De meest gedegen beschouwing is die van Merijn Oudenampsen. Hij ziet als de nieuwe dominante politieke scheidslijn die het rechtspopulisme met succes heeft weten te creëren ‘die van het “recht voor zijn raap†rechtspopulisme tegen de consensuele polderaanpak van de postpolitieke elite.’ Geert Wilders is daarbij in staat gebleken om via een stroman-argumentatie de suggestie dat die elite vooral als ‘links’ geldt, opgang te doen vinden. Anders dan velen bestrijdt Oudenampsen voorts de neiging om populisme te diskwalificeren als ondemocratisch. Veel democratieën zijn immer ‘geleide democratieën.’ Het tegenwoordig in de neoliberale oppositie opgeld doende begrip ‘progressief’ noem hij terecht apolitiek. Ook verzet hij zich tegen het afschrijven van de arbeiders als per definitie rechts. Dit in tegenstelling tot Dick Houtman en Peter Achterberg die in hun betoog de gewrongen en onproductieve tegenstelling economisch en cultureel hanteren, waarbij ze juist stellen dat mensen met een lage opleiding per definitie ongeëmancipeerd en onverlicht zijn. Weinig oog hebben ze ook voor het gegeven dat er voor een groot deel van het PVV-electoraat wel degelijk sprake is van een reële bedreiging in hun leefsituatie door aangekondigde negatieve ingrepen van de overheid en het bedrijfsleven. En het feit dat zij zien dat hun goedopgeleide kinderen het in de crisistijd maatschappelijk en financieel minder goed doen dan zijzelf. Terwijl Houtman en Achterberg nota bene zelf constateren dat er ook een sterke economische stroming in het populisme bestaat – de anti-belastingpartijen – besteden ze geen aandacht aan de ondernemers die de LPF, TON of de PVV steunden.
Bij de benadering van Oudenampsen sluit vooral Jan Blommaert aan in een analyse van de houding tegenover het Vlaams Belang. Hij signaleert daarin ook de overeenkomst tussen de cruciale rol die zowel bij de opkomst van deze partij als de PVV door de media werd vervuld. Het cordon sanitaire heeft zowel de door populisten zo gewenste dichotomie bewerkstelligd als een degeneratie van de politieke mores doordat andere partijen een deel van de ideologie overnamen, waartegen links geen verweer had. Daarom is het VB een zegen voor rechts omdat het midden naar rechts opschuift. Zoals in Nederland VVD en CDA met gedoogsteun van PVV eindelijk hun rechtse hobby's kunnen botvieren.
Wel onderschat Blommaert het effect van het buiten coalities houden van het Vlaams Blok. Jammer dat zijn artikel al was afgesloten voor de verkiezingen van 13 juni 2010. In hun campagnes zetten alle andere partijen zich af tegen de Nieuw-Vlaamse Alliantie van Bart De Wever. Die sprak in dat verband over een nieuw cordon sanitaire. En won de verkiezingen.
Het is jammer dat Sjaak van der Velden de jaarboekversie van zijn betoog ‘Links en de politieke islam’ niet heeft aangepast aan het thema hoe links zich moet verhouden tot het rechtspopulisme. Partijen als de PVV maken immers een cruciaal verschil tussen enerzijds zogenaamde joods-christelijke (humanistische) cultuur en anderzijds de islam. Zij menen ook dat ‘de islam’ niet te verenigen is met ‘onze’ democratie. Terecht maakt Van der Velden dat onderscheid niet – hoewel hij wel Bhagwan een ‘oplichter’ noemt, dat geldt toch binnen dit kader eveneens voor al die pandits, rabbi’s, pastoors, imams en dominees? Maar hij verzuimt te schetsen met welk soort islam links zou kunnen samenwerken. Mooi dat hij stelt dat godsdienst een privé-kwestie is. Maar hoe zit het dan met gelovigen die zelf verklaren dat hun identiteit in eerste instantie door hun geloof wordt bepaald, inclusief het bedrijven van politiek? Ronduit slordig is zijn uitgangspunt dat geseculariseerde gelovigen niets meer met hun achtergrond van doen hebben. Zo concludeert hij dat het joodse element in de arbeidersbeweging tamelijk klein was. Hij gaat dan totaal voorbij aan het feit dat juist de joodse emancipatie een belangrijke drijfveer was voor de jonge moderne vakbeweging. Op dezelfde wijze heeft de katholieke emancipatie van de jaren zeventig van de vorige eeuw de doorbraak binnen het Nederlands Katholiek Vakverbond geforceerd die de vorming van het FNV mogelijk maakte. Een formeel godsdienstig standpunt kan geen maat zijn. De bredere culturele tradities moeten meegenomen worden.
Onbegrijpelijk is ook zijn opmerking dat 'het jodendom.. op wereldschaal slechts een kleine speler is en het westerse christendom grotendeels krachteloos gemaakt'. Hoe een numeriek kleine groep joodse zeloten de midden oosten-politiek beheersen en hoe de evangelische kerken met name vanuit de VS zich stormachtig in Azië, Oost Europa en Afrika uitbreiden is niet iets om onder de mat te vegen.
Ron Blom bespreekt Het dierloze gerecht van Dirk-Jan Verdonk. Deze slaagt er volgens hem in de relatie tussen vegetarisme, sociale bewegingen en de latere linkse politiek te verhelderen. Met oog voor de maatschappelijke omstandigheden - vlees als symbool van naoorlogse welvaart – voor de structurele problemen die de productie en distributie van vlees veroorzaken en het wereldvoedselvraagstuk dat mede veroorzaakt wordt door de vleesconsumptie op het noordelijk halfrond.
Historisch gezien echter oordeelt Blom te hard over Jan Romein die lang geleden het vegetarisme een van de ‘kleine geloven’ noemde. Want destijds was vegetarisme even weinig aan empirie onderhevig als de vleespropaganda. En het zou niet overbodig zijn geweest als Blom had aangegeven dat de veganist Volkert van der Graaf niet uit milieumotieven Pim Fortuyn vermoordde, maar ‘om de combinatie van de algemene stigmatiserende politieke denkbeelden van Fortuyn, de polariserende wijze waarop deze die voor het voetlicht bracht en de grote politieke macht die Fortuyn dreigde te krijgen’.
De bundel publiceert ook enkele brieven van de syndicalist Christiaan Cornelissen. Hieruit kinkt de oproep om de vakbewegingsbureaucratie aan de kant te zetten en zelf te organiseren. Een eeuw later, blijft dit nog uiterst relevant.
Kritiek: jaarboek voor socialistische discussie en analyse
Reactie toevoegen