Het karakter en de oorsprong van de staat Israël

De huidige oorlog tegen Gaza leidt tot een hernieuwde discussie over het karakter van de staat Israël. Als bijdrage aan die discussie vertaalden we een artikel van Gilbert Achcar uit 2017.

Dualiteit tussen de positie van de onderdrukte en die van de onderdrukker is geen zeldzaamheid in de geschiedenis. Het komt vooral voor in het geval van nationale bewegingen die de zoektocht van een onderdrukte natie naar bevrijding van het kolonialisme belichamen, terwijl diezelfde natie in eigen land een minderheid onderdrukt, of die nu nationaal, raciaal of religieus is of tot een andere identiteit behoort, en terwijl de nationale beweging die laatste onderdrukking negeert of, erger nog, goedkeurt onder verschillende voorwendselen, zoals de beschuldiging dat de minderheid een 'vijfde colonne' van het kolonialisme vormt. [1]

Het veel voorkomen van die dualiteit wordt vaak aangegrepen om het geval van het zionisme te 'normaliseren', in de zin van het voor te stellen als gewoon en vergelijkbaar met veel andere gevallen. Het doel is meestal om de misstanden van het zionisme te bagatelliseren, zo niet goed te praten, om de houding ten opzichte van de zionistische staat te 'normaliseren' en het als een gewone zaak te behandelen. Ik zal hier proberen aan te tonen dat dat argument niet geldig is door de eigenaardigheid van de dualiteit die eigen is aan het zionistische geval uit te leggen.

Het staat buiten kijf dat het zionisme historisch gezien is ontstaan als reactie op de langdurige onderdrukking van Joodse minderheden in Europese landen. Zoals bekend was de toestand van de Joden in christelijk Europa in de Middeleeuwen en tot in de negentiende eeuw veel slechter dan in landen met een moslimmeerderheid. Onder de autoriteiten die zichzelf als christelijk omschreven, waren de Joden het slachtoffer van een veel ergere vervolging dan de periodieke discriminatie en vervolging waaronder ze te lijden hadden onder de autoriteiten die zichzelf als moslim omschreven.

Het moderne tijdperk dat volgde op het tijdperk van de Verlichting en de Franse Revolutie aan het einde van de 18e eeuw maakte echter geleidelijk een einde aan die vervolging in West-Europa, met de verspreiding van het moderne begrip burgerschap gebaseerd op gelijke rechten. Met de geleidelijke democratische veranderingen verbeterde de toestand van de Joden geleidelijk in West-Europa tussen de kusten van de Atlantische Oceaan en de oostelijke grenzen van Duitsland en Oostenrijk. Het ontwikkelde zich langszaam in de richting van integratie van de Joden in lokale samenlevingen en het einde van hun discriminatie. Maar de eerste grote crisis die de kapitalistische wereldeconomie trof in het laatste kwart van de 19e eeuw, de Lange Depressie zoals die wordt genoemd, wakkerde verschillende xenofobe tendensen aan. Zoals alle sociale crises stimuleerde die de zoektocht van extreemrechtse groeperingen naar zondebokken om de woede van hun samenlevingen te mobiliseren ten dienste van hun reactionaire projecten.

In dezelfde periode was Oost-Europa, met name het grootste deel binnen het Russische Rijk, getuige van een late uitbreiding van de kapitalistische productiewijze. Die late kapitalistische transformatie ‒ waarvan het ontwrichtende effect werd versterkt en gecompliceerd door de gelijktijdigheid met het meer geavanceerde kapitalisme in het Westen en met de Lange Depressie ‒ leidde tot een acute sociale crisis met een versnelde vlucht van het platteland. Het gevolg was dat xenofobe tendensen ook in Oost-Europa werden aangewakkerd, waarbij de Joden in het Russische Rijk het voornaamste slachtoffer waren, met name in de gebieden die tegenwoordig tot Oekraïne en Polen behoren. Daar werden de Joden onderworpen aan opeenvolgende pogroms, waardoor ze probeerden te migreren naar West-Europa en Noord-Amerika.

Als gevolg daarvan werden de Joden een geliefd doelwit van xenofobie in West-Europa, waar ze de karakters combineerden van migrerende vreemdelingen en mensen met een vreemde religie. [2] Tegen de achtergrond van de Lange Depressie en de gevolgen daarvan, was West-Europa dus getuige van een heropleving van het anti-judaïsme in een nieuw, modern jasje: een rassentheorie die pretendeert zich te baseren op antropologische wetenschappen en beweert dat de Joden, of de Semieten in het algemeen met inbegrip van de Arabieren, [3] tot een inferieur en slecht ras behoren. Dat was de tijd van de opkomst van het 'antisemitisme', dat zijn vuur concentreerde op de Europese Joden en samenging met de uitbreiding van een fanatiek nationalisme in combinatie met het bepleiten van kolonialisme. De Lange Depressie had de concurrentie over de verdeling van de aardbol tussen koloniale metropolen in het tijdperk van wat 'imperialisme' wordt genoemd, versterkt.

Het is tegen diezelfde achtergrond dat de moderne zionistische beweging werd geboren als staats-zionisme, gericht op de oprichting van een Joodse staat in tegenstelling tot eerdere of hedendaagse vormen van spiritueel of cultureel zionisme. Zoals bekend was de oprichter van de beweging, Theodor Herzl, een geassimileerde Oostenrijkse Jood die tot zijn zionistische overtuigingen kwam nadat hij als journalist in Parijs verslag had gedaan van het proces tegen de Franse officier van Joodse afkomst Alfred Dreyfus, een slachtoffer van het opkomende antisemitisme in zijn land. Die affaire bracht Herzl ertoe zijn beroemde boek-manifest De Joodse Staat (Der Judenstaat) te schrijven, dat in 1896 uitkwam en de basis vormde voor het eerste zionistische congres dat in 1897, anderhalf jaar na de publicatie van het boek, in de Zwitserse stad Bazel werd bijeengeroepen.

Er is een belangrijk kwalitatief verschil tussen de zionistische ideologie zoals uitgewerkt door Herzl en de nationale ideologieën die ontstonden in Europa in de eerste helft van de 19e eeuw of in de koloniale landen in de eerste helft van de 20e eeuw. Terwijl de meeste van die ideologieën tot het democratische emancipatoire denken behoorden, behoorde de moderne zionistische ideologie tot het fanatieke en kolonialistische nationalisme dat toen in opkomst was. Het is inderdaad onbetwistbaar dat het zionisme het resultaat is van Joodse onderdrukking en een reactie daarop ‒ Herzl zelf legde in het voorwoord van zijn boek uit hoe 'de ellende van de Joden' de 'drijvende kracht' is van de beweging die hij wilde creëren ‒ maar het is ook onbetwistbaar dat het zionisme zoals getheoretiseerd door Herzl een ideologie is die in wezen is ingekaderd door reactionair en kolonialistisch denken.

Afgezien van de manier waarop het werd gezien door arme en zwaar vervolgde Oost-Europese Joden, die zich eraan vastklampten als aan een reddingsboei, was het zionistische project van Herzl in werkelijkheid in de kern een ontwerp van een geassimileerde seculiere Oostenrijkse Jood, gericht op het verdrijven van arme religieuze Joden uit Oost-Europa, wier migratie naar het Westen het bestaan van hun West-Europese geloofsgenoten had verstoord. Herzl erkende dat met opvallende botheid in de inleiding van zijn boek:

De 'geassimileerden' zouden nog meer dan de christelijke burgers profiteren van de verwijdering van de tribale Joden. Want de geassimileerden zouden verlost zijn van de verontrustende, onvoorspelbare, onvermijdelijke concurrentie van het Joodse proletariaat, dat door politieke druk en economische tegenspoed van plaats naar plaats, van land naar land wordt gedreven. Dat zwervende proletariaat zou worden vastgepind. Nu kunnen sommige christelijke burgers ‒ ze worden antisemieten genoemd ‒ zich verzetten tegen de immigratie van buitenlandse Joden. De Israëlitische burgers kunnen dat niet, hoewel zij veel ernstiger worden getroffen; want ze worden allereerst onder druk gezet door de concurrentie van hen die soortgelijke beroepen uitoefenen en die antisemitisme importeren of het bestaande antisemitisme verergeren.

De geassimileerden voelen zich stiekem ellendig en uiten hun grief in 'liefdadige' inspanningen. Ze richten emigratieverenigingen op voor rondtrekkende Joden. Dat fenomeen bevat een beeld dat men komisch zou kunnen vinden als het niet om lijdende mensen ging. Sommige van die hulporganisaties zijn er niet voor de vervolgde Joden, maar tegen hen. De allerarmsten worden alleen maar vrij snel, vrij ver weg weggestuurd. En zo ontdek je bij nauwkeurige observatie dat menig ogenschijnlijke vriend van de Joden slechts een antisemiet van Joodse afkomst is, vermomd als weldoener.

Maar zelfs de pogingen tot kolonisatie door echt goedbedoelende mannen zijn nog niet succesvol gebleken, hoewel het interessante pogingen waren... Die experimenten waren in zoverre interessant dat ze de praktische voorlopers van het idee van de Joodse staat op kleine schaal vertegenwoordigden.

Het nieuwe idee dat Herzl bracht ter vervanging van de mislukte 'filantropische' koloniale ondernemingen die hij noemde ‒ de meest prominente werd gefinancierd door de familie Rothschild ‒ was om over te schakelen van liefdadige acties naar een politiek project dat geïntegreerd was in het Europese kolonialistische kader, gericht op de stichting van een Joodse staat die bij dat kader zou horen en het zou versterken. Herzl realiseerde zich dat de christelijke antisemieten de grootste voorstanders van zijn project zouden zijn. Zijn belangrijkste argument, in de paragraaf getiteld 'Het Plan' van het tweede hoofdstuk van zijn boek, is het volgende: 'Het ontstaan van een nieuwe soevereiniteit is niet belachelijk of onmogelijk... De regeringen van landen die getroffen zijn door antisemitisme zijn zeer geïnteresseerd in het verkrijgen van soevereiniteit voor ons.'

Het enige wat nog nodig was, was om het grondgebied te kiezen waarop het zionistische project zou worden verwezenlijkt:

Twee gebieden komen in aanmerking: Palestina en Argentinië. Op deze twee punten hebben opmerkelijke pogingen tot kolonisatie plaatsgevonden. Ze waren echter gebaseerd op het valse principe van de voortdurende infiltratie van Joden. Infiltratie moet altijd slecht aflopen. Want regelmatig komt het moment dat de overheid op aandringen van de bevolking, die zich bedreigd voelt, de verdere instroom van Joden blokkeert. Emigratie heeft daarom alleen zin als de basis ervan onze veilige soevereiniteit is. De Jodenvereniging zal onderhandelen met de huidige soevereinen, onder protectoraat van de Europese mogendheden, als de zaak voor hen zinvol is.

Tegen het einde van het laatste hoofdstuk van zijn boek, waar hij de 'Voordelen van Joodse migratie' uitlegt, verzekert Herzl dat de regeringen aandacht zullen schenken aan zijn plan 'hetzij vrijwillig, hetzij onder druk van de Antisemieten'. Zijn dagboeken bevatten veel opmerkingen over de complementariteit tussen zijn project om de arme Joden het Europese continent uit te sturen en de wens van de antisemieten om van hen af te komen. Hij voorspelde zelfs aan het begin van zijn eerste dagboek (1895) dat de Joden zich zullen aanpassen aan de wreedheid van de antisemieten en die zullen imiteren in hun toekomstige staat.

Maar het antisemitisme, dat een sterke en onbewuste kracht is onder de massa, zal de Joden niet schaden. Ik beschouw het als een beweging die nuttig is voor het Joodse karakter. Het vertegenwoordigt de opvoeding van een groep door de massa en zal er misschien toe leiden dat de groep wordt geabsorbeerd. Opvoeding wordt alleen bereikt door harde klappen. Er zal een Darwinistische nabootsing plaatsvinden. De Joden zullen zich aanpassen.

Volgens het plan van hun geestelijke vader Herzl deden de leiders van de zionistische beweging hun uiterste best om de steun van een van de grote Europese mogendheden te krijgen voor hun project, dat al snel uitsluitend op Palestina was gericht. Ze profiteerden van de overdracht van het land van Ottomaanse overheersing naar Britse overheersing in de context van de Eerste Wereldoorlog na de verdeling van de Ottomaanse buit tussen de Britten en de Fransen vanaf het beruchte Sykes-Picot akkoord in 1916.

Sindsdien richtten de inspanningen van de zionistische leiders zich op Londen. De leider van het Britse zionisme, Chaim Weizmann, vertrouwde op de Brits-Joodse magnaat en voormalig parlementslid Lord Walter Rothschild. Hun gezamenlijke inspanningen waren succesvol in het verkrijgen van de bekende belofte van minister van Buitenlandse Zaken Arthur Balfour op 2 november 1917. In zijn brief verzekerde Balfour dat 'de regering van Zijne Majesteit [Koning George V] de vestiging van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina gunstig beoordeelt en haar uiterste best zal doen om de verwezenlijking van dat doel te vergemakkelijken...'. Die beruchte verklaring maakte natuurlijk deel uit van de Britse imperialistische berekeningen van die tijd, in de context van de voortdurende concurrentie tussen Groot-Brittannië en de twee bondgenoten die de overwinning in de oorlog deelden ‒ Frankrijk en de Verenigde Staten.

De historische omstandigheden van de Balfour Verklaring waren volledig in overeenstemming met de opvattingen van de 'profeet' van het zionisme, Theodor Herzl. Arthur Balfour zelf was een van die antisemitische christenen van wie Herzl wist dat ze de beste bondgenoten van het zionisme zouden worden. De Britse minister van Buitenlandse Zaken werd inderdaad beïnvloed door het christelijke zionisme, de christelijke stroming die de 'terugkeer' van de Joden naar Palestina steunt.

Het ware doel van die steun ‒ in de meeste gevallen onuitgesproken, maar soms openlijk ‒ is om van de Joodse aanwezigheid in landen met een christelijke meerderheid af te komen. Christelijke zionisten zien in de 'terugkeer' van de Joden naar Palestina een vervulling van de voorwaarde van de wederkomst van Christus, die zal worden gevolgd door het Laatste Oordeel dat alle Joden die zich niet tot het christendom hebben bekeerd naar het eeuwige lijden in de hel leidt. Diezelfde stroming vormt tegenwoordig in de VS de trouwste aanhanger van het zionisme in het algemeen en van zionistisch rechts in het bijzonder.

Toen hij premier was (1902-1905), vaardigde de schrijver van de beruchte Verklaring, Arthur Balfour zelf, de Vreemdelingenwet van 1905 uit, die tot doel had de immigratie naar Groot-Brittannië van Joodse vluchtelingen uit het Russische Rijk te stoppen. Het is de moeite waard om hier te wijzen op een historisch feit dat zelden wordt vermeld: Edwin Samuel Montagu was de enige Britse minister die zich verzette tegen het streven van Balfour om zijn verklaring uit te vaardigen en de enige minister die zich volledig tegen het zionistische project verzette. Hij was toevallig het enige Joodse lid van het kabinet onder leiding van David Lloyd George, waartoe Balfour behoorde, en pas de derde Joodse minister in de Britse geschiedenis.

Montagu waarschuwde dat de zionistische onderneming zou leiden tot de verdrijving van de inheemse Palestijnen en in alle andere landen de stromingen zou versterken die zich van de Joden wilden ontdoen. In een memorandum dat hij in augustus 1917 aan het Britse kabinet voorlegde, nadat hij kennis had genomen van wat de Balfour Verklaring zou worden, verklaarde hij onomwonden: 'Ik wil als mijn mening laten optekenen dat het beleid van Zijne Majesteits regering antisemitisch is en als gevolg daarvan een verzamelplaats zal blijken voor antisemieten in elk land ter wereld.' [4]

Zoals Herzl verwachtte, kwam het zionistische project tot stand onder de bescherming van een grote Europese mogendheid als onderdeel van haar koloniaal-imperialistische plannen. Dit project had niet gerealiseerd kunnen worden zonder een dergelijke bescherming en zonder te worden geïntegreerd in een veel groter koloniaal-imperialistisch kader. Want het 'Joodse volk' dat Herzl wilde voorzien van een eigen staat was een 'ingebeeld' volk, zonder politieke instelling die het als volk zou vormen en zonder de kracht die nodig was om deel te nemen aan de koloniale wedloop van het einde van de 19e eeuw.

Door de Zionistische beweging op te richten, wilde Herzl die ontbrekende politieke instelling creëren en die sturen in de richting van samenwerking met een van de grootmachten. Het zionistische project was dus vanaf het begin structureel afhankelijk van de bescherming van een grootmacht, zoals Herzl had voorzien. Die afhankelijkheid heeft de geschiedenis van de Zionistische beweging en later die van haar staat tot nu toe gekenmerkt. Er zal geen einde aan komen zolang de staat Israël gebaseerd is op koloniale onderdrukking, want het natuurlijke gevolg daarvan is vijandschap met het Palestijnse volk en de andere volkeren rond Palestina tot een niveau dat bescherming van Israël door een externe grootmacht vereist. De Verenigde Staten spelen die rol al sinds de jaren zestig.

Kortom, het zionisme is geen 'normale' beweging van nationale bevrijding die het tweeledige karakter deelt van veel van dergelijke bewegingen die strijden tegen koloniale onderdrukking terwijl ze andere gemeenschappen onderdrukken, of ze nu nationaal zijn of van een andere aard. Dat is de bewering van de aanhangers van Israël die niet zo fanatiek zijn dat ze de onderdrukking door de zionistische staat ontkennen. In feite is de zionistische beweging echter gebouwd op uitbuiting van de onderdrukking van de Joden en op de hulp van antisemieten om een koloniale staat te creëren die structureel is geïntegreerd in het imperialistische systeem ‒ en niet een postkoloniale staat zoals wordt beweerd.

Door een zeer ongelukkige wending in de geschiedenis bereikte het antisemitisme een hoogtepunt in het twintigste-eeuwse Europa met de opkomst van de nazi's en de latere uitvoering van hun genocidale project, waardoor grote aantallen Europese Joden gedwongen werden hun toevlucht te zoeken in het zionisme, omdat andere vormen van antisemitisme de deuren van de VS, Groot-Brittannië en andere landen voor hun neus hadden dichtgeslagen. Zo kon de zionistische staat ontstaan en zichzelf afschilderen als een verlossende compensatie voor de genocide op de Joden door de Nazi's. Die historische omstandigheden hebben die staat in staat gesteld om de inheemse Palestijnen te onderdrukken in een mate die zeker veel verder ging dan wat de stichters van het zionisme, Herzl inbegrepen, hadden verwacht.

Vandaag de dag ‒ een eeuw na de Balfour Verklaring, bijna 70 jaar na de stichting van de staat Israël op achtenzeventig procent van het grondgebied van het Britse Mandaat Palestina en een halve eeuw nadat die staat de resterende tweeëntwintig procent bezette ‒ vertrouwt de zionistische premier Benjamin Netanyahu nog steeds op de hedendaagse antisemieten in Westerse landen om steun te krijgen voor het arrogante koloniale gedrag van zijn staat en regering. Van zijn afhankelijkheid van christelijke zionisten in de VS tot zijn flirt met de antisemitische premier van Hongarije en zijn stilzwijgen over Donald Trump's verdediging van het anti-joodse extreemrechtse Amerika, Netanyahu volgt de recepten van Herzl, maar op een nog moreel lelijkere manier, omdat dat gebeurt na de genocide door de nazi's, die lieten zien tot welke verschrikkingen antisemitisme en andere soorten racisme kunnen leiden.

Noten

[1] Het is waar dat buitenlandse overheersing over een land vaak gebruik probeert te maken van onderdrukte minderheden waarvan de toestand verbeterde als neveneffect van haar aanwezigheid. Dat rechtvaardigt natuurlijk in het geheel niet dat de meerderheid de minderheid onderdrukt na de bevrijding van de buitenlandse overheersing, in plaats van zich te beperken tot het bestraffen van de individuen die met de bezetters hebben samengewerkt bij het plegen van lelijke misdaden ‒ of het nu leden van de minderheid of van de meerderheid zijn ‒ en tegelijkertijd te streven naar het opheffen van de onderdrukking waaronder de minderheid historisch heeft geleden om een nieuwe samenleving van gelijke burgers op te bouwen.

[2] De eerste exponent van die materialistische analyse van de opkomst van het antisemitisme is Abram Leon, Hoe het jodendom de geschiedenis kon overleven. Leon, een Belgische marxistische antizionist van Joodse afkomst, stierf in 1944 in Auschwitz. Zijn Franse manuscript werd in 1946 voor het eerst als boek gepubliceerd.

[3] Het begrip Semieten verwijst naar de Semitische talen, waarvan Hebreeuws en Arabisch vandaag de dag de meest prominente zijn.

[4] 'Memorandum van Edwin Montagu over het antisemitisme van de huidige (Britse) regering', The Balfour Project. Montagu vond het 'ondenkbaar dat het zionisme officieel zou worden erkend door de Britse regering en dat de heer Balfour toestemming zou krijgen om te zeggen dat Palestina opnieuw zou worden ingesteld als het 'nationale thuis van het Joodse volk'. Ik weet niet wat dat inhoudt, maar ik neem aan dat het betekent dat mohammedanen en christenen plaats moeten maken voor de Joden en dat de Joden in alle voorkeursposities moeten worden geplaatst en op een bijzondere manier met Palestina moeten worden geassocieerd, net zoals Engeland dat is met de Engelsen of Frankrijk met de Fransen, dat Turken en andere mohammedanen in Palestina als vreemdelingen zullen worden beschouwd, net zoals Joden hierna in elk land behalve Palestina als vreemdelingen zullen worden behandeld.' Hij voegde er toen zeer vooruitziend aan toe: 'Misschien moet het staatsburgerschap ook alleen worden toegekend als resultaat van een religieuze test.'

Dit artikel stond op Jadaliyya. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Dossier
Soort artikel

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop