Fascisme: een gedachtegoed met een geschiedenis

In 2026 kan niemand het fascisme nog serieus beschouwen als een louter historiografische kwestie. We kunnen niet vragen wat fascisme is zonder stil te staan bij de werkelijkheid om ons heen. Die vraag heeft niet uitsluitend betrekking op het verleden, maar ook en vooral op het heden, een heden dat gekenmerkt wordt door de sterke opkomst van extreemrechts. De nieuwe golf van autoritaire regeringen over de hele wereld heeft dat debat opnieuw aangewakkerd, maar het woord, dat spontaan opkomt als we denken aan Donald Trump, Javier Milei, Giorgia Meloni, Viktor Orbán of Marine Le Pen, is duidelijk ontoereikend om hen te beschrijven. Als, zoals veel historici uitleggen, het fascisme in de 21e eeuw zo verschilt van zijn voorgangers, hebben we wellicht nieuwe begrippen nodig om het te omschrijven.

Dat geldt ook voor veel andere verschijnselen van onze tijd. Het oude begrip oorlog is eveneens problematisch en dekt niet de nieuwheid van conflicten die worden uitgevochten met drones en kunstmatige intelligentie (AI). De revoluties van het afgelopen decennium – met name de Arabische – lieten elke verwijzing naar het socialisme achterwege en hadden weinig gemeen met die van de vorige eeuw. Volgens de grote media en de meeste westerse staatslieden is het antisemitisme overweldigend, maar ze gebruiken dat label niet langer om vooroordelen tegen het Joodse volk te definiëren, maar om iedereen die kritiek heeft op Israël zonder onderscheid af te kraken. Zo zouden we nog met vele andere begrippen door kunnen gaan.

We leven dus in een soort tussenperiode, zoals Gramsci in de jaren dertig schreef in zijn Gevangenisnotities: 'De crisis bestaat precies uit het feit dat het oude sterft en het nieuwe niet geboren kan worden: een interregnum waarin zich de meest uiteenlopende ziekelijke verschijnselen voordoen'. Hoewel die zin vaak is misbruikt, geeft hij onze huidige situatie vrij goed weer: we hebben niet te maken met een herhaling van de geschiedenis, met een terugkeer naar het verleden; we worden geconfronteerd met nieuwe problemen en nieuwe bedreigingen, maar we beschikken alleen over concepten uit het verleden om ze te analyseren en te interpreteren. Dat is natuurlijk frustrerend: die woorden geven de onzekerheid van onze tijd, die een verschrikkelijke storm lijkt aan te kondigen, niet goed weer.

Naar mijn mening hebben we te maken met een soort postfascisme, een concept dat zowel een historische afstand tot het klassieke fascisme weerspiegelt als een significante verschuiving van zijn ideologische, sociale en politieke standpunten. Dat nieuwe, heterogene extreemrechts is een constellatie van bewegingen en partijen met verschillende achtergronden en ideologische referentiekaders, die voor het overgrote deel het institutionele kader van de liberale democratie lijken te aanvaarden. Wat ze willen is de democratie van binnenuit vernietigen, niet van buitenaf. Ze vormen een bedreiging voor de democratie, maar handelen niet op dezelfde manier als de krachten van het historische fascisme; ze stellen de traditionele tweedeling tussen fascisme en democratie ter discussie in een periode waarin de democratie zelf uitgeput, in diskrediet gebracht, leeggehaald en beroofd lijkt van haar oorspronkelijke deugden.

J. D. Vance komt naar München om vrijheid gelijk te stellen aan Alternative für Deutschland (AfD); Giorgia Meloni verdedigt de Italiaanse democratie tegen een dreiging die belichaamd wordt door het antifascisme; alle westerse regeringen steunen Israël als een democratisch eiland omringd door obscurantistische barbaren; extreemrechtse bewegingen in Europa en Amerika stellen racistische en xenofobe maatregelen voor om de democratie te verdedigen tegen het islamitisch fundamentalisme; terwijl de regering-Trump honderdduizenden immigranten die in de VS wonen en werken deporteert, zegt ze dat ze de mensenrechten verdedigt als ze de vluchtelingenstatus toekent aan Zuid-Afrikaanse aanhangers van de witte suprematie. Woorden zijn van betekenis veranderd door een soort Orwelliaanse metamorfose. Tien jaar geleden stonden die tendensen nog in de kinderschoenen. In de afgelopen twee of drie jaar hebben ze een scherpe versnelling doorgemaakt.

Het grootste verschil tussen fascisme en postfascisme dat vaak wordt genoemd, is geweld. Hoewel die diagnose mij juist lijkt, denk ik dat er een nuance in moet worden aangebracht. Natuurlijk zijn de meeste leiders van radicaal rechts tegenwoordig gewend om op onze televisieschermen te verschijnen en draagt hun gevolg geen uniform. Na zeventig jaar vrede en economische stabiliteit leek de liberale democratie een solide institutioneel kader te vormen in de westerse landen. Geweld – denk aan de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 of de aanval op het Braziliaanse congres twee jaar later – lijkt een uitzondering, niet de regel, hoewel de zaken aan het veranderen zijn.

De tweede ambtstermijn van Donald Trump wordt gekenmerkt door een duidelijke neiging om de politiek te criminaliseren: hij heeft federale troepen naar veel grote steden gestuurd om orde op te leggen en heeft de Immigratie- en Douanedienst (ICE) omgevormd tot een paramilitaire macht die al fungeert als een soort Pretoriaanse garde. Dat zijn de meest opvallende kenmerken van de ommezwaai naar autoritarisme. De ICE zaait een klimaat van terreur waarin de rechtsstaat ter discussie staat en iedereen, niet alleen de illegale immigranten, zich in gevaar voelt.

Natuurlijk is het postfascistische geweld niet te vergelijken met dat van het klassieke fascisme op een continent dat verwoest was door een totale oorlog, maar de tekenen van een verandering zijn duidelijk waarneembaar. Ook in Europa neemt het autoritarisme toe. Laten we eens kijken naar Frankrijk en Italië: tien jaar geleden werden vakbondsstakingen en demonstraties omringd door politieagenten, die af en toe kleine schermutselingen hadden met enkele radicale groepen stakers. Tegenwoordig staan gemilitariseerde agenten tegenover legale demonstraties die worden georganiseerd door vakbonden en links. Op politiebureaus heerst systemisch racisme.

Die terugkeer naar machtsvertoon heeft zich over de grenzen heen verspreid. Het Westen heeft het geweld geëxporteerd naar andere plaatsen, voornamelijk naar het Midden-Oosten, waar het de hoofdrol heeft gespeeld in bezettingen, oorlogen en, meer recentelijk, een genocide via zijn Israëlische bondgenoot. Nu heeft de regering-Trump Iran gebombardeerd, Nicolás Maduro in Venezuela ontvoerd en zijn buren bedreigd, met name Groenland, waarbij de NAVO in twijfel wordt getrokken en de trouwste Europese bondgenoten zijn gewaarschuwd. Paradoxaal genoeg is dat meer een teken van zwakte dan van kracht. De VS wil Canada en Groenland veroveren om zijn status als continentale supermacht te behouden en te versterken, maar heeft zijn traditionele hegemonieambities op wereldschaal opgegeven. De ambitie uit de Koude Oorlog om een Amerikaanse wereldorde te vestigen is achterhaald. China zal niet ten onder gaan zoals de USSR meer dan dertig jaar geleden deed.

Een tweede verschil is al even paradoxaal: het nieuwe aan deze opkomende extreemrechtse beweging is haar conservatisme. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog had het fascisme een krachtige utopische dimensie. Het zag zichzelf als een revolutie, sprak over de Nieuwe Mens, het Duizendjarige Rijk, enzovoort. Het stelde dat de wereld op instorten stond en bood een alternatief voor de toekomst. Met andere woorden, het had een utopisch perspectief.

Vandaag de dag is het postfascisme puur conservatief. Het spreekt van een grote vervanging die een bedreiging vormt voor de westerse beschaving en beweert traditionele waarden te verdedigen: het gezin, soevereiniteit, nationale culturen, de joods-christelijke beschaving, enzovoort. Het trekt alle vooruitgang op het gebied van minderheidsrechten in twijfel en valt de meest kwetsbare mensen wreed aan: immigranten zonder papieren, queer- en transgenderpersonen. Over het algemeen hebben die bewegingen hun vermogen verloren om mensen te laten dromen van een andere toekomst; ze streven ernaar de orde en de veiligheid (economisch, politiek, cultureel en psychologisch) te herstellen. Zelfs de slogan van Donald Trump, Make America Great Again, die zo in de smaak valt bij zijn aanhangers, is geen slogan van verovering; hij verwijst naar de droom om een verloren gouden eeuw terug te winnen, naar de tijd dat de VS een machtige en welvarende grootmacht was.

Nieuw – en iets wat doet denken aan de jaren 1930 – is het vermogen van het postfascisme om organische banden te smeden met de economische elites, zoals op spectaculaire wijze te zien was tijdens de inauguratieceremonie van Trump. Misschien is de invoering van een autoritaire vorm van neoliberalisme wel het meest waarschijnlijke scenario voor de komende jaren. Tot nu toe leken postfascistische leiders en bewegingen op nieuwkomers die de politieke klasse in twijfel trokken en een conservatief alternatief voor het neoliberalisme voorstelden; nu zijn ze betrouwbare gesprekspartners geworden van de economische elites in de EU, de VS en ook in veel Latijns-Amerikaanse landen.

Het is natuurlijk moeilijk te voorspellen hoe lang die alliantie tussen postfascisme en neoliberalisme zal duren. In de EU zijn we nog ver verwijderd van de oligarchische macht die nu met Trump in opkomst is, maar er is een vergelijkbare tendens. Wat duidelijk lijkt, is dat de neoliberale elites niet streven naar de vestiging van een totale staat zoals het Italië van Mussolini of het Duitsland van Hitler; hun doel is een uitzonderingstoestand die de democratie opschort door de vestiging van hun eigen macht, een politieke macht gebaseerd op het principe van autonomie van het kapitaal, dat verschilt van de autonomie van het politieke. Carl Schmitt is niet helemaal in de vergetelheid geraakt – de postfascistische leiders zijn decisionisten in die zin dat ze de parlementen minachten en regeren op basis van uitvoerende besluiten, waarbij ze veel grondwettelijke normen ter discussie stellen – maar hij is herzien en gecorrigeerd door Friedrich von Hayek.

Toen hij in 2023 werd gekozen, leek Javier Milei een soort Argentijnse anomalie: overdreven, exotisch en uitzonderlijk; nu is hij een als voorbeeld dienende figuur van het libertarisme geworden, en zijn bezuinigingsmaatregelen zijn overtroffen door het Department of Government Efficiency (DOGE) van Elon Musk. Het enige historische precedent voor die coëxistentie tussen autoritaire politieke macht (Schmitts idee van soevereiniteit) en neoliberaal kapitalisme, waarbij de staat zich volledig onderwerpt aan het kapitaal en een instrument van de markteconomie wordt (Hayeks idee van liberalisme), is het Chili van Pinochet. En het Chili van Pinochet was geen loutere herhaling van het fascisme van het interbellum. Dat is de historische achtergrond van het hedendaagse postfascisme.

Die strategiewijziging was duidelijk niet onvermijdelijk. De economische elites vertrouwen en steunen pas sinds kort de radicaal-rechtse bewegingen, bewegingen die voorheen geen betrouwbare gesprekspartners leken. In het verleden wonnen extreemrechtse leiders aan invloed door de neoliberale globalisering aan de kaak te stellen (zoals toen Marine Le Pen Macron bestempelde als vertegenwoordiger van de globalistische elites, of toen Giorgia Meloni de bankier Mario Draghi op vergelijkbare gronden stigmatiseerde). Soms kwamen ze aan de macht ondanks de voorkeuren van de heersende klassen, zoals Donald Trump en Jair Bolsonaro in 2016, toen ze niet de kandidaten van het establishment waren.

Vandaag de dag heerst overal de alliantie tussen extreemrechtse populistische bewegingen en de mondiale elites. De feiten waarop die bewering is gebaseerd, zijn allesbehalve anekdotisch. Hier tekent zich een vreemde coalitie af tussen de armste en de rijkste lagen van de samenleving. Dat is waarschijnlijk de grootste prestatie van het postfascisme: zowel de steun van brede sectoren van de arbeidersklasse als het vertrouwen van de mondiale elites te verkrijgen, die machtig zijn, maar zeer klein in aantal.

Extreemrechts baseert zich op het klassieke populistische paradigma van de goede mensen tegenover de corrupte elites, maar heeft dat aanzienlijk geherformuleerd. In tegenstelling tot vroeger, toen onder ‘het echte volk’ een etnisch homogene gemeenschap werd verstaan (witte, nationalistische mensen, zogenaamd met diepe wortels in het gebied), tegenover de arme en gemarginaliseerde stadsbewoners, bron van wanorde en onveiligheid, kan de witte arbeidersklasse vandaag de dag als onderdeel van de natie worden geaccepteerd als ze heeft gebroken met haar socialistische, communistische en linkse tradities. De externe vijanden zijn immigranten, raciale minderheden en moslims; de interne vijanden zijn de vertegenwoordigers van alle soorten wokisme, van feministen en LHBTQ-personen tot milieuactivisten en degenen die de Palestijnse genocide aan de kaak stellen.

Zoals Michel Feher terecht heeft gesuggereerd, ligt de continuïteit tussen het oude nationalisme, het fascisme en het postfascisme in een hardnekkige imaginaire tweedeling van producenten en parasieten; de eersten, deugdzame werkende mannen en vrouwen, worden schandelijk uitgebuit door de laatsten, een heterogene groep die financiële elites en immigranten omvat die profiteren van de sociale zekerheid en de welvaart in de gastlanden. In de eerste helft van de twintigste eeuw vertoonden die parasitaire sectoren de kenmerken van de joden in de nationalistische en fascistische verbeelding: een vreemde coalitie van Wall Street-bankiers en joodse bolsjewieken; vandaag de dag zijn het de globalistische elites en de moslimimmigranten.

De postfascistische verbeelding – met name haar visie op seksualiteit – is echter complexer dan de stigmatisering van tegenmodellen en de zoektocht naar zondebokken zou doen vermoeden. Ondanks zijn neoconservatieve karakter mag het postfascisme niet worden geïnterpreteerd als een simpele terugkeer naar de burgerlijke normaliteit en Victoriaanse stereotypen. Het postfascisme is voortgekomen uit het institutionele raamwerk van de liberale democratie in markteconomieën die zijn gevormd door een bezitterig individualisme. Het heeft gebroken met het fascistische ideaaltype en beroept zich in veel gevallen op de erfenis van de Verlichting. In het posttotalitaire tijdperk van de mensenrechten verleent dat het postfascisme respectabiliteit.

Het postfascisme rechtvaardigt zijn oorlog tegen de islam niet met de oude, onterechte argumenten van imperiaal expansionisme en doctrinair racisme, maar veeleer met zijn eigen interpretatie van de erfenis van de Verlichting. Marine Le Pen, Giorgia Meloni en Viktor Orbán willen de Europese volkeren beschermen tegen de migranten die de Middellandse Zee oversteken, maar beweren ook vrouwen te verdedigen tegen het islamitisch obscurantisme. Homofobie en homonationalisme gaan hand in hand binnen dat veranderende radicale rechts. In Nederland hebben feminisme en homorechten gediend als vlag in een gewelddadige xenofobe campagne tegen immigratie en moslimbevolkingsgroepen, eerst aangevoerd door Pim Fortuyn, die openlijk homoseksueel was, en daarna door zijn opvolger, Geert Wilders, een voorvechter van homorechten. Alice Weidel, nationaal leider van de AfD, is een lesbienne die zich verbonden voelt met het traditionele gezin en zich verzet tegen het homohuwelijk.

Tegenwoordig wordt de erfenis van de Verlichting vaak ingekaderd in een nieuwe versie van het oriëntalisme, gebaseerd op een tweedelig wereldbeeld dat beschaving, rationalisme, vooruitgang en vrijheid tegenover barbarisme, fanatisme en obscurantisme stelt. Extreemrechtse bewegingen sluiten zich aan bij die progressieve neo-oriëntalistische visie zonder hun traditionele racistische, vrouwonvriendelijke en homofobe identiteit op te geven. Ze hebben wel afstand gedaan van een traditioneel racistisch en kolonialistisch discours, dat in deze 21e eeuw niet langer acceptabel is (ondanks enkele opmerkelijke uitzonderingen, zoals het zionistische kolonialisme), maar blijven spreken van een ontologische culturele kloof tussen het Westen en de rest.

Een belangrijk verschil tussen fascisme en postfascisme betreft hun visie op de staat. Het fascisme ontstond na de Eerste Wereldoorlog, in het tijdperk van de totalitaire staat, het einde van het laissez-faire-kapitalisme en de opkomst van staatsinterventie in de economie: het keynesianisme, de New Deal, het fascisme en de Sovjet-vijfjarenplannen behoren tot hetzelfde tijdperk van statisme. Het postfascisme is ontstaan in een totaal andere periode, het tijdperk van het messianisme van de vrije markt en het neoliberale kapitalisme. Zijn autoritaire kenmerken gaan hand in hand met de verering van de markteconomie.

In die context brengt de steun van de economische elites een hoge prijs met zich mee, namelijk het afzien van statisme. Vandaag de dag wordt Trump niet langer gezien als een buitenstaander die de Republikeinse Partij, een van de pijlers van het Amerikaanse establishment, heeft overgenomen. Evenzo worden de Europese nationalistische en postfascistische bewegingen niet langer afgeschilderd als subversieve en gevaarlijke vijanden van de EU. Meloni is geen paria, maar eerder een invloedrijke persoonlijkheid in de EU. Voordat ze aan de macht kwamen, genoten noch Mussolini noch Hitler zo'n expliciete steun van de financiële en industriële elites van hun landen; hun situatie leek in niets op de steun die Trump heeft gekregen van talrijke miljardairs of die Le Pen krijgt van het door Vincent Bolloré gecontroleerde media-imperium. In veel opzichten doen de mondiale elites denken aan de slaapwandelaars van 1914, de voorvechters van het Europese concert die van de wolken vielen zonder te begrijpen wat er gebeurde.

In het interbellum keken de liberale democratieën naar de opkomst van het fascisme met een mengeling van onbegrip en zelfgenoegzaamheid, waarvan de belangrijkste uitingen de opzettelijke niet-inmenging van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in de Spaanse Burgeroorlog en hun concessies aan Hitler tijdens de Conferentie van München in 1938 waren. Vandaag de dag bestaat er nog steeds een soortgelijke ambiguïteit. Zoals Wolfgang Streck terecht opmerkt, heeft het economische en culturele kosmopolitisme van de mondiale elites als reactie daarop 'een vorm van anti-elitair nationalisme van onderop' voortgebracht, gebaseerd op Fehers tweedeling tussen producenten en parasieten. Het postfascisme geeft een politieke uitdrukking aan die wrok, terwijl het in de ogen van de financiële en industriële elites zelf aan respectabiliteit en geloofwaardigheid wint.

Het is moeilijk te voorspellen hoe lang het in staat zal zijn die tegenstrijdige tendensen met elkaar te verzoenen. Milei, Meloni, Orbán en Trump zijn behendige evenwichtskunstenaars die beide tegenstrijdige polen in stand houden, maar op de lange termijn kan die exercitie gevaarlijk blijken: enerzijds zal die convergentie tussen de elites en de meest achtergestelde sociale lagen nooit een echt historisch blok in de Gramsciaanse zin kunnen vormen, maar slechts een voorlopige vorm van bonapartisme; anderzijds is de voorwaarde voor de uitvoering van die strategie de geleidelijke afbraak van het institutionele kader van de rechtsstaat en de liberale democratie.

Sinds de jaren negentig, dat wil zeggen sinds het einde van de Koude Oorlog, hebben de regeringskrachten, zowel links als rechts, zich aangesloten bij het neoliberalisme als een soort eenzijdige denkwijze. Dat is het belangrijkste uitgangspunt van de spectaculaire opkomst van extreemrechts, dat uiteindelijk als alternatief naar voren is gekomen. Volgens Wendy Brown is radicaal rechts het ondemocratische antwoord op het proces van demontage van de democratie dat wordt aangedreven door de neoliberale logica.

In een beroemd aforisme uit 1939 schreef Max Horkheimer dat 'als je niet over kapitalisme wilt praten, je dan moet zwijgen over fascisme'. Nu zouden we kunnen zeggen dat 'als je niet over neoliberalisme wilt praten, je dan moet zwijgen over postfascisme'. Hoewel neoliberalisme en postfascisme geen synoniemen zijn, zijn ze momenteel wankele bondgenoten. De enige sleutel om die tendens tegen te gaan en die 'morbide symptomen' op te heffen, is de heropleving van links, een sociaal en politiek antwoord van onderop dat, in plaats van zich in de steek gelaten te voelen, in staat is een project, nieuwe symbolen en een nieuwe visie op de toekomst te vinden.

Enzo Traverso is historicus. Sinds 2013 is hij Susan en Barton Winokur-hoogleraar in de geesteswetenschappen aan de Cornell University in New York. Hij is auteur van onder andere The Marxists and the Jewish Question (1994); Understanding the Nazi genocide; Marxism after Auschwitz (1999); Fire and Blood: The European Civil War, 1914-1945 (2017); The New Faces of Fascism: Populism and the Far Right (2019). Zijn boeken zijn in zo’n twintig talen vertaald.

Dit artikel stond op Viento Sur. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop