Borderless

13 November 2018

Hendrik de Man

In 2000 publiceerde Jan Willem Stutje ‘Paul de Groot. De man die de weg wees’, een biografie van de leider van Communistische Partij Nederland. Enige jaren later volgde ‘en Ernest Mandel. Rebel tussen droom en daad’, dat vertaald werd in het Engels en het Duits. In 2012 verscheen ‘Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846–1919). Een romantisch revolutionair’, waarmee hij de shortlist van de Libris Geschiedenis Prijs haalde. 

Binnenkort verschijnt zijn biografie van de Belgische socialist Hendrik de Man. Wij publiceren hier twee fragmenten uit het boek, respectievelijk de inleiding op het eerste hoofdstuk over de bronnen van zijn engagement en op het tweede hoofdstuk over zijn houding tijdens de Eerste Wereldoorlog. 

Op donderdag 29 november is er een presentatie van het boek in het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis met een panelgesprek met historicus en journalist Rob Hartmans, hoogleraar literaire kritiek en biografe Elsbeth Etty en auteur Jan Willem Stutje, rond het thema 'crisis en toekomst van de sociaal-democratie'. De toegang is gratis, maar het aantal plaatsen is beperkt, daarom graag reserveren via deze link

De Man van het Plan 

“Hendrik de Man (1885–1953) was een van de meest invloedrijke Europese politici van zijn generatie. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met het illustere Plan van de Arbeid, kortweg Plan De Man. Tijdens de troebele jaren dertig wilde de socialist De Man met die aanpak de crisis bestrijden, maar de haute finance lag dwars.

Meteen na de Duitse inval in mei 1940 riep hij de bevolking op zich niet te verzetten. Hij hoopte om samen met de autoritaire Leopold III een corporatief België te kunnen inrichten. Hitler zag er geen heil in. De Man trok zich in de winter van 1941 terug in de Franse Alpen en kreeg na de bevrijding politiek asiel in Zwitserland. De krijgsraad veroordeelde hem in 1946, een beslissing die hij nooit zou kunnen verkroppen.

Tot daar het levensverhaal. Wie er achter de mythe schuilging, is veel minder bekend. Jan Willem Stutje slaagt erin de fascinerende figuur in al zijn tegenstrijdigheden zichtbaar te maken. Verrassend is de aandacht voor de tragiek in De Mans bestaan: zijn mislukte huwelijken, de depressies en het morele en politieke verval waarin hij berustte. Met veel aandacht voor de historische context schetst Stutje de levensloop van een geniale en ongenaakbare denker die eindigde in verguizing en vergetelheid.” 

“Hendrik de Man, de jonge jaren

Zo stond de zaak ervoor in 1914.

Voor alles was België in de twee decennia voor de Grote Oorlog, de jaren waarin Hendrik de Man tot volwassenheid kwam, een land van veelvormigheid, van eenheid in verscheidenheid. Een curieus land, vonden buitenstaanders, maar… ‘Interessant, zeer interessant’. De Franse geograaf en anarchist Elisée Reclus roemde België als het ‘maatschappelijke laboratorium’ voor de nieuwe sociale gedachten van de nieuwe eeuw, voor de twee grote moderne, het wérkelijke leven van het land beroerende kwesties: het sociale vraagstuk en de Vlaamse emancipatie.

Het land was in het begin van de negentiende eeuw de vroegst geïndustrialiseerde economie op het Europese vasteland en mocht zich in 1914 de vijfde economische macht ter wereld noemen. De belle époque was een tijdperk geweest van nooit eerder vertoonde kapitalistische expansie.

Antwerpen, De Mans geboortestad, had zijn Europese concurrenten — Rotterdam, Hamburg en Londen — voorbijgestreefd en kwam als wereldhaven onmiddellijk na New York. In The Age of Empire (Eric Hobsbawm) groeide België met het bezit van Congo uit tot een koloniale grootmacht.

De keerzijde van dit indrukwekkende vertoon was al even spectaculair: de levensstandaard was in België lager dan in buurlanden. België was het land van de laagste lonen en langste werkdagen, waar het proletariaat meer dan elders was verzwakt en uitgeput. De wrede onverschilligheid ten aanzien van het sociale vraagstuk was zo hardnekkig dat Karl Marx dit België eind jaren 1860 het ‘paradijs der kapitalisten’ noemde.

Het zou nog twintig jaar duren, tot het midden van de jaren 1880, voordat liberalen en katholieken bereid waren het bestaan van een sociale kwestie te erkennen. En dan nog alleen onder druk van de straat.

De woede baande zich in de jaren tachtig een weg in werklozenoptochten, stakingen en oproer. De arbeidersverenigingen sloten zich in 1885 aaneen in de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Onder felle druk werd in 1893 het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen ingevoerd, hoe dubbelzinnig ook: de beter gesitueerden beschikten over extra stemmen.

Toch kwamen 28 socialisten in de Kamer. De BWP, aangespoord door dit eerste succes, maakte de strijd voor het algemeen enkelvoudig (mannelijk) stemrecht tot het alfa en omega van haar politiek. Volgens de marxistische stroming ontaardde dit spoedig in een reformistisch pragmatisme dat de onstuimige Belgische sociaaldemocratie van de beginjaren temde tot een log organisme van coöperaties, ziekenfondsen, arbeidsbanken en volkshuizen die het socialisme geen stap dichterbij brachten.

Toen De Man zich op zeventienjarige leeftijd bij de BWP aansloot, zou hij zich bij die oppositie scharen en zich in het gevecht om het stemrecht verzetten tegen samenwerking met de liberalen. Pas aan de vooravond van de Wereldoorlog, in april 1913, liet hij ten tijde van de derde grote kiesrechtstaking dat verzet varen. De inzet en de toon van het politieke leven waren in die twintig jaar voorgoed veranderd. Het socialisme was een massabeweging geworden en de sociale kwestie, eerder met zoveel onverschilligheid tegemoet getreden, stond, hoewel er nog bitter weinig resultaat was geboekt, definitief in het centrum van de aandacht.

Hetzelfde gebeurde met een andere kwestie, waarover weliswaar geen straatgevechten uitbraken of arbeidersbloed werd vergoten, maar die met de geleidelijke democratisering van de maatschappij toch tot toenemende politieke opwinding leidde: de kwestie van de Vlaamse emancipatie. Hoewel de grondwet ‘de vrijheid der talen’ garandeerde, was het Frans de taal van het gerecht, van het leger en van het bestuur. De taal van de hogere klassen, van het hoger onderwijs, van het hogere in het algemeen, de taal van de moderniteit en de ambitie.

Zelfs De Man, afkomstig uit de middelgrote Antwerpse bourgeoisie en kleinzoon van de dichter Jan Van Beers, voorvechter van de Vlaamse ontvoogding, bezocht een Franstalige lagere school.

Met de uitbreiding van het kiesrecht van 1893 kwam het verheffen van de Vlaamse volkstaal tot een aan het Frans gelijkwaardige status op de voorgrond. Het ging de flaminganten om het terugdringen van armoede en uitbuiting, maar ook om zelfrespect. Het gevecht tegen de sociale en culturele vernedering resulteerde in 1898 in de Gelijkheidswet, die het Nederlands op dezelfde voet plaatste als het Frans. De BWP was de enige partij die en bloc voor de wet stemde.

Nochtans was de gelijkstelling van taalstrijd en sociale strijd niet voor alle socialisten even vanzelfsprekend. Vlaamsgezinde katholieken wilden doorgaans niets van sociale actie weten, en het afschaffen van taaldiscriminatie hief de klassenverschillen niet vanzelf op. Vijandigheid jegens het Frans leek ook nog eens ongepast omdat naar het verlichtingswoord van de Nederlandse historicus Johan Huizinga ‘alle cultuur streven’ was waarvan de werkmens niet verstoken mocht blijven. Zo oordeelde ook de Gentse socialist Edward Anseele, die Vlaamsgezind was maar in een debat over de vernederlandsing van de Universiteit van Gent juist over deze kwestie de degens kruiste met de student Hendrik de Man.

Van het belang van een Vlaamse hogeschool als panacee voor alle Vlaamse problemen — armoede, ongeletterdheid en afstomping — was Anseele allerminst overtuigd. Het lagere volksonderwijs werd nog steeds sterk verwaarloosd. De creatie van een Nederlandstalige elite, betoogde de econoom Lodewijk De Raet, zou niettemin de hele gemeenschap ten goede komen door de verspreiding van technische en wetenschappelijke kennis in de eigen taal. Het zou bijdragen tot de ‘ontwikkeling van alle Vlaamse Volkskrachten op verstandelijk en stoffelijk gebied’, schreef hij in 1909 in een open brief aan de nieuwe koning Albert.

Het streven naar volksverheffing à la De Raet, dit niet-traditionalistische flamingantisme,van volkskracht, van Vlaamse elite en bloei, was net als de sociale kwestie een van de bronnen waaruit Hendrik de Man de kracht voor zijn socialistische engagement putte.”

“Eerste Wereldoorlog

Zo waren de dingen in 1839 bij verdrag geregeld.

België was sinds zijn ontstaan in 1830 een neutrale staat. Het land was opgetuigd met een onzijdigheid waarmee de Europese diplomatie de nieuwe natie kon inpassen in het in 1815 te Wenen afgesproken evenwicht der machten.

Wat in oorsprong van buiten kwam, verankerde zich in het bewustzijn van de Belgen geleidelijk als een waarborg van ’s lands integriteit. Zo sterk dat de Vlaamse schrijver Stijn Streuvels daags voor het uitbreken van de ‘Groote Oorlog’ het alom heersende geloof registreerde in ‘onze heilige, onschendbare onafhankelijkheid’.

Anderen hadden hun handen van België af te houden, zó waren de dingen in Londen bij de definitieve internationale erkenning van de Belgische onafhankelijkheid in 1839 geregeld. En met die anderen doelde Streuvels op de traditionele grootmachten, in de eerste plaats Frankrijk en het Duitse Keizerrijk, die elkaar in chauvinisme en patriottisme naar de kroon staken nog voor het gekletter van wapens weerklonk.

De atmosfeer van stijgende rivaliteit tussen deze staten maakte de kans dat het kleine België in geval van oorlog dwars op de weg van de oprukkende legers lag meer dan waarschijnlijk. Niemand had een hoge pet op van het Belgische militaire potentieel. Het bestaansrecht van dit soort kleine landen, slechts beschermd door papieren afspraken, werd bovendien nog eens in twijfel getrokken. Zelfs een onverdachte antimilitarist als Hendrik de Man sloot zich aan bij populaire kreten als ‘struggle for life’ en ‘survival of the fittest’ en betoogde dat een voortdurende strijd tussen individuen, klassen, stammen en naties heilzaam was, een motor van vernieuwing die hielp de maatschappij, de cultuur en de moraal te verbeteren.

Was er voor dit zwakke België als gedegenereerd product van de beschaving nog wel plaats?

Buiten dit soort gevulgariseerde darwinistische oprispingen behield de publieke opinie toch vertrouwen in de internationale rechtsorde en de Belgische neutraliteit. Ook toen de regering op 29 juli 1914 het leger gedeeltelijk mobiliseerde, hielden nog weinigen rekening met een oorlog.

Zelfs het bureau van de Socialistische Internationale in Brussel blonk uit in slaapverwekkend afwachten… Van enige verzetsgeest was geen sprake en die gelatenheid zette zich voort in de BWP. De leuze dat ‘de arbeider geen vaderland heeft’ was voor de meeste sociaaldemocraten al lang achterhaald: ze waren tegen militarisme en oorlogszucht, maar niet per se tegen de vaderlandsverdediging.

In 1900 was het eerste deel van Henri Pirennes magnum opus Histoire de Belgique verschenen. Het liet de geschiedenis van België beginnen in de vroege middeleeuwen en situeerde het ontstaan van een specifieke Belgische identiteit op het kruispunt van de Romaanse en Germaanse culturen. Het eeuwenlang vreedzaam samenleven van Vlamingen en Walen leek zo een krachtige legitimatie voor België als natiestaat, in een periode waarin het patriottisme tot brede bevolkingsgroepen doordrong.

En, ondanks alle internationalistische retoriek en antimilitarisme, ook tot de socialisten, wier strijd voor de uitbreiding van het kiesrecht en voor de verdere democratisering van het openbare leven de identificatie met de natiestaat paradoxaal genoeg in de hand had gewerkt.

Het vaderland waarop ze hun voetafdruk plaatsten, was het wel degelijk waard om verdedigd te worden. De antimilitaristische acties tegen het stelsel van loting en de strijd voor de gelijkberechtiging van de Vlaamse taal en cultuur lokten dezelfde paradoxale integratie uit. Het stimuleerde de bereidheid onder socialisten om te vechten voor het vaderland, om het even of het patrimonium Vlaanderen of België heette. De socialisatie van de natie vond haar natuurlijke tegenhanger in de nationalisatie van het socialisme,zo vatte de Britse historicus E.H. Carr het proces van integratie samen.

Velen namen op maandag 3 augustus 1914 de wapens op om hun rechten en de democratie te verdedigen. Onder hen de bijna dertigjarige Hendrik de Man, die zich als vrijwilliger aanmeldde, een van de twintigduizend, zoals zou blijken.

Pirenne stelde vast dat een ‘roes van woede, ongerustheid en verbijstering’ zich van het land meester maakte. ‘Men was er die dag trots op Belg te zijn’, zou de socialist Louis Bertrand schrijven. Emile Vandervelde werd prompt tot minister van Staat benoemd. De Werkliedenpartij stemde unaniem voor de oorlogskredieten.

De oorlog was begonnen en duurde meer dan vijftig maanden. Het was de eerste totale oorlog, vanwege de massalegers en omdat de gehele economie en het gehele volk in dienst stonden van de oorlogsinspanning.

De regering trok zich vanaf oktober 1914 terug in het niet-bezette Le Havre (Frankrijk), de BWP maakte er vanaf 1916 deel van uit. Over één essentieel punt waren de socialistische en conservatieve hoeders van de Union Sacrée het eens: geen vrede zonder de totale vernietiging van de Duitse bezetter; iedere compromisvrede was uit den boze. De pacifistische internationalistische socialisten, zoals Camille Huysmans en de Nederlander Pieter Jelles Troelstra, die in Stockholm door onderhandelingen een einde aan de slachtpartij wilden maken, werden fel bestreden.

Vandervelde, De Brouckère en Hendrik de Man verdedigden het jusqu’au-boutisme alsof hun leven ervan afhing, en niet alleen in eigen kring. Ze reisden in april 1917 af naar Sint-Petersburg om de Russische deelname aan de oorlog te ondersteunen en de groeiende invloed van de bolsjewieken met hun eis van onmiddellijke wapenstilstand te bestrijden.

De BWP leverde het overtuigende bewijs dat ze de Belgische natie en haar burgerlijke orde geheel aanvaardde, in het geval van socialisten als de ex-marxist en oud-opposant Hendrik de Man zo totaal dat de zaak van de geallieerden hem liever was dan het verlangen van partijgenoten als Camille Huysmans naar verzoening met de Duitse broeders.”

Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren