Koerden in Turkije

In Adana spreek ik de familie Yurtsever in hun tweekamerwoning, waar zij met vijf kinderen wonen. De familie komt uit Dersim, de van oudsher opstandige Koerdische provincie die fel verzet pleegde tegen de inlijving bij de in 1923 opgerichte republiek Turkije. Ook na het neerslaan van de opstanden in de jaren ‘20 en ‘30 werd het nooit echt rustig in Dersim. De familie Yurtsever is na de militaire staatsgreep van 12 september 1980 en de daaropvolgende repressie Dersim ontvlucht.

Oorlog en embargo
Ieder jaar keren vader en moeder Yurtsever korte tijd terug naar Dersim, om het huis en de grond te onderhouden met het oog op een terugkeer in betere tijden. Ze zijn net geweest. ‘We leefden voortdurend in angst’ vertelt moeder Yurtsever. ‘Elke nacht hoorden we de gevechten tussen de PKK en het leger. In de dorpen zie je alleen oude mensen zoals wij. De jongeren zijn gevlucht naar de steden. Maar ook voor ons ouderen tonen de soldaten geen respect. Ze vragen wat we hier zoeken en slaan ons in het gezicht, omdat we Koerden zijn en de guerrilla zouden steunen.’ De 22 jarige Murat is vijf jaar geleden voor het laatst in Dersim geweest. ‘Ik ben bang, niet voor de PKK, die doen ons niets, maar voor het leger’, zegt Murat, die zelf niet met de PKK sympathiseert, maar met de concurrerende PSK. Hij wijst naar zijn vader, die via een houten ladder een matras het dak op torst. ‘Met het warme weer slapen de meeste mensen op het dak. In Dersim is dat levensgevaarlijk. Als de militairen iemand op het dak zien informeren ze of iedereen in het huis is. Als je ja zegt, beschouwen ze degene op het dak als een guerrillastrijder en openen ze het vuur. Soms schieten ze zonder vragen, omdat niemand buiten mag zijn vanwege het nachtelijk uitgaansverbod.’ Vader, die inmiddels van het dak terug is, vertelt. ‘Tegen de dorpen in de provincie is een embargo. Per dag krijgen we toestemming voor het kopen van een brood voor vier personen. De militairen zijn bang dat we voedsel aan de guerrilla geven.’
Murat is een van de vele werklozen in Adana. Hij vult z’n dag met muziek van de populaire Koerdische zanger Ciwan Haco, slenteren en discussiëren met zijn vrienden. Over literatuur, maar ook over politiek en de gewapende strijd van de PKK en het Turkslinkse DHKP-C. Murat hoopt toegelaten te worden op de universiteit. Vorig jaar werd hij uitgeloot. Als hij dit jaar weer buiten de boot valt, moet hij het leger in. ‘Ik ga niet. Ik wil niet vechten in Koerdistan’, zegt hij zelfverzekerd, ‘Als ik wordt opgeroepen vlucht ik naar Europa.’

Verbanning
Een dag voor de uitspraak in het proces tegen Abdullah Öcalan marcheren soldaten door de straten van Diyarbakir. Zij roepen om de doodstraf. De bevolking slaat ze vijandig gade. De onderwijzersvakbond Egitim Sen kreeg geen toestemming om te demonstreren. De vakbond had in juli willen protesteren tegen de vele verbanningen van onderwijzers. Sinds januari 1998 zijn 114 leraren verbannen naar steden in het westen van Turkije, omdat zij kritisch staan tegenover het onderwijsprogramma.
‘Ik moet mijn leerlingen voorhouden dat ze Turk zijn en daar trots op moeten zijn.’ vertelt Niyazi, leraar aan een lagere school. ‘Maar de meesten zijn Koerd en spreken Koerdisch, maar dat is een taal die bij wet verboden is, die ik op school niet mag spreken, waarvan ik het bestaan zelfs moet ontkennen. Dat weiger ik.’ Een deel van zijn leerlingen komt uit dorpen die door het leger zijn verwoest. Zij zitten in elkaar gedoken in de klas en zeggen geen woord. Sommige leerlingen snuiven lijm. Niyazi weet niet wat hij er aan kan doen. Hij weet wel wat de oorzaak is: de oorlog en de politiek van etnische ontkenning die de Koerdische samenleving ontwricht. Niyazi weigert daarom mee te werken aan de assimilatiepolitiek. Hij is al gewaarschuwd door de onderwijsinspectie, maar: ‘Ik ben niet bang verbannen te worden. Als dat gebeurd zal ik naar de stad gaan waar de autoriteiten me heen sturen. Ik zal kijken of ik daar volgens mijn idealen kan werken en politieke vrienden kan vinden. Als dat niet zo is, ga ik terug naar Diyarbakir. Dan neem ik ontslag als leraar en ga op het land van m’n vader werken.’
Sirin is lid van het vakbondsbestuur dat een rapport heeft gemaakt over de verbanningen. Zij noemt de verbanningsmaatregel ‘witte moord’. De verbanningen volgen op een reeks van moordaanslagen, waarbij 27 onderwijzers zijn gedood. Zeventien slachtoffers waren lid van de vakbond in Diyarbakir, de andere tien van afdelingen in de provincie. De meeste zijn vermoord in de periode 1992-1996. De verantwoordelijken zoekt de bond bij de ‘contraguerrilla’, de aan de Turkse staat gelieerde (para)militaire organisaties.

Stad in verzet
Verbetert de onderwijssituatie onder het nieuwe stadsbestuur in Diyarbakir? vraag ik me af. De burgemeester is immers lid van de HADEP, de partij die opkomt voor de Koerden en dicht bij de PKK staat. Voor ik de vraag kan stellen, is ze al beantwoord. ‘Het nieuwe gemeentebestuur zal zich vooral richten op goede drinkwatervoorziening, de afvalproblematiek en maatregelen ter verbetering van de volksgezondheid. Terreinen die buiten onze bevoegdheid liggen en een aangelegenheid zijn van de nationale regering of de gouverneur zijn openbare orde en politie, regelgeving en onderwijs. Hier kunnen we geen invloed op uitoefenen’, vertelt Bulent Ipek, woordvoerder van de burgemeester.
De verkiezingen van april, die in Turkije een regeringscoalitie met de partij van de Grijze Wolven aan de macht brachten, brachten in de Koerdische gebieden een politieke aardverschuiving te weeg. De HADEP won burgemeestersposten in 37 gemeenten, waaronder acht grote steden. Bulent Ipek: ‘De overwinning brengt de HADEP in beeld als een brug voor een vreedzame oplossing van de Koerdische kwestie.’ Toch waarschuwt Ipek voor te hoog gespannen verwachtingen. ‘Het gemeentebestuur in de Koerdische gebieden waar de noodtoestand van kracht is heeft niet veel bevoegdheden. Zowel de agenda van de raadscommissie als de besluiten moeten worden goedgekeurd door de gouverneur. Zonder zijn handtekening kunnen we niets doen. Bovendien kan de centrale regering in Ankara ons, met tal van wetten en regels, het besturen onmogelijk maken.’ Ipek geeft als voorbeeld de financiële situatie waarin de stad verkeert. HADEP kreeg van het vorig gemeentebestuur een erfenis mee van 150 miljoen dollar aan schulden. De jaarlijkse inkomsten van de stad zijn 500.000 dollar, alleen al salarissen en afdrachten aan de deelgemeenten kosten respectievelijk 800.000 en 150.000 dollar. ‘Er is een wet in Turkije die bepaald dat gemeente-uitgaven het budget met maximaal 30 procent mogen overschrijden. Als dat strikt wordt toegepast, kunnen we niet eens de salarissen uitbetalen, laat staan werken aan een betere stad.’ Ipek verwacht dat de centrale overheid de HADEP het vuur aan de schenen zal leggen. ‘Ik denk dat Ankara de regels strikt zal toepassen om zo de HADEP in de gemeentebesturen te laten mislukken en ons in de ogen van de Koerden te discrediteren.'

Woede
De Turkse regering wil niet inzien dat de HADEP het produkt is van haar eigen onderdrukking. Generaties Koerden groeien op in woede. Zoals de kleine Roza van nog geen zes jaar. In de bus zegt ze venijnig tegen een politieagent die haar over haar hoofd aait: ‘Ik houd niet van jou. Jij hebt mijn vader vermoord.’ Ayten herkent het. Ook zij groeide op met die woede. ‘In 1974 kwam het leger naar ons dorp. Ik was toen vier. De soldaten verzamelden iedereen op het dorpsplein. Zij riepen mijn tante bij zich, ze was zes maanden zwanger. Met gewone elektriciteitskabels gaven ze haar elektroshocks op haar handen, lippen en borsten. Ze kreeg een miskraam en de baby overleed. Mijn moeder zegt dat er in ons dorp nog veel meer verschrikkelijke dingen gebeurden, maar ze wil er niet over praten. Wat ik vertel gebeurde in 1974, toen was er nog geen PKK. Sinds die dag op het dorpsplein had ik een hekel aan Turkije en aan Turken. De enige Turken die ik kende waren soldaten en politieagenten. Pas in mijn studententijd kreeg ik Turkse vrienden. Ik werd actief in Turks Links, maar zij wilden dat we eerst vochten voor socialisme en zeiden dat de Koerdische kwestie daarna vanzelf opgelost zou worden. Maar ik kon niet wachten. Iedere dag weer werd ik verteerd door de verschrikkingen die in mijn land, in Koerdistan, gebeuren. Ik kreeg een afkeer van Turks Links en stopte met hen. Mijn familie is bang dat ik bij de guerrilla ga. Ik hoop echter dat Turkije de uitgestoken hand van Apo aanneemt. Maar doen ze dat niet, dan ben ik, en velen met mij, klaar voor de strijd.’
Onze conversatie wordt overstemt door bruiloftsmuziek. De band zet Koerdische muziek in van Mazlum Dogan, een van de oprichters van de PKK, die in de gevangenis van Diyarbakir is overleden. De vloer van de zaal deint mee met de dansende menigte. Velen maken het V-teken: victorie.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop