Borderless

19 November 2019

Giftig kapitalisme

De economische crisis die we op dit moment zien doet het kapitalistische systeem op zijn grondvesten schudden. In een razend tempo grijpt de crisis om zich heen en tast nu ook de zogeheten “reële” economie aan. Het is onmogelijk om alle aspecten te belichten. Toch zijn er een aantal mechanismen te onderscheiden die tot deze crisis hebben geleid.

Kapitaal
Paradoxaal genoeg is deze crisis begonnen omdat er een aanzienlijke hoeveelheid “vrij” kapitaal was, kapitaal dat zocht naar de hoogste rendementen. Als illustratie kan het vermogen van de institutionele beleggers dienen. In 1990 werd het totale belegde vermogen van institutionele beleggers geschat op 14 biljoen dollar, in 2000 was het 39 biljoen, voor de crisis was het 70 biljoen dollar. De beleggers zijn niet exclusief westerlingen. Snelle stijgers zijn staatsfondsen uit China en fondsen uit olierijke staten.
Kapitaal bewoog naar die plekken waar het meeste rendement werd verwacht. Als dat eenmaal gebeurde stegen de prijzen op die plekken zodat de reeds belegde kapitalen ook weer in waarde stegen. Waarschuwingen dat prijzen op de beurs of de hypotheekmarkt niet tot in het oneindige kunnen stijgen werden geridiculiseerd. Toch hebben we al eerder bubbels zien knappen: in 2000-2001, toen de beurswaarde van internetbedrijven aanzienlijk kelderden, en de beurscrisis van 1987.

Beursbubbel.
Om een beursbubbel te creëren is een overmatige hoeveelheid kapitaal niet voldoende. Het is ook nodig dat de wetgeving omtrent toezicht wordt verminderd of ontdoken. Door neoliberale aanvallen werd regulering op allerlei fronten sterk verminderd en ontduiking mogelijk. Of het nu ging om hypotheekschuld, creditcardschulden of persoonlijke leningen: er was zoveel kapitaal dat de gekste aanbiedingen werden gedaan. Een voorbeeld: de hypotheekmarkt.
Over het algemeen wordt aangenomen dat de crisis op de woningmarkt in de VS in de zomer van 2007 de start vormde van een kettingreactie die tot op heden voortduurt. De banken speculeerden op steeds verder oplopende huizenprijzen. Dit leidde tot excessen zoals de no-doc loans waarbij banken niet eens meer controleerden of iemand de aflossing wel kon betalen. Ook werden zeer lage instap rentes aangeboden zodat Amerikanen tot 125 procent van de waarde van de woning konden lenen. Pas na enkele jaren zouden de rentes contractueel gezien stijgen. De extra 25 procent kon nu al worden opgenomen en uitgegeven. Problemen zag men niet want de stijging van de huizenprijzen maakte toch dat de banken uit de kosten zouden komen.
Daarna gingen de banken speculeren met de afgesloten hypotheekleningen. Alle leningen, de goede en de slechte, werden verkocht aan een zogeheten Collateralized Debt Obligation of CDO. Een CDO is een speciaal opgericht bedrijf dat hypotheekleningen koopt en financiert door obligaties uit te schrijven. Hier werd een grote verdwijntruc toegepast. De leningen moesten worden gewaardeerd want sommige worden niet afgelost maar andere wel en die brengen een hoop rente op. Met wiskundige modellen werd de totale prijs van de leningen bepaald. Het was dus zeer verleidelijk om de wiskundige variabelen zo gunstig mogelijk af te stellen voor de verkopende partij. De verkopende partij kreeg een flinke pak geld en de kopers zette de leningen voor de aankoopprijs op de balans. De 'giftige' leningen werden op deze manier in de statistiek verborgen en toezicht werd op deze manier omzeild.
Als er eenmaal een prijs was vastgesteld werd deze gefinancierd door de CDO door middel van het uit schrijven van obligaties. Over het algemeen waren er drie typen: de senior bonds, de mezzanine bonds en de equity tranche. Als er winst was uit de gekochte hypotheekleningen werden eerst de senior bonds betaald, dan de mezzanine bonds en ten slotte de equity tranche. Het spreekt vanzelf dat de senior bonds de laagste rente hadden en de equity tranche de hoogste.
Op een gegeven moment stegen de huizenprijzen in Amerika echter niet langer. De reden hiervoor was dat veel Amerikanen de afgesproken hogere rentes niet konden betalen en de woning verkochten of moesten verkopen. De ene na de andere bank ontdekte de verliezen: rente werd niet meer uitgekeerd op de obligaties, hypotheekleningen bleken niet zoveel op te leveren als gedacht.
Dit is maar één voorbeeld. Over andere financiële producten zijn vergelijkbare verhalen te vertellen. Het is duidelijk dat de bubbel zwelt totdat die knapt. Banken en andere financiële instellingen moesten met garanties, financiële injecties en overnames door de staat worden gered.

Van financieel naar reëel.
Alhoewel het bovengeschetste scenario niet totaal onjuist is moeten er wel enkele vragen bij worden gesteld. De belangrijkste is de vraag over de verbinding tussen de financiële en de reële economie. Elke financiële crisis, ook deze, moet worden gezien als een correctie door de waardewet.
Aandelen en obligaties hebben een “waarde”. Als ik een miljoen aandelen heb die elk € 100 waard zijn dan heb ik € 100 miljoen. Als de koers verdubbeld heb ik € 200 miljoen, als de koers tot de helft zakt heb ik € 50 miljoen. Maar de “waarde” is virtueel. Pas als de aandelen zijn verkocht om er iets reëels voor te kopen wordt de “waarde” reëel. Met andere woorden: de totale waarde van de aandelenbeurs zegt op zichzelf niets. Maar er zijn natuurlijk wel verbindingen tussen de financiële en de reële economie. Zolang het inkomen dat wordt verkregen uit de aandelen wordt geherinvesteerd in de financiële economie kunnen kapitalen oneindig groeien. Maar als een gedeelte van deze opbrengsten naar de reële economie wordt gedirigeerd, met andere woorden worden geruild voor waren, treedt de waardewet in werking. Als we aannemen dat deze nieuwe koopkracht niet kan worden gecompenseerd door extra productie en ook niet door de vraag van werknemers zal de correctie door middel van prijsstijgingen worden uitgevoerd. Dit betekent een devaluering van alle inkomens, inclusief de inkomens uit vermogen. Dit verklaart waarom aandeelhouders zo gevoelig zijn voor inflatie. Het inkomen dat voorkomt uit hun fortuinen is ook daaraan onderhevig. Maar als de financiële inkomsten dalen moeten ook de prijzen van de aandelen verminderen zodat zij weer corresponderen met het reële inkomen dat zij geven.
Aandelen en obligaties vertegenwoordigen een recht op een gedeelte van de meerwaarde die is geproduceerd. Zolang dit recht niet wordt uitgeoefend blijft het virtueel. Maar op het moment dat je dit recht uitoefent wordt het dus onderhevig aan de waardewet: dat betekent eenvoudigweg dat je niet meer rijkdom kan distribueren dan dat er geproduceerd wordt.
De prijzen op de beurs zouden een uitdrukking moeten zijn van de verwachte toekomstige winsten vanwaaruit de financiële uitkeringen moeten worden betaald. De prijzen op de beurs zijn echter als een raket omhooggeschoten en hebben nu nog maar nauwelijks verband met de winst die het kapitaal maakt door de arbeid uit te buiten. Nog nooit heeft dit fenomeen zo’n niveau bereikt.

De financialisering
Financiële bubbels zijn niet alleen maar gebaseerd op de hebberige illusies van speculanten. Ze worden gevoed door de permanente creatie van vrij kapitaal. De eerste bron is de tendentiële groei van winsten die niet in productie worden geïnvesteerd, zogenaamde non-accumulated profit. Deze groei komt op zijn beurt door een dubbele beweging: een algehele teruggang van het aandeel van de lonen ten opzichte van het totale inkomen en een vermindering van de investeringen die in de productie worden gedaan alhoewel het totale winstniveau zich wel herstelde. Grafiek 2 laat zien dat het algemene winstniveau en het niveau van investeringen in de productie tot begin jaren 80 gelijk oploopt om daarna enorm uit elkaar te gaan lopen. De grijze zone laat zien welk gedeelte van de meerwaarde terecht komt in het gedeelte dat niet in productie wordt geïnvesteerd.
Dit nieuwe en nog niet eerder vertoonde verschijnsel veroorzaakt een groot probleem. Namelijk het probleem van de realisatie. Als het aandeel van de lonen relatief gezien daalt en er geen investeringen zijn in de productie, wie koopt dan de producten die worden geproduceerd? Er is maar één mogelijk antwoord. Consumptie die wordt betaald met inkomen dat niet uit arbeid voortkomt moet de stagnatie die is opgetreden omdat het aandeel van de lonen relatief gezien daalde compenseren.
We kunnen de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan als volgt presenteren. In de VS bleef het aandeel van de lonen relatief constant maar de consumptie van huishoudens steeg sneller dan de groei van het Bruto Nationaal Product (BNP). In Europa blijft het aandeel van de consumptie in het BNP constant alhoewel het aandeel van de lonen duidelijk daalt. In beide gevallen wordt het gat tussen het aandeel van de lonen en consumptie groter. Het kapitaal dat niet in de productie ingezet kon worden zocht rendement door middel van drie financiële verschijnselen die zich tegelijkertijd voordeden en mogelijk maakten dat de producten een tijd lang toch gekocht werden.
In de eerste plaats is er de uitbetaling van dividend aan aandeelhouders die daarmee gaan consumeren. Dividend is onderdeel van het gedeelte van de meerwaarde dat niet in productie wordt geïnvesteerd.
Op de tweede plaats komt uitbetaling in speciaal gecreëerde opties en aandelen aan managers. Een steeds groter deel van de loontrekkenden wordt gedeeltelijk uitbetaald in optie en aandelen. Dit is niet zozeer als loon te zien maar als aandeel in de meerwaarde. Door verkoop van deze stukken of door het inkomen uit aandelen en opties kon weer extra worden geconsumeerd.
Ten slotte ging het aandeel van krediet van de huishoudens met name in de VS enorm omhoog. Hierdoor kon de consumptie enorm stijgen.
Deze financiële bewegingen moeten niet worden gezien als parasieten op een gezond lichaam. Ze zorgden ervoor dat winsten die niet worden geïnvesteerd toch konden worden weggezet. Tijdelijk kregen ze een autonome positie. Kapitaal zoekt die plek op waar het meeste rendement wordt verwacht. Door deze beweging was, tijdelijk, een succes. De banken kregen extra winsten die op hun beurt op dezelfde wijze werden ingezet.

De overdracht naar de reële economie
De beurscrash van 1987 leidde een meerderheid van de economen destijds ertoe te denken dat dit het begin zou zijn van een ernstige afremming van de wereldeconomie. Maar het tegenovergestelde gebeurde. Vanaf 1988 was er een zeer dynamische groei van de ontwikkelde landen. De beurscrisis in de financiële economie zette zich niet door in de reële economie. Integendeel, het zorgde ervoor dat de zwakke gedeelten van de economie werden gereinigd.
Met andere woorden: we staan nu voor de vraag of de enorme bewegingen in de financiële economie zullen worden overgebracht naar de reële economie.
Een positie die wel wordt gehoord is dat de huidige verslechtering van de wereldeconomie niet alleen maar kan worden verklaard door de financiële crisis. Er zijn juist andere oorzaken zoals de stijging van de prijs van olie en grondstoffen, inadequate monetaire en budgettaire politiek in Europa, concurrentie van de opkomende economieën zoals China. Volgens deze stelling is de financiële crisis vooral een Amerikaans probleem en zal deze relatief weinig effect hebben op de rest van de wereldeconomie. De opkomende economieën zullen gedeeltelijk de rol van de VS overnemen. De interventie door centrale banken en nationale overheden zullen een herhaling van de crisis van 1929 voorkomen en de verliezen die nu door de banken worden geleden uitsmeren. Met andere woorden: de financiële en de reële economie zijn relatief gescheiden.
Deze optimistische visie is echter onjuist. Het is waar dat crisis verschillende dimensies heeft. In het bijzonder kan gewezen worden op de stijging van de prijzen van ruwe olie en grondstoffen. Maar deze aspecten zijn onderdeel van hetzelfde systeem en brengen ons terug naar de gezamenlijk oorzaak: de huidige organisatie van de wereldeconomie. Je kan deze crisis niet begrijpen als je denkt dat er waterdichte schotten zitten tussen de financiële en de reële economie. Het feit dat verscheidene verschijnselen zich tegelijkertijd voordoen versterkt de transmissie van de financiële crisis naar de reële economie. In principe zijn er zes mechanismen waardoor deze financiële crisis effecten zal hebben op de de reële economie.
1.De stop op interbancaire leningen (de credit crunch) speelt een belangrijke rol in de verspreiding in de reële economie. De banken kunnen hun verliezen niet herfinancieren en komen in problemen bij het verstrekken van leningen aan particulieren en bedrijven. In het bijzonder geldt dit voor de VS en Groot Brittannië waar de consumptie van huishoudens wordt gevoed door krediet.
2.De daling van de prijzen op de beurs waardoor het inkomen uit vermogen voor vele beleggers minder wordt en er minder kan worden geconsumeerd (wealth effect)
3.De algehele onzekerheid heeft invloed op het beslissingen met betrekking tot consumptie en investeringen.
4.De crisis op de onroerendgoedmarkt als zodanig draagt bij aan de economische verslechteringen.
5.De aanzienlijk hoeveelheden kapitaal die nu door de nationale overheden zijn geleend voor de verschillende reddingsplannen zullen of een aanzienlijke vermindering van de publieke uitgaven of een verhoging van de belastingen betekenen.
6.Tenslotte wordt de verslechtering in de financiële economie doorgegeven aan de wereldeconomie als gevolg van een afname aan handel en investeringen.

Al deze mechanismen zijn tegelijkertijd aan het werk en worden dan ook nog gecombineerd met andere dimensies als de prijs van ruwe olie en grondstoffen. Er zijn dus geen waterdichte schotten tussen de economieën omdat de financiële sector een sleutelelement is in het neoliberale kapitalisme.

Quo vadis?
Het is nog te vroeg om te kunnen zeggen waar de crisis naar toe zal gaan. Maar door de omvang en de diepte van ervan is het onwaarschijnlijk dat we terug gaan naar het oude model. Een ding is zeker: de fundamenten van het VS-model worden ter discussie gesteld door deze financiële crisis. De groei van de Amerikaanse economie rust op een dubbel tekort: een tekort op de handelsbalans met het buitenland en een tekort aan binnenlandse besparingen. In beide gevallen speelt de financiële sector een cruciale rol om deze onevenwichtige situaties te tackelen. Het gebrek aan binnenlandse tegoeden wordt “opgelost' door de schulden te laten stijgen, in het bijzonder de hypotheekschulden. Het tekort op de handelsbalans wordt opgelost door buitenlands kapitaal aan te trekken. Maar als dit model tot stilstand wordt gebracht zal de financiële crisis leiden tot een duurzame vermindering van de groei van de Verenigde Staten. Dit zal dan weer effect hebben op de rest van de wereld.

Tegelijkertijd is het niet eenvoudig te zien hoe dit Amerikaanse model zal worden vervangen. In theorie is het mogelijk terug te keren naar het fordisme. Dat wil zeggen naar een groei van de lonen die gelijk op gaat met een groei van de productiviteit, een minder onevenwichtige verdeling van het inkomen en een herbalancering van de buitenlandse handel. Maar dit betekent een aanzienlijke inbreuk op de sociale relaties, een die op dit moment buiten bereik is. Als Obama straks het Witte Huis betreedt hoeven we niet op een nieuwe New Deal te rekenen. Roosevelt ontwikkelde als antwoord op de crisis van 1929 een overheidsprogramma met zware investeringen. Obama mist de politieke wil maar vooral het geld om dit te kunnen doen.

Welk alternatief er dan ook zal ontstaan in de VS, het zal gevolgen hebben voor de rest van de wereld.
De eerste onduidelijk factor is de koers van de dollar: deze zou verder moeten dalen om de Amerikaanse export goedkoper te maken en de handel met het buitenland te vergroten. De relatieve waarde van de totale Amerikaanse buitenlandse schuld zou hierdoor ook verminderen. Maar dit betekent dat de recessie geëxporteerd zal worden naar Europa dat met een hoge Euro te maken krijgt en de inkomsten uit export dus juist zal zien afnemen.
Als de koers van de dollar blijft dalen heeft dat ook gevolgen voor de Amerikaanse kapitaalmarkt. Zal er kapitaal naar Amerika blijven stromen ondanks een dalende dollar? Opkomende landen als China en de oliestaten zullen op een gegeven moment stoppen kapitaal te leveren aan de VS omdat het door de koersdaling te weinig winst oplevert. Een dalende dollar is ook helemaal niet in hun belang omdat hun vermogen is uitgedrukt in dollars. Tot slot betekent een goedkopere dollar voor de opkomende landen een vermindering van hun mogelijkheden om producten af te zetten op de Amerikaanse markt. Hierdoor zouden zij gedwongen worden zich meer te richten op hun binnenlandse markten.

Het is moeilijk om al deze factoren te samen te beoordelen maar we kunnen toch twee voorspellingen doen:

1.De tijd die noodzakelijk is om uit deze crisis te komen is evenredig aan de hoeveelheid geld die aangewend wordt om de financiële sector te redden. Het meest waarschijnlijke traject is een waarbij het een aantal jaren zal duren om de enorme schulden die zijn afgeschreven weer terug te verdienen. Definanciële crisis is gewoon heel erg groot en het zal lang duren voordat de sector er weer bovenop is. Als er geen maatregelen worden genomen zullen de ontwikkelde landen langdurig in een kleine groei en sociale regressie gevangen zitten. De reële economische recessie is er al, de bepalende factors, zoals de crisis in de autoindustrie, zullen na deze financiële storm komen.
2.De weg om uit deze crisis te raken zal worden gekenmerkt door een intens gevecht tussen de grote economische spelers. Iedereen zal trachten de gevolgen van de crisis op de ander af te wentelen. Op het sociale terrein zal er druk van het kapitaal komen om openbare uitgaven te verminderen en lonen te verlagen. Op internationaal niveau zal de economische en commerciële oorlog leiden tot een fragmentering van de wereldeconomie. Of zoals de Duitse minister van Financien Peter Steinbrück zei: “De Verenigde status zal zijn status als superpower van de financiële wereld verliezen”.

Europese dogma's getest.
Ook tijdens een crisis gaat de concurrentie gewoon door. De kakofonie van verklaringen van de nationale overheden weerspiegelt dit dilemma: aan de ene kant ziet iedereen dat de crisis oplossingen op wereldschaal vereist heeft maar aan de andere kant probeert iedereen voordeel te halen uit deze situatie Of om in ieder geval het meeste essentiële te redden. Dit is duidelijke voor de individuele kapitalen maar geldt ook voor de reddingsplannen.
De kapitalen die waren losgelaten op de wereldeconomie kunnen het op dit moment voordelig vinden om terug te keren onder de paraplu van de staat. Toch kunnen we niet spreken van een 'terugkeer naar de staat” omdat de staat altijd in laatste instantie een garantie is voor de belangen van de bourgeoisie. Opnieuw zien we de grenzen van globalisering: globalisering stopte de concurrentie tussen kapitalen of inter-kaptialistische wedijver niet en het leidde ook niet tot een kapitalistische wereldregering.
In Europa worden de moeilijkheden om tot coördinatie van de reddingsplannen te komen verklaard doordat de crisis de Europese landen verschillend treft. Dit is duidelijk bewijs dat er niet één Europees kapitaal is. Zolang het een kwestie van injecteren van liquiditeiten was konden Europese Centrale Banken interveniëren. Maar op het moment dat er daadwerkelijk kosten moesten worden gemaakt, kosten die zouden drukken op de staatsbegrotingen, zagen we dat de Europese Unie niet in staat was op te treden. Dit moest overgelaten worden aan de nationale lidstaten. De afstand tussen Frankrijk die een Europese aanpak wenst en Duitsland die een nationale politiek prefereert wordt groter. Deze verschillen zullen ongetwijfeld tijdelijk worden overwonnen als de crisis voortgaat. Maar de crisis zal de neoliberale fundering van de Europese Unie ter discussie stellen.

De effecten voor de arbeiders.
De gebeurtenissen worden voorgesteld als een soort van natuurgeweld dat iedereen gelijk treft. De Franse premier Fillon riep dan ook op tot nationale eenheid. Dit klimaat van paniek wordt gebruikt om iedereen een kleine speculant te laten voelen. De faillissementen van banken worden voorgesteld als een bedreiging, ook voor de kleine spaarders. Maar natuurlijk zijn niet alle gevolgen voor iedereen hetzelfde. Dit wordt allemaal opgezet om te verbergen wat hier werkelijk sociaal gezien op het spel staat. Want wie gaat de schade betalen?

Wat de rijken betreft moeten de arbeiders nu de klappen gaan opvangen. Niet zozeer als spaarders maar als werkenden en gepensioneerden. De crisis heeft al miljoenen huishoudens in Amerika geruïneerd omdat zij hun onroerend goed kwijt zijn geraakt. Maar er zijn ook ernstige gevolgen, in het bijzonder voor de pensioengerechtigden in de ontwikkelde landen. In de Verenigde Staten en Groot-Brittannië stond het systeem al op omvallen en de waarde van de pensioenen zal dalen door de daling van de beurskoersen. Hier zou een les uit geleerd moeten worden: het is een slecht idee om met je pensioen te gokken op de beurs. Een reddingsplan zou ook dit aspect moeten omvatten. Maar, het hoeft niet te verbazen, het plan van de Amerikaanse minister Paulson zegt niets over de pensioenen. Arbeiders worden van twee kanten onder vuur genomen. In de eerste plaats zullen bedrijven de lonen trachten te bevriezen, hiervoor gebruikmakend van het algemene klimaat van onzekerheid en inflatie. Daarnaast zullen de ontslaggolven en faillissementen leiden tot vernietiging van arbeidsplaatsen. Dit is al begonnen in de verenigde Staten en Frankrijk. Tot slot zullen de arbeiders de eerste slachtoffers zijn van de besparingen op het sociale systeem om de reddingsplannen te financieren.

Een het sociaal schild.
De crisis is een een duidelijke bevestiging van de anti-kapitalistische en andersglobalistische kritiek op het financiële systeem. De economen die de voordelen van de financiële sector de hemel in prezen schreeuwen nu om het hardst dat deze sector gereguleerd moet worden. De president van Frankrijk, Sarkozy, kan niet genoeg woorden vinden om de excessen van het kapitalisme te veroordelen. Het ideologische landschap verandert op dit moment heel snel. Wij moeten het leven uit de wortels van het neo-liberalisme proberen te halen.
Want ondanks al deze ontwikkelingen zal de crisis niet automatisch leiden tot een politiek klimaat dat openstaat voor alternatieven. Gerecyclede neoliberalen verspreiden nieuwe ideeën om hun ideologische redding te verzekeren: verhalen over transparantie, goede financiële ratios, de scheiding tussen investeringsbanken en spaarbanken, de re-integratie van veilige financiële producten op de balans, de beperking aan bonussen voor de financiële top, een agentschap voor de bepaling van de kredietwaardigheid van bedrijven en personen, de hervorming van accountancy normen. 'Het kapitalisme moet gered worden van de kapitalisten' zei University of Chicago professor Luigi Zingales
Sociaal-liberalen zullen het nog moeilijk gaan krijgen want ze hebben niks meer te bieden dan deze voorstellen. Maar het is ook een minimumprogramma dat de aandacht zal afleiden van de werkelijke problemen. Sommige maatregelen, zoals het verbod op belastingparadijzen, moeten we ondersteunen. Maar het zou naïef zijn om naar de financiële en gewone autoriteiten te kijken om werkelijke wijzigingen door te voeren. De positieve maatregelen moeten onderdeel zijn van een groter project dat tot doel heeft de zelfstandige financiële sector te verwijderen en de sociale kwestie op de voorgrond te zetten. Je kan de financiële bubbel niet eens en voor altijd laten barsten als je de bronnen die het voeden niet afsluit.
Als eerste dienen de banken te worden genationaliseerd. We moeten geen nationalisering van de verliezen hebben of om de private financiële sector te redden. Werkelijke nationalisatie moet zonder welke voorwaarde dan ook worden uitgevoerd en het moet de gehele sector betreffen. Alle bankiers en financiers zijn verantwoordelijk voor de crisis.
Als tweede moet er een sociaal schild worden opgetrokken dat de arbeiders beschermt tegen de gevolgen van de crisis. Niemand kan in alle ernst beweren dat zij verantwoordelijk zijn voor deze crisis. Tegelijkertijd moeten we denken aan maatregelen die een fundament kunnen vormen voor een andere verdeling van de rijkdom en die gebaseerd is op het basale argument van sociale rechtvaardigheid. Het moet aan bedrijven verboden worden om dividend uit te keren als zij ook massaontslagen en flexibel werk introduceren en het loon bevriezen. De crisis is een kans om een tegenbeweging van dividend naar loon te lanceren. Je moet niet de lonen bevriezen maar de dividenden en deze overmaken naar sociale fondsen (zoals de werkloosheids- en pensioenfondsen) die onder democratische controle van de werkenden staan.
Tot slot zou de staatssteun die nu betaald wordt aan instellingen moeten worden ingetrokken als instituten weigeren de ontslagen terug te draaien en door blijven gaan met de lonen te bevriezen.

Michel Husson is een econoom en verbonden aan de Institut de Recherches Economiques et Sociales (IRES) in Parijs. Hij is lid van de Fondation Copernic, een linkse denktank en lid van de wetenschappelijke raad van ATTAC-Frankrijk. Hij heeft een eigen website; hussonet.free.fr

Dossier: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren