22 September 2020

Ernest Mandels visie op het socialisme: een kritische balans

Catherine Samary geeft les aan de Université Paris IX. Zij publiceerde verschillende boeken over de crisis in ex-Joegoslavië. Een aanrader in verband met het thema van dit artikel is haar studie over Plan, markt en democratie, de ervaring van de zgn. socialistische landen, gepubliceerd in het Frans en in het Engels in de Notebooks for Study and Research van het IIRF. Te bestellen via de redactie.

We vonden op internet een interessante bijdrage van Catherine Samary over Ernest Mandel. Zij maakt daarin een balans van Mandels visie op het socialisme. Zij behandelt verschillende aspecten die met elkaar verbonden zijn: de “overgangmaatschappij” naar het socialisme; de ontwikkelingen in de voormalige Sovjetunie en Oost-Europa; het socialisme.

Ernest Mandel benadrukte voortdurend de beperkingen van de marxistische theorie over het socialisme. Marx heeft steeds geweigerd te speculeren over een socialistisch “model”. In de twintigste eeuw moesten de problemen van socialistische opbouw al doende worden aangepakt, in arme landen. Daarbovenop kwam het stalinisme. Het blijft moeilijk uit te maken welke ontwikkelingen verband houden met de bureaucratische degeneratie en welke historisch onvermijdelijk zijn.
Mandel voegde daaraan toe dat we wel goed weten wat het socialisme niet is : het socialisme betekent rechtstreekse zelforganisatie, zonder de omweg van de markt. De ervaring zou leren dat deze negatieve definitie minder oplost dan men op het eerste zicht zou kunnen denken…

Zelforganisatie

Ernest Mandel heeft steeds vastgehouden aan de klassieke visie van Marx en Engels: het socialisme is een samenleving rechtstreeks gebaseerd op de vereniging van de producenten, die beslissen hoe de bestaande middelen worden ingezet, en hoe de productie en distributie worden georganiseerd. De ontvoogding in het socialisme kan niet gepaard gaan met menselijke verhoudingen die de vorm aannemen van relaties tussen koopwaren op de kapitalistische markt . Het afsterven van koopwarenrelaties was voor Mandel verbonden met enerzijds overvloed, anderzijds groeiende zelforganisatie van de arbeiders.
Dit kon enkel op wereldvlak gerealiseerd worden. De revolutie in Rusland was geïsoleerd gebleven in een arm land. Zolang dit isolement niet werd overwonnen konden we enkel te maken hebben met een samenleving in overgang tussen kapitalisme en socialisme, niet met het socialisme.
De idee van een “overgangsmaatschappij” tussen kapitalisme en socialisme sluit aan bij de benadering van de bolsjewieken in de jaren ’20. De Sovjetunie was een tweeslachtige maatschappij, in een proces van socialistische omvorming, geleid door de “arbeidersstaat”. De bolsjewieken gebruikten aanvankelijk vooral beschrijvende formules, met een indeling van verschillende ‘sectoren’ in functie van de productie- en eigendomsverhoudingen (‘socialistisch’, kapitalistisch, kleine private eigendom). Dat geheel stond onder controle van de Staat. Het plan zelf kreeg het etiket ‘socialistisch’ mee. Preobrajenski ontwikkelde een algemene theorie over de conflictueuze relaties in elke overgangsmaatschappij die wordt geconfronteerd met een sterk productieve kapitalistische omgeving. Hij sprak over het conflict tussen de waardewet (kapitalisme) en de “wet van de socialistische accumulatie”.

Geld en koopwaar

In dat kader, en geconfronteerd met de bureaucratisering van de Sovjetunie, ontwikkelde Mandel zijn eigen analyse. Naast de afwezigheid van elke vorm van inspraak voor de arbeiders wees Mandel op de blijvende rol van geld en (koop)warenrelaties in de Sovjetunie. Zij was dus niet socialistisch. Anderzijds was zij ook niet kapitalistisch, want de marktverhoudingen waren ondergeschikt aan de planning. Mandel benadrukte dat het noodzakelijk was het eigen karakter van de productieverhoudingen in de overgangsmaatschappij te analyseren, en zich niet te beperken tot de vaststelling dat er verschillende productieverhoudingen (markt, plan,…) naast elkaar bestaan .
Hij beschouwde deze overgangssituatie niet als iets van korte duur, of een etappe die enkel noodzakelijk was in arme landen. In het verlengde van Preobrajenski meende Mandel dat de markt een rol had zolang er geen overvloed was. Zolang was er een conflict tussen de ‘logica van het plan’ en die van de markten (wereldmarkt, markt van de consumptiegoederen, enz.). Hij formuleerde dit ook als het conflict tussen de ‘burgerlijke norm in de distributie’ (ieder krijgt een ongelijk geldloon, volgens de geleverde arbeid, bestemd voor de markt van consumptiegoederen) en de logica van het plan.
Omdat deze overgangssituatie lang zou voortduren nadat het elan van de revolutionaire omwenteling was weggeëbd, erkende hij het belang van materiële stimulansen. Hij waarschuwde echter voor de tegenstellingen wanneer deze stimulansen de vorm aannemen van geld (extra loon) . Hij hechte dus veel belang aan stimulansen die collectief gedrag bevorderen, of gericht op verbeteringen in de arbeidsvoorwaarden, de opvoeding en het geven van verantwoordelijkheid.
Niet alleen de lange overleving van koopwarenrelaties stelt problemen voor de overgangsmaatschappij. De ontaarding van de Oktoberrevolutie toonde een andere bron van uitbuiting en vervreemding: de bureaucratisering van de arbeidersstaat. De planning zelf kon een instrument blijken van uitbuiting en vervreemding. De fundamentele tegenstelling was dus niet die tussen plan en markt. Fundamenteel is de activiteit en de zelforganisatie van de werkers, die moeten leiden tot het afsterven van zowel de Staat als de markt, wat een dubbele voorwaarde is voor elke socialistische toekomst.

Wereldoorlog

De heerschappij van de bureaucratie hield langer stand dan verwacht werd, ondermeer door Trotsky. Trotsky dacht dat op relatief korte termijn er ofwel een antibureaucratische politieke revolutie zou komen, ofwel een herstel van het kapitalisme. De Tweede Wereldoorlog heeft volgens Mandel een belangrijke rol gespeeld in deze onverwachte ontwikkeling. De arbeidersklasse kwam versterkt uit de nederlaag van het fascisme. Dit speelde een doorslaggevende rol in Mandels analyse van de wereld na ’45: het laatkapitalisme en de bureaucratische hervormingen in het Oostblok.
Mandel ging steeds meer de nadruk legen op tegenstellingen in de vorm van een driehoek, tussen arbeidersklasse, burgerij en bureaucratie.
Maar hij bleef de landen van Oost-Europa zien als “overgangsmaatschappijen”, in de zin van noch kapitalistisch, noch socialistisch. De keuze bleef die tussen een ‘politieke revolutie’ of het herstel van het kapitalisme. De strijd tussen de arbeidersklasse en de internationale burgerij bleef fundamenteel.

De verraden revolutie

Trotsky noemde in zijn Verraden revolutie de Sovjetunie een ‘gedegenereerde arbeidersstaat’. De degeneratie hing samen met de overheersing door de bureaucratie, die aan de macht haar eigen belangen nastreeft. Toch bleef het een ‘arbeidersstaat’ omdat het kapitalisme niet hersteld was.
De bureaucratie bezit de productiemiddelen niet. Volgens Mandel omvatte de bureaucratie alle bevolkingslagen die op de één of andere manier genoten van privileges.
Onder de dictatuur van de bureaucratie waren de arbeiders niet verpletterd, integendeel. Ze groeiden in aantal en opleiding. Zij bezaten geen enkel politiek recht, namen niet deel aan het beheer van de economie of de Staat, maar bezaten de facto toch macht en rechten: controle op het arbeidsritme, sociale rechten, culturele verworvenheden,… die de bureaucratie toestonden haar overheersing op een pseudo-marxistische wijze te rechtvaardigen als ‘socialistisch’ .
Mandel handhaafde de karakterisering als arbeidersstaat, in die zin dat de Staat zich verzette tegen het herstel van het kapitalisme. Dat diezelfde Staat niet de onmiddellijke en dagelijkse belangen van de arbeiders verdedigde deed niets af aan deze vaststelling over de historische rol van de socio-economische structuren van de Sovjetunie.
Maar de overheersing van de bureaucratie was niet gestabiliseerd. Er was een fundamentele tegenstelling tussen de potentiële economische ontwikkeling en het bureaucratisch conservatisme. Eigenlijk waren er twee problemen. Ten eerste was er geen rationele band tussen de materiële belangen van de bureaucratie en de optimalisering van de economische groei. Ten tweede was er geen mogelijkheid om de onverschilligheid te overwinnen van de arbeiders zelf tegenover de productie. Het eerste probleem kon maar worden overwonnen door kapitalistische privatiseringen, het tweede door een revolutie die de politieke macht terug in de handen van de arbeiders zou geven.

Vergissing

Mandel heeft zich duidelijk vergist wanneer hij meende dat het herstel van het kapitalisme zou botsen op het verzet, zowel van de sleutelsectoren van de bureaucratie als van de arbeidersklasse.
Merken we eerst en vooral op dat, in tegenstelling tot de indruk die men kon hebben onmiddellijk na de val van de muur, het herstel van het kapitalisme in het Oosten niet zo makkelijk blijkt te zijn. Dat heeft te maken met factoren die Mandel onderlijnd heeft: de afwezigheid in de Sovjetunie van een echte bourgeoisie, de achteruitgang die het herstel van het kapitalisme betekent voor de massa van de arbeiders, enz.
Toch zitten er zwakke punten in de analyse van Mandel.
Hij wilde geen argumenten aanreiken om de bureaucratie af te schilderen als een klasse. Daarom weigerde hij de band te erkennen tussen de bureaucratische privileges en hun positie in de productieverhoudingen. Hun privileges hadden de vorm van een loon, en van toegang tot bepaalde producten (aparte winkels, appartementen, reizen, enz.). Het waren geen winsten die ze konden investeren. Maar deze privileges waren wel degelijk verbonden met hun functie in het productief proces. Als ze erin slaagden de productiedoelstellingen te halen in een sfeer van sociale rust, vergrootte hun inkomen. In het andere geval konden ze van de ene dag op de andere alles kwijt spelen. Bettelheim, zoals andere aanhangers van de theorie van het “staatskapitalisme”, onderlijnde terecht de groeiende onderhandelingsmacht van de plaatselijke managers (en van de sector- en regiomanagers). Zij waren geen onafhankelijke producenten onderling verbonden door de markt, maar het gevolg van de zelfstandige onderhandelingspositie van deze bureaucraten, gemotiveerd door hun privileges, was toch dat de realiteit steeds sterker afweek van het plan (met allerlei kosten en verspillingen als gevolg).
Hiermee in verband staat een fundamenteel theoretische probleem. Het is juist dat in een planeconomie arbeid rechtstreeks en a priori als maatschappelijke arbeid wordt erkend (in de markteconomie gebeurt dit pas achteraf, door de markt, wanneer de producten al dan niet verkocht worden, al dan niet aan een prijs die de kosten dekt). Maar daarmee is niet alles opgelost. Om de economische ontwikkeling werkelijk te sturen heeft ook het plan een norm nodig wat “maatschappelijk noodzakelijke arbeid” is. In de Sovjetunie was daar geen sprake van.
We moeten hieraan toevoegen dat er in de Sovjetunie een groeiende tendens was van de bureaucratie zichzelf te reproduceren. Onder het zeer conservatief regime van Brezjnev werd de opwaartse mobiliteit van arbeiders naar het apparaat afgeremd. Kinderen van bureaucraten kregen steeds betere kansen zelf toe te treden tot de rangen van de bureaucratie. Er was dus een groeiende tendens van de bureaucratie zichzelf als klasse te stabiliseren (waar zij uiteindelijk echter niet in slaagde).

De opstelling van de bureaucratie

De belangrijkste vergissing van Mandel betrof de inschatting van de rol van deze bureaucraten. Tot in de jaren ’70 verzetten sleutelsectoren van de bureaucratie zich inderdaad tegen het herstel van het kapitalisme. Marktmechanismen en gedeeltelijke privatiseringen waren ondergeschikt aan de niet-kapitalistische productieverhoudingen. Maar de situatie is veranderd. Geen enkele sector van betekenis van het oude apparaat heeft zich tegen het herstel van het kapitalisme verzet. Leidende sectoren van de nomenklatura hebben de privatiseringen gestuurd in functie van hun eigen belangen. De enige differentiatie binnen de bureaucratie is die tussen een ‘compradore’ sector, die zich wil verrijken als tussenpersoon voor het imperialisme, en een nationale burgerij: een schoktherapie van systematische onmiddellijke privatiseringen botst met een strategie van staatskapitalisme.
Als er nog een strijd in de vorm van een driehoek bestaat, dan is de basis ervan veranderd. De burgerlijke hoek is versterkt ten nadele van de bureaucratische, die zijn samenhang verloren is. De “arbeidershoek” is gedurende gans het proces erg verzwakt.

Sociale verworvenheden

Ook in verband met deze “arbeidershoek” is er een probleem in de analyse van Mandel. Hij onderlijnde terecht de sociale verworvenheden. Maar hij stelde deze verworvenheden te veel voor als rechtstreekse gevolgen van de Oktoberrevolutie, daar waar een deel ervan waren ingevoerd door Stalin en zijn opvolgers. Deze verworvenheden hadden grote beperkingen, juist omdat ze ingevoerd waren met het oog op de stabilisering van de bureaucratische overheersing. Mandel onderschatte die beperkingen: volledige maar slechte tewerkstelling, gratis diensten maar van steeds rampzaliger niveau, uitgebouwde vorming en opleiding maar zonder meningsvrijheid, enz. Dit alles blokkeerde meer en meer de socialistische ontwikkeling. Dit verzwakte de bereidheid van de arbeiders tot verzet tegen het herstel van het kapitalisme, en bevorderde een prokapitalistische draai van de bureaucratie.

De crisis

De crisis van de “bureaucratische arbeidersstaten” moet begrepen worden in zijn historische ontwikkeling, en niet vanuit een onveranderlijke “natuur” van de bureaucratie. Men moet kijken naar de concrete omstandigheden waarin deze bureaucratie vocht voor haar privileges. Tot de jaren ’70 verminderde de voorsprong van de ontwikkelde kapitalistische landen op de Sovjetunie. Daarna werd die voorsprong opnieuw groter. De bureaucratische planeconomie kon de overgang niet maken van extensieve groei naar intensieve groei. De bureaucratie was een absolute hinderpaal geworden voor de ontwikkeling van de productiekrachten. Er werd steeds meer geïmporteerd in Oost-Europa, wat op zijn beurt leidde naar de schuldencrisis van de jaren ’80.
Het kapitalisme slaagde in diezelfde periode in een krachtig neoliberaal offensief tegen de arbeidersklasse, gesteund door een radicale technologische omwenteling.

De arbeiders verzetten zich niet

Mandel onderlijnde terecht het groeiend gewicht van de arbeiders in de maatschappijen van Oost-Europa. Maar uit deze beschrijvende objectieve elementen trok hij te snel conclusies over de mogelijkheden tot een onafhankelijke rol van de arbeiders tegen de bureaucratie en tegen het kapitalistisch herstel. Zelfs zijn ‘objectieve’ beschrijving had onvoldoende oog voor de specifieke kenmerken van de productieverhoudingen in die landen.
Zijn foute inschatting werd in de hand gewerkt door het feit dat Mandel dacht in het verlengde van de arbeidersopstanden in 1956 in Hongarije en Polen. Toen was er wel degelijk een autonome rol van de arbeiders, met een spontane dynamiek naar zelforganisatie. Zijn benadering werd versterkt door de eerste ontwikkelingen van Solidarnosc.
Mandel onderschatte verschillende aspecten van de situatie van de arbeiders, en de gevolgen daarvan op hun bewustzijn, meer bepaald in de Sovjetunie.
De grote ondernemingen spelen er een centrale rol in het dagelijks leven van de arbeiders, op alle niveaus van het maatschappelijk leven (huisvesting, gezondheidszorg, kinderopvang,…) . Arbeiders en plaatselijke directeuren vormden er een (conflictueus) verbond tegen het ‘centrum’. Dit had belangrijke gevolgen voor het arbeidersbewustzijn, en de atomisering van het verzet.
Er was geen accumulatie van ervaringen met verzet over de langere termijn, juist omdat verzet vooral draaide rond het arbeidsritme en de werkzekerheid in het bedrijf. Polen was een uitzondering, omdat de repressie er minder sterk was, en omdat de centrale prijshervorming van 1979 plots gans de arbeidersklasse verenigde.
Hun verzet tegen de centrale bureaucratische planners bracht een zekere sympathie met zich mee van de arbeiders voor de markt en collectieve privatiseringen van de grote bedrijven.
De omvang van de crisis zelf bemoeilijkte daarna verzet: de enorme inflatie, de massawerkloosheid, groeiende verschillen tussen streken, sectoren en bedrijven. Hoe kan men zich organiseren over de bedrijven heen, wanneer men om te overleven twee of drie jobs nodig heeft?
De arbeiders hadden de illusie dat zij niets te verliezen hadden met de privatiseringen en een markteconomie. De markt zou volgens de propaganda vrijheid en efficiëntie brengen. De arbeiders bleven passief. Toen de ervaring anders bleek was het te laat.
Tenslotte mag een ‘subjectieve’ factor niet worden onderschat. Dit houdt verband met het debat over het socialisme (zie verder). Verzet tegen verschillende vormen van uitbuiting betekent niet automatisch dat men in staat is zelf productie en distributie in handen te nemen. De directe democratie is geen antwoord op alle problemen. Een socio-economisch alternatief is een ingewikkeld verhaal dat moet worden uitgewerkt. De arbeiders voelen aan dat het niet zo eenvoudig is, in een vijandige internationale omgeving, een alternatieve productiewijze op poten te zetten…

De overgangsmaatschappij

Mandel sprak van een “arbeidersstaat”. Daarmee verwees hij naar de marxistische theorie over de Staat: de natuur van de staat wordt bepaald door de samenleving die zij verdedigt. De “arbeidersstaat” verzet zich tegen het herstel van het kapitalisme.
Het is nog maar de vraag of er echt een algemene marxistische theorie over de Staat bestaat. Er is er in ieder geval geen over de overgangsmaatschappij.
Over de overgangsmaatschappij ontwikkelde Mandel wel op overtuigende wijze de idee dat de overgangsmaatschappij ‘specifieke productieverhoudingen’ kent, ook al vormt zij (per definitie) geen gestabiliseerde productiewijze. Deze productieverhoudingen bevatten extreem tweeslachtige vormen van eigendom en klassenconflict, zonder stabiele overheersing van één klasse. Dat hangt samen met het eigen karakter van de proletarische revolutie: het proletariaat (en haar bondgenoten op het platteland) is geen heersende klasse vóór de overname van de macht. De overgangsmaatschappij kent dus voortdurend risico’s van kapitalistisch herstel of bureaucratische ontaarding.
Het is dus noodzakelijk het tegenstrijdig klassenkarakter van de “overgangsmaatschappij” te analyseren. Het enige dat vast staat is dat de burgerij er niet langer de heersende klasse is. Maar de “overgangsmaatschappij” heeft zeker nog burgerlijke kenmerken. De Staat heeft er een onvermijdelijke tendens tot bureaucratisering. Tegenover burgerlijke tendensen en tendensen naar bureaucratisering staat een socialistische dynamiek, gedragen door de arbeidersklasse.

Het socialisme

Wanneer we het hebben over het socialisme moeten we het doel centraal stellen, en niet de middelen. Het doel is duidelijk. Over de middelen (organisatiemodel, nationalisaties, het plan, rol van het geld,…) is nog veel debat noodzakelijk. De vraag is: hoe kunnen we de behoeften vervullen? Het antwoord blijkt moeilijker dan de marxisten vroeger dachten. Maar Marx heeft toch kostbare hulpmiddelen nagelaten om er over na te denken. Hij zei dat elke samenleving een eigen manier heeft om, in functie van de eigen doelstellingen, de ‘tijd’ te meten en te organiseren, zodat de productie wordt gerealiseerd in overeenstemming met de totaliteit van haar noden.
Aansluitend bij de klassieken vertrekt Mandel van twee kenmerken van het socialisme (dus na de “overgangsmaatschappij”, en vóór het communisme): (1) distributie volgens het principe ‘ieder krijgt volgens de geleverde arbeid’; (2) rechtstreekse organisatie van de economie, de marktverhoudingen sterven af. Over beide kenmerken kan gediscussieerd worden…
Mandel ontwikkelde zijn opvattingen in een debat in New Left Review met Alec Nove, in 1986-88. Nove meende dat ook in een werkbaar socialisme de markt de centrale regulator zou zijn. Mandel werkte een radicaal model uit, zonder geld, gebaseerd op zelforganisatie. Diane Elson kwam in het debat tussen met een derde opvatting: de ontwikkeling van socialistische verhoudingen om de markt te controleren en te gebruiken.

De ‘socialistische distributiewijze’.

De norm “van ieder volgens zijn mogelijkheden, voor ieder volgens zijn behoeften” is verbonden wordt met een maatschappij van overvloed, in het stadium van het communisme. In het socialisme blijft de distributie onvermijdelijk georganiseerd op basis van de burgerlijke norm “voor ieder volgens de geleverde arbeid”. Dat houdt blijvende ongelijkheid in.
Mandel onderlijnde het ontbindende effect in een dergelijke situatie van geldstimulansen die worden uitbetaald in functie van de individuele productiviteit . Hij pleite voor materiële stimulansen verbonden met de resultaten van de groep: vermindering van de arbeidsduur, verbetering van de arbeidsomstandigheden, collectieve voorzieningen,…
Maar hoe stevig is een norm zoals “voor ieder volgens de geleverde arbeid”? Hoe wordt de geleverde arbeid gemeten? Volgens de hoeveelheid? De kwaliteit? De benodigde kwalificatie?
In de Sovjetunie werden extra compensaties gegeven voor ondankbare en moeilijke handenarbeid, wat perfect verdedigbaar is. Men kreeg ook meer in functie van een verantwoordelijke positie, wat een dekmantel was voor bureaucratische privileges. Met de invoering van de markthervormingen werd het “ieder volgens het resultaat van de arbeid”, wat werd gemeten door de verkoop. Anderzijds waren er zeer uitgebreid collectieve voorzieningen, waarvan men kon genieten onafgezien van de gepresteerde arbeid. Men ziet het: de norm lijkt eenvoudig, maar is het niet.
Engels zegt hierover: “al wat men kan doen is een distributiemethode ontwikkelen waarmee men vertrekt, en de algemene ontwikkelingstendens vastleggen” . Dat is heel wat anders dan werken met een vooraf vastgelegde “norm”. De socialistische (en communistische) ontwikkeling moeten begrepen worden als een globale beweging van ontvoogding, en niet als duidelijk afgelijnde etappes, met normen die de vorm aannemen van dogma’s. Vanaf de overgangsmaatschappij, onmiddellijk na de val van het kapitalisme, moeten elementen van de socialistische ontwikkeling aanwezig zijn. De middelen moeten overeenstemmen met het doel: vermindering van de arbeidsduur, uitbreiding van de tijd voor vorming, beheer, ontspanning,… De materiële stimulansen moeten de mensen meer greep geven op het eigen bestaan…

De rol van de markt

Het socialisme werkt zonder de markt, aldus Mandel. Hoe wordt dan bepaald wat er waar moet worden geproduceerd? Mandel antwoordt: rechtstreeks. Productie en distributie worden rechtstreeks georganiseerd, in termen van gebruikswaarden en concrete arbeid, niet in termen van ruilwaarden en prijzen.
Daar kunnen we de uitspraak van Trotski tegenoverstellen dat er “geen ‘universele expert’ bestaat die in staat is een volledig plan te bedenken zonder fouten, vanaf het aantal hectaren graan dat moet worden ingezaaid tot de laatste hemdsknoop” . De planeconomie heeft dus een mechanisme nodig om te reageren op de vraag. Hoe ontwikkelder de samenleving, hoe ingewikkelder het probleem. Daarvoor is een markt en een prijzensysteem onontbeerlijk.
Mandel meende integendeel dat in een gesocialiseerde economie de directe democratie een alternatief kan vormen voor de markt. Inbegrepen de kleur en het aantal schoenen per individu zou op rechtstreekse manier kunnen worden vastgelegd, zonder tussenkomst van markt en prijzen. Democratisch verkozen conferenties vertegenwoordigen de consumenten. Die conferenties beoordelen bevoorbeeld verschillende typen van schoenen, testen ze, en stellen veranderingen voor. Dan worden catalogussen samengesteld met 100 of 200 modellen schoenen, waaruit ieder er elk jaar een bepaald aantal kan kiezen. Alle productie- en distributierelaties zouden op den duur volgens dat soort mechanismen kunnen worden geregeld.
Het is juist dat de computertechnologie vandaag vraag en aanbod nauw op elkaar kan laten aansluiten. Voor veel producten kunnen de nodige kwaliteit en kwantiteit op voorhand worden vastgelegd. Een massa gedecentraliseerde beslissingen kunnen gecentraliseerd worden in beslissingen over de nodige grondstoffen, voorraden,… Het is juist dat de distributie via marktmechanismen in de winkels zoals we die nu kennen gepaard gaat met enorme verspilling.
Maar het resultaat is wel dat ieder veel tijd die hij nu doorbrengt met boodschappen, gaat doorbrengen in conferenties van consumenten, het doorbladeren van catalogussen en het bestellen via computers. Erg overtuigend klinkt het niet. De idee over alles en nog wat te moeten vergaderen is geen reclame voor de directe democratie.
En hoe gaat men de nodige productiecapaciteit meten (in nodige arbeidstijd?)…Waarom zou het geld geen rol kunnen spelen binnen het plan: bij de uitwerking ervan, bij de toepassing, en achteraf om te kijken of het plan gerealiseerd is? Waarbij de ontevreden consument van producent kan veranderen?

Vervreemding

Mandel wil duidelijk af van menselijke verhoudingen in de vorm van koopwarenrelaties. Maar veronderstelt dit het verwerpen van geld en prijzen, of moet men vooral de klassenstructuur verwerpen die in het kapitalisme achter geld en prijzen schuil gaat? Is de onderdrukking in het kapitalisme het gevolg van marktmechanismen op zich, of steunt de dictatuur van het Kapitaal op het bestaan van een arbeidsmarkt en een kapitaalmarkt?
Diane Elson meent dat Marx geen probleem heeft met waren omdat ze kunnen gekocht en verkocht worden, maar wel omdat ze een zelfstandig leven gaan leiden, en de relaties tussen mensen de vorm aannemen van relaties tussen (eigenaars van) waren. Is er geen samenleving denkbaar met een markt en geld, maar waar de waren geen eigen bestaan leiden, en mensen niet herleid worden tot vertegenwoordigers van (bezit van) koopwaar? Dat betekent dat koop en verkoop niet moeten worden afgeschaft maar gesocialiseerd.
Bettelheim ging in dezelfde zin wanneer hij vaststelde dat er nog geen mechanisme gevonden was om in de overgangsmaatschappij de maatschappelijk noodzakelijke arbeid (dit is iets anders dan het fysiek begrip van arbeid) te meten. De prijzen in een overgangsmaatschappij drukken zowel de noden en de kosten als de maatschappelijke verhoudingen uit. In de kapitalistische samenleving overheerst de ‘abstracte arbeid’, de ruilwaarde, geld, want geld moet geld opbrengen. In de overgangsmaatschappij moeten de ‘concrete arbeid’ en de gebruikswaarden overheersen. Er moet dus meer tijd en ruimte zijn voor een rationeel oordeel, aldus Bettelheim, om een aangepaste planning en een adequate sociale controle mogelijk te maken. Zoals de koopwaar een driedubbele uitspraak inhoudt over de noden, de kosten en de sociale verhoudingen, is in de overgangsmaatschappij een sociale controle noodzakelijk op die drie domeinen. Monetaire technieken voor het vastleggen van noden en kosten moeten ondergeschikt worden aan globale maatschappelijke keuzen.

Arbeidskracht is geen koopwaar

Het socialisme impliceert een aantal zaken. De kapitalistische markt kan er niet overheersen. De arbeidskracht is geen ding dat wordt gekocht en verkocht, en waarvan de prijs wordt vergeleken met machines: het recht op een job is het uitgangspunt voor de organisatie van de economie. Het doel is dat de mensen, mannen en vrouwen, producenten en consumenten, ouders en kinderen, individuen en allerlei gemeenschappen, hun eigen bestaan in handen kunnen nemen. Dat vereist een drastische omwenteling, een volledige reorganisatie van de “noodzakelijke arbeidstijd”, van de opvoeding, ontspanning, taken in de huishouding, het materiële en het culturele, de verhoudingen tussen de mensen onderling en onze relatie met het milieu. In het socialisme moeten keuzen kunnen gemaakt worden, over de organisatie en het ritme van de arbeid, de prioritaire noden, de soorten stimulansen, de technologieën, de vormen van solidariteit. Het socialisme is solidair met de zwaksten, en verwerpt de strijd van allen tegen allen.
Het marxisme is op de eerste plaats een radicale kritiek van het kapitalisme waar achter “objectieve” prijzen en kosten sociale verhoudingen schuilgaan, en keuzen gemaakt op een klassebasis. De economie mag niet gereguleerd worden door een “instrument”, of dat nu de markt is of het plan. Dat moet worden ondergeschikt aan het menselijk oordeel, want vanuit socialistisch oogpunt is dat de enige aanvaardbare regulator. Wie beslist in laatste instantie, en hoe? De socialistische democratie is een ingewikkelder probleem dan gedacht. Zelfbeheer vereist experten en tegen-experten, berekeningen en tegen-berekeningen, en ook aanduidingen via marktmechanismen. Het vereist politieke debatten met partijen, en massaorganisaties die bepaalde groepen in de samenleving organiseren. De experten mogen zeker niet het laatste woord hebben. Dat alles is noodzakelijk om een brede horizon te openen voor het maken van de uiteindelijke keuzen.
Er moet duidelijkheid zijn over wat een kost is en wat niet. Volledige tewerkstelling betekent in het kapitalisme een kost. In het socialisme is het een recht en een middel tot meer efficiëntie. Hetzelfde geldt voor economische democratie, opvoeding,…. Er kan dus niet enkel gemeten worden in termen van geld.
Mandel is niet overtuigend wanneer hij de directe democratie voorstelt als een eenvoudige en onmiddellijke oplossing voor alle problemen van de socialistische economie. Maar hij had zeker gelijk wanneer hij zei dat in laatste instantie de beslissingen genomen moesten worden door de werkers, op basis van hun eigen oordeel.

Nieuwe ontwikkeling

In november 1990 verlegt Mandel in een artikel in Critique Communiste de as van het debat. De overgangsmaatschappij, die lang zal duren, vormt nu de horizon van het debat. Mandel heeft steeds gezegd dat in dat stadium een zeker gebruik van marktmechanismen onvermijdelijk is. De vraag is dan: hoe zal het gebruik van de markt en het geld evolueren? Wat gebeurt er met de verschillende functies van het geld?
Volgens Mandel is de centrale vraag of het de markt is die moet beslissen over de belangrijkste keuzen. Het antwoord is uiteraard negatief. De prioriteiten moeten democratisch beslist worden door de werkende mensen op basis van samenhangende alternatieven.
Mandel onderlijnt nu dat er geen enkele reden is waarom de vrije keuze van de consumenten in de overgangsmaatschappij beperkter zou zijn dan in het kapitalisme. Het gebruik van geld (wat een stabiele munt vereist) en marktmechanismen om zo goed mogelijk tegemoet te komen aan de wensen van de consumenten moet niet worden verminderd, misschien zelfs vergroot. De enige voorwaarde is dat dit niet mag leiden tot een situatie waarbij de markt de grote sociale en economische keuzen maakt.
Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen het geld als rekeneenheid, als ruilmiddel en als middel om rijkdom op te stapelen en te beslissen over investeringen. Het gebruik als rekeneenheid zal in de socialistische planeconomie worden veralgemeend. Als ruilmiddel zal het belang van het geld verminderen, wat trouwens reeds bezig is onder het kapitalisme, met uitzondering voor sommige consumptiegoederen en diensten. De derde functie moet echter systematisch worden afgebouwd, en uiteindelijk afgeschaft.
Over dit alles is nog veel debat nodig, ondermeer over de planning, niet alleen in de productie van consumptiegoederen, maar ook in de productie van productiegoederen. Mandel was steeds sterk gekant tegen ‘autonomie’ voor productie-eenheden en iedere notie van zelffinanciering. Er bestaan daar andere opvattingen over. In de discussie over de ervaringen in Joegoslavië is daar al veel inkt over gevloeid.
In zijn besluit in 1990 bevrijdt Mandel zichzelf in zekere zin van een steeds herlezen van Marx, om er modellen te zoeken. De meest efficiënte en menselijke manier om een klasseloze samenleving op te bouwen is het experiment en de ervaring. Verbeteringen moeten worden ingevoerd door opeenvolgende aanpassingen. Er bestaat geen gebruiksklaar receptenboekje, noch voor een “volledige planeconomie”, noch voor een “marktsocialisme”. Mandel voegt eraan toe dat we de drie elementen moeten gebruiken die Trotsky vermeldde, namelijk het plan, de markt en de democratie, en er een vierde aan toevoegen: de radicale vermindering van de arbeidsduur, een onmisbare maatregel indien men wil dat de arbeiders werkelijk kunnen deelnemen aan de directe democratie.
Deze tekst kan gelezen worden als een soort testament. Bij het begin van het debat leek Mandel zeker te zijn wat het socialisme niet was, namelijk een samenleving waar nog marktmechanismen aan het werk waren. Hij besluit echter op een meer open manier, zonder overigens de evolutie in het eigen denken te erkennen, wat geen goede manier van discussiëren is. Maar het is toch al goed te kunnen evolueren…
Het is ook goed standvastig te zijn wat betreft het essentiële: de noodzaak en de mogelijkheid van een strijd voor de ontvoogding, gebaseerd op zelforganisatie, opheffing van de vervreemding, en de verantwoordelijkheid van het menselijk wezen in alle aspecten van het leven wereldwijd. Daarin wortelden zijn overtuiging en zijn beroemd optimisme, de basis voor de voorbeeldige continuïteit van zijn militante inzet.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren