats waaraan in totaal zo’n 450.000 arbeiders deelnemen. Ook weten we dankzij de ACFTU dat de hoeveelheid acties in 1998 negen keer hoger is dan in 1993.
De erbarmelijke omstandigheden waaronder er gewerkt wordt, is een tweede aspect dat er voor zorgt dat het moeilijker wordt om de bevolking onder de duim te houden. De meeste arbeiders werken zes of zeven dagen per week, acht tot zestien uur per dag voor gemiddeld zo’n zeventig dollar per maand. Banen waarin mensen driehonderd toetsenborden per uur, dus twaalf seconden per toetsenbord, moeten assembleren zijn niet uitzonderlijk. Of banen waar je beeldschermen moet testen, twaalf uur achter elkaar en 150 monitoren per uur. Langdurige contracten zijn zeldzaam geworden. Ook is het niet ongewoon dat er een deel van het loon maanden wordt achtergehouden opdat de arbeiders ook in het laagseizoen blijven komen ondanks de lagere inkomsten. Of dat een deel van het loon wordt afgetrokken als straf voor te laat komen, of dat degene die op het gras loopt ontslagen wordt...
Eenheid in verscheidenheid?
De ongelijkheid in de economische ontwikkeling die China doormaakt, zorgt ervoor dat het onmogelijk is om te spreken van één arbeidersklasse. (Dat ze met 1,3 miljard zijn, bijna drieënhalf keer zo veel als de totale bevolking van de EU, speelt zeker ook mee.) Het bruto binnenlands product per inwoner, bijvoorbeeld, is sinds 1979 verdrievoudigd, en is nu gelijk aan ongeveer 1.000 dollar per jaar. In Shanghai echter is het 6.000 dollar, een verschil van één op zes.
Deze verscheidenheid wordt op verschillende manieren gevoed. In de duizenden (begin jaren negentig waren het al tweeduizend) vrijhandelszones waar 18 miljoen Chinezen werkzaam zijn is de arbeidswetgeving heel anders dan in de rest van China. Ook wordt er een kunstmatig onderscheid tussen arbeiders en boeren in stand gehouden. Via een registratiesysteem, Hokou genaamd, dat nog stamt uit de tijd toen China het platteland gelijkmatig wilde industrialiseren, worden (voormalig) boeren en boerenarbeiders uit de stad geweerd; zij mogen zich niet legaal vestigen in de steden omdat aan de status van ‘stedeling’ of ‘arbeider’ allerlei sociale voorzieningen zijn gekoppeld. De hervormingen van het platteland hebben er echter voor gezorgd dat 120 miljoen van deze plattelanders op drift zijn. Op zoek naar een inkomen, in de vrijhandelszones, in de steden. Deze ‘migranten’ verdringen de legale arbeiders in de stad. Ze zijn goedkoper, ze hebben geen rechten... Regelmatig ontstaan er dan ook gevechten op de talloze pleintjes die als uitzendbureau fungeren tussen de stadsbewoners en de geïllegaliseerde plattelanders.
Een volk in beweging
Het grootste deel van de acties gaan opvallend genoeg niet over de massa-ontslagen, die ervoor hebben gezorgd dat 21 miljoen mensen hun baan zijn kwijtgeraakt, maar over het niet uitbetalen van loon, over de gevolgen van de privatiseringen, de grote corruptie. In de lente van 2002 gaan tienduizenden de straat op in Liaoyang: werkenden, ontslagen en gepensioneerde arbeiders van achttien fabrieken eisen hun lonen, een waardige ontslagpremie of hun pensioengeld. Ook nadat meer van hen zijn gearresteerd gaan de acties door, onder andere met een solidariteitsbetoging waar vierendertigduizend mensen aan deelnemen. Ander voorbeeld: in de herfst van 2004 staakten zevenduizend arbeidsters van de Xianyang Tianwang Textile Factory zeven weken tegen het nieuwe management dat voornemens is iedereen te ontslaan met enkel één maandpremie. Diegenen die opnieuw aangenomen worden, moeten genoegen nemen met zestig procent van het oude loon. En in april 2005 bevolken tienduizend arbeiders van Uniden Electronic Products de straten. Hadden ze eerder gestaakt voor meer loon, voor de aanwezigheid van een vakbond en tegen fysieke en mentale intimidatie, deze keer eisen ze ook nog doorbetaling van hun loon tegen zestig procent bij zwangerschap.
Toch kan er niet echt gesproken worden van een (opkomende) beweging. De acties zijn versnipperd en kortdurend, er zijn nauwelijks of geen contacten tussen de leiders van de verschillende stakingen waardoor er niet kan worden voortgebouwd op eerdere ervaringen. Er is kortom geen organisatie en geen strategie. De angst om gevangengezet of ‘heropgevoed’ te worden is groot. Maar ook ‘gewoon’ deelnemen aan een staking of werkonderbreking kan langdurige gevolgen hebben: mensen worden ontslagen, komen op de zwarte lijst, komen nergens meer aan de bak... Maar zoals een legendarisch 12e eeuw Chinese vertelling al wist: ‘een volk dat onrecht is aangedaan kan de wereld in beweging zetten’.
Saskia Mannessen is werkzaam bij TIE-Netherlands. Meer info op: www.tie-netherlands.nl
Reactie toevoegen