Borderless

13 November 2019

Latijns-Amerika en de wereldwijde reactionaire golf

De realiteit van de huidige draai naar rechts in Latijns-Amerika is even duidelijk als haar instabiliteit. Laat u niet misleiden: het gaat hier niet om een impasse of 'hegemonisch evenwicht'. De krachtsverhoudingen zijn slechter dan in de vorige golf, zoals blijkt uit de opkomst van een autoritair fenomeen in Brazilië, de 'gematigde' ommezwaai van de politiek van Kirchner, de permanente dreiging van een staatsgreep in Venezuela of de risico's van rechtse overwinningen in Bolivia en Uruguay. [leestijd 15 minuten]

De verschuiving naar rechts in Latijns-Amerika is echter gebaseerd op een nog steeds wisselende dynamiek met enkele duidelijke breuklijnen: de overwinning van AMLO [Andrés Manuel López Obrador, de president van Mexico] en de val van het oude regime in Mexico, de overweldigende electorale nederlaag van Macri in Argentinië, het vastlopen van het imperialisme en rechts in Venezuela, de vitaliteit van sommige sociale bewegingen (met name de feministische beweging, maar ook de arbeidersbeweging in sommige landen).

Ook in Brazilië is het resultaat op dit moment onduidelijk: Bolsonaro maakt aanzienlijke vooruitgang met zijn grote hervormingen (pensioenen, belastingen), maar is onderhevig aan toenemend ongenoegen, instabiliteit en een opkomende strijd van de massabeweging. We zien geen veralgemeende 'Bolsonarisering' van de regio, de draai naar rechts gaat door, maar op een onstabiele wijze en we hebben nog geen strategische nederlaag van de volksklassen gezien.

Wereldwijd hebben de heersende klassen het initiatief, maar ze zijn er niet in geslaagd een nieuwe hegemonie te vestigen of een nieuwe krachtsverhouding tussen de klassen te stabiliseren. Zelfs in deze voor de volksklassen defensieve context (of een reactionaire context in het geval van Brazilië) wordt het kapitalistische offensief vertraagd door sociaal verzet, en hoewel de juridische- en mediavervolging en de repressie van sociale strijd toeneemt, is het tot nu toe niet mogelijk geweest om nieuwe autoritaire politieke regimes te stabiliseren (de gemilitariseerde Colombiaanse staat heeft al een lange geschiedenis). Het beleid van de rechtse regeringen vordert, maar ze verliezen geleidelijk aan hun massabasis en worden geconfronteerd met terugkerende sociale strijd of electorale tegenslagen, echter zonder de opkomst van een alternatief politiek en sociaal blok. We zouden de regionale situatie kunnen definiëren als 'hegemonische instabiliteit', om een uitdrukking van Poulantzas te gebruiken.

De jaren dertig in slow motion?

In de jaren negentig stelde Tony Cliff dat er een fase was aangebroken die omschreven kon worden als 'de jaren dertig in slow motion'. De formule had veel beperkingen. Hij negeerde de betekenis van de golf die begon met de kapitalistische restauratie in het Oosten en het neoliberale offensief, dat wil zeggen een historische nederlaag die het idee van een sociaal levensvatbaar alternatief voor het kapitalisme voor lange tijd zou doen verdwijnen. Men kan ook nauwelijks spreken van een revolutionaire dreiging van de arbeidersklasse, zoals die de politieke polarisatie van de jaren dertig van de vorige eeuw kenmerkte.

Als we echter rekening houden met de typische neiging van historische analogieën om meer de overeenkomsten dan de verschillen te benadrukken, zien we dat de formule ondanks alles een element van waarheid bevat. In het kielzog van een nieuwe historische crisis van het kapitalisme zijn we getuige van de langzame verduistering van een wereld. In een minder snel tempo dan in de jaren dertig van de vorige eeuw zien we de langzame afbrokkeling van een zeker politiek-maatschappelijk evenwicht, met zijn politieke vertegenwoordigingen, zijn ideologische opvattingen en zijn cultuur. In de ruimte die is overgebleven door het verval van de traditionele partijen, die het kapitalisme sinds de naoorlogse periode hebben geleid, ontstaan nieuwe politieke fenomenen, waarvan velen morbide. Ondanks nieuwe sociale strijd is de spiraal van nederlagen van de arbeidersklasse niet doorbroken, zodat de verhouding tussen sociale en politieke krachten de neiging heeft om extreemrechts als uitweg uit de sociale onrust te bevoordelen.

Het kapitalisme veranderde na elke grote crisis (1873, 1930, 1973). Elke keer was er sprake van een diepgaande transformatie, die niet alleen het economische terrein, maar ook de articulatie van het hele kapitalistische systeem aantastte en veranderingen op politiek, institutioneel en ideologisch vlak met zich meebracht. We weten niet welke wereld we aan het einde van de huidige overgang zullen aantreffen, maar op dit moment kunnen we zien dat autoritaire versterking van de staat een van de grote hedendaagse ontwikkelingen is. De VS van Trump, het Brazilië van Bolsonaro, het Rusland van Poetin, het 'liberaal-Stalinistische' China, de groei van extreemrechts in West-Europa (de 'bakermat van de sociaaldemocratie'), het islamitisch fundamentalisme in het Midden-Oosten, zijn allemaal voorbeelden van een wereld die met de dag vijandiger wordt.

Tegen het einde van de jaren zeventig kondigden marxistische auteurs als Poulantzas de consolidatie van een 'autoritaire staat' aan als de normale regeringsvorm van het kapitalisme. Het opgaande neoliberalisme zou echter gezien kunnen worden als een vergelijkbare vorm van politieke overheersing die zich volledig het vluchtige uiterlijk van de democratie heeft aangemeten. Vóór de val van de Berlijnse muur en het uiteenvallen van het 'socialistische kamp' sloot een triomfantelijk kapitalisme de 'eeuw van uitersten' af en riep de overwinning uit in het slepende conflict tussen 'democratie en totalitarisme'. Het huwelijk van de markteconomie en de liberale democratie werd toen gepresenteerd als het 'einde van de geschiedenis'. Nu, ten tijde van de overheersende crisis van het neoliberale kapitalisme, wordt de band tussen democratie en neoliberalisme doorbroken en ontwikkelt zich een geleidelijke versterking van de dwingende invloed van de politieke overheersing.

Er is nog een andere, angstaanjagender optie. Namelijk dat de autoritaire ontwikkeling niet alleen berust op de behoefte van de heersende klassen om de dwang te versterken in een context van crisis van hegemonie, maar ook het gevolg is van een 'druk van onderaf'. Het zou niet louter een radicalisering van het traditionele rechtse denken zijn, dat wordt opgelegd door het gebrek aan alternatieven en de demoralisatie van links en de onderdrukten, maar het zou extreem-rechts zijn dat erin slaagt om te kapitaliseren en af te stemmen op de ontevredenheid van het volk.

Met andere woorden, omdat het neoliberale kapitalisme een sociale omgeving van onzekerheid, arbeidsinstabiliteit en commerciële anomie heeft veralgemeend, begint het verlangen naar 'orde' een 'populaire eis' te worden. Het zou in dit geval niet alleen de opkomst van een autoritair individualisme zijn - de sinistere schaduw van het traditionele liberalisme, dat zijn verlangen naar 'respect voor eigendom en het individu' met zich meebrengt - maar een autoritaire wending die een 'verlangen naar gemeenschap' en een collectieve bescherming van de volksklassen tegen de ontketende onpersoonlijke krachten van de markt uitdrukt. In dit tweede geval zou het nieuwe autoritaire rechts een groter potentieel hebben om hegemonie op te bouwen.

Argentinië, Brazilië en nieuw Latijns-Amerikaans rechts

De opkomst van Bolsonaro in de Latijns-Amerikaanse reus [Brazilië] dwingt tot het weer opnemen van het debat over het fascisme. Worden we echt geconfronteerd met een hedendaagse vorm van fascisme? We moeten de term strikt toepassen en niet lichtvaardig gebruiken. Het is geen synoniem voor 'autoritair kapitalisme' of een geschikte kwalificatie voor een militaire dictatuur of repressief Bonapartisme. Aan de ene kant is het duidelijk dat geen van de huidige uitingsvormen van extreemrechts een eenvoudige herhaling van het historische fascisme is. Maar om te zeggen dat geen enkele historische ervaring hetzelfde is als een andere, is een trivialiteit. Het gaat er in ieder geval om te weten of de fenomenen van de jaren dertig van de vorige eeuw nuttige referenties vormen in het denken over de huidige wereld, waarin we allerlei autoritaire ontwikkelingen weer op zien komen.

Naar mijn mening verschilt het fascisme van andere reactionaire en autoritaire bewegingen in die zin dat het gekleed gaat in de kledij van de rebellie (tegen politici, financiën, elites, enzovoort) en dat het daardoor kan profiteren van diverse frustraties van het volk in een programma dat 'bevrijding' en autoritarisme met elkaar versmelt. Dit is de kern van de tegenstrijdige, raadselachtige en eigenaardige aard van het fascisme. Het is een beweging die probeert methoden van burgeroorlog tegen de arbeidersklasse, links en democratische rechten te institutionaliseren, gedreven door een grote reactionaire massamobilisatie. George L. Mosse definieert het als een 'burgerlijke antiburgerrevolutie', Togliatti als een 'reactionair massaregime', Enzo Traverso als een 'revolutie tegen de revolutie'. Al deze definities proberen dezelfde paradoxale kern te vangen. 1)

Is er een nieuw sociaal autoritarisme in opkomst in Latijns-Amerika? Zijn we getuige van de opkomst van een extreemrechts fenomeen met een massaal gewicht waarvan de Braziliaanse regering slechts de duidelijkste uitdrukking is? Wat is de relatie met de voorafgaande 'progressieve golf'?

Er is een zeer wijdverbreidde  verklaring voor de achterwaartse beweging van het 'progressivisme' die de herverdelende maatregelen ervan in verband brengt met de opkomst van een vijandige sociale klasse die het gevolg is van ditzelfde beleid. Deze regeringen, die bepaalde sociale lagen uit de armoede hebben gehaald, zouden een nieuwe middenklasse hebben opgebouwd die toegang had tot consumptie en die de kenmerkende aspiraties heeft van de traditionele middensectoren die politiek vertegenwoordigd zijn op rechts. Latijns-Amerikaanse regeringen zouden hun eigen doodgravers gecreëerd hebben, dezelfde mensen die van hun beleid hebben geprofiteerd. Op deze manier wordt een tragisch beeld van deze ontwikkelingen gegeven, waarbij ieder radicalisme functioneel is voor de reactie en elk beleid in het belang van het volk een vijandig sociaal subject opbouwt. Deze 'ijzeren kooi' van het mogelijke is het favoriete beeld van hen die geloven dat de progressieve regeringen verder zijn gegaan dan hun samenlevingen wilden en dus geconfronteerd werden met een conservatieve reactie.

Deze verklaring zouden we moeten toetsen aan een vergelijking met de klassieke ervaringen van 'klassenbetrokkenheid' uit de jaren veertig en vijftig (Vargaïsme, Peronisme en dergelijke). Die werden gekenmerkt door een nog veel sterkere veralgemenisering van de consumptie van de volksklassen, maar het staat buiten kijf dat ze leidde tot de consolidatie van deze regeringen als duurzame volksidentiteiten (peronisme) in plaats van hun verval te veroorzaken. We moeten deze kwestie dus nader bekijken.

De politiek van Kirchner in Argentinië maakte de toegang tot een hoger niveau van privé-consumptie tot de manier om haar gematigde herverdelingsbeleid uit te voeren en betrok de massabeweging niet als actief sociaal subject, maar maakte van de bevolking een passieve begunstigde van het verticale beleid dat van de staat uitgaat. Het was dan ook normaal dat deze politieke component werd verdoezeld en succes uitsluitend werd toegeschreven aan persoonlijke privé-inspanningen. Deze verdoezeling kon vervolgens worden geradicaliseerd tot een ‘verdienstelijk individualistische’ opvatting, die vijandig staat tegenover de politisering van sociale behoeften en de tussenkomst van de staat. Macri probeerde die opvatting te bundelen en te stimuleren.

Empirische studies (of eenvoudige demografische analyses van verkiezingen) tonen echter aan dat de sociale lagen die het meest vijandig staan tegenover progressieve regeringen niet die lagen zijn die rechtstreeks van hun beleid profiteren, maar eerder de 'relatief achtergestelde' lagen, degenen die minder profiteerden dan andere, meer verarmde sectoren, en die het gevoel hebben dat hun culturele status beschadigd wordt door deze 'vergelijking' (soms meer denkbeeldig dan echt). Hier zien we wat de Argentijnse politicoloog Juan Carlos Torre noemt ‘de politieke gevolgen van sociale versnippering, de vooroordelen van de lagere middenklasse tegenover de armste sectoren. Zoals de sociologie ons leert dat het gebruik van stigma's waarschijnlijker is naarmate de bevolking dichter bij sociale of culturele tegenstellingen staat, en zoals antropologen en journalisten ons vertellen, is in buurten van de lagere middenklasse de visie op de armen - dat ze lui zijn, van de staat leven, en omdat ze heel dichtbij wonen een bron van onveiligheid zijn - wijdverbreid.' 2) De formele arbeidersklasse (dat deel van de arbeidersklasse in de formele economie) vertoont dan ook de neiging om welzijnsbeleid en immigratie af te wijzen en is meer geneigd om repressief beleid en starre hiërarchieën te legitimeren. In zekere zin handelt een groot deel van deze sociale laag politiek en ziet zichzelf symbolisch (in de afwijzing van de meest verarmde sectoren die afhankelijk zijn van de informele economie en overheidssteun) op dezelfde manier als de oude middenklasse in het tijdperk van de ontluikende peronistische arbeidersklasse.

De politiek van Kirchner creëerde een breed welvaartsnetwerk dat een brede sociale laag uit de extreme armoede haalde, zonder in ruil daarvoor een nieuwe drempel van arbeidsrechten voor de formele arbeidersklasse te creëren (in tegenstelling tot het historische peronisme), die verder ging dan een geleidelijk herstel van de lonen na de economische depressie van 2001. Dit aspect kwam uiteindelijk tot uiting in het conflict tussen de meerderheidssectoren van de vakbeweging en de laatste regering van Cristina Fernández de Kirchner over de zogenaamde 'inkomstenbelasting' (eigenlijk een belasting op de relatief hoge lonen van een deel van de arbeidersklasse). Deze sectoren voelden hun persoonlijke inspanningen opgegeten door een ineffectieve en corrupte staat en waren van mening dat dit geld werd besteed aan sociale plannen voor de meest verpauperde sectoren (de 'luieriken die leven van de staat'). Een nieuwe reactionaire mythologie, sterk gestimuleerd door de media, werd veralgemeend binnen dit groeiende 'sociaal rechts': arme vrouwen raken zwanger om sociale uitkeringen voor kinderen te ontvangen, de armen leven van de staat zonder te werken, de staat onttrekt de middelen uit het 'productieve Argentinië' voor corruptie en cliëntelisme. Elk van deze mythes betekent een ergerlijke negatieve interpretatie van wetten in het belang van het volk en het omvormen van kritiek op een regering in het ter discussie stellen van elementaire democratische waarden.

Voor zover de politiek van Kirchner vanaf 2008 tot wrijvingen met de heersende klassen leidde, ontwikkelde zich een rechtse politisering van een massasector in de hitte van de ‘anti-populistische’ mobilisaties (2008, 2012, 2014), voornamelijk gebaseerd op de middenklasse, maar ook op lagen van de hierboven beschreven formele arbeidersklasse (zij het in mindere mate). In tegenstelling tot wat er in 2001 gebeurde, toen de middenklasse enorme 'anti-neoliberale' volksmobilisaties organiseerde en zich vooral naar links wendde, breekt het huidige electorale falen van de politiek van Macri niet de eerdere politieke loyaliteit en de wereldbeelden van haar sociale basis af. Dat wil zeggen, ook al staat Macri op het punt om de regeringsmacht te verliezen, dan nog zal de basis van de politiek van Macri - waarin de afwijzing van de politisering van sociale behoeften, de positieve visie op de markt als toewijzer van middelen ('zich uit de crisis werken') en de eis van orde en repressief optreden tegen zowel misdaad als sociaal protest worden gecombineerd - niet adequaat overwonnen worden. We zien ook een spiegelreactie, traag in ontwikkeling en nog steeds kleiner dan de 'golf van 2001':  met betrekking tot de centrale rol van de 'politiek' (en de staat) als oplossing voor sociale eisen, de semi-permanente aanwezigheid van mobilisaties op straat, beperking van de repressie als reactie op sociale protesten en een (gematigd) progressieve overheid als vertegenwoordiging van deze golf in de staat. Dat betekent dat er toch  een massabasis beschikbaar blijft voor toekomstige alternatieven of politieke herschikkingen.

In Brazilië is de krachtsverhouding aanzienlijk slechter, maar er zijn belangrijke overeenkomsten. Volgens een recente tekst van Perry Anderson is het door de drastische vermindering van de armoede die Lula tot stand heeft gebracht, gelukt om van een sociale massa die voorheen nauwelijks overleefde in de informele economie, een electoraal bolwerk van de PT te maken. ‘Miljoenen mensen waren uit acute ontberingen bevrijd en wisten aan wie ze dat te danken hadden. Maar, aangespoord door journalisten en de ideologie van die tijd, ging het regime er zich op beroemen dat het een nieuwe middenklasse in Brazilië had gecreëerd, terwijl de sociale verheffing van de meesten niet alleen bescheiden was - formele banen en hogere minimumlonen waardoor ze verheven werden naar iets als de positie van een nieuwe arbeidersklasse - maar ook precairder. Politiek gezien kwam de officiële propagandagolf als een boemerang terug: het effect ervan was dat het uitnodigde tot identificatie met het consumptiegerichte individualisme van de huidige middenklasse, in plaats van met de bestaande arbeidersklasse.' 3) Deze volkssector verhoogde zijn sociale aspiraties en voelde zich zwaar getroffen toen de economie in een recessie terechtkwam. De frustratie was vooral voelbaar bij jongeren die hadden geprofiteerd van het voorafgaande beleid en vooral van de uitbreiding van het hoger onderwijs. Dit was een van de bronnen van de nieuwe rechtse jongeren die beetje bij beetje uit de mobilisaties van 2013 naar voren kwamen.

De fundamentele verandering vond echter plaats in de 'echte middenklasse'. Anderson gaat verder: ‘Grote bedrijven, de arbeidersklasse en de armen hadden allemaal geprofiteerd van de PT-regeringen. Professionals, middenkader, servicepersoneel en kleine werkgevers hadden dat niet. Hun inkomen was verhoudingsgewijs minder gestegen dan dat van de armen en hun status was uitgehold door nieuwe vormen van consumptie van de [armere delen van] de bevolking en de sociale mobiliteit.' 4) Het was in deze sociale sector dat het grootste deel van de reactie van de bevolking op de politiek van de PT gebaseerd was en daarom bleef de verkiezingssteun voor Haddad [kandidaat voor de PT] zeer sterk in het arme noordoosten van het land.

De politiek van Bolsonaro speelt in op de ervaringen van de middensectoren en de kleine burgerij tijdens de PT-regeringen en de economische crisis en de sociale achteruitgang van de laatste jaren. ‘Het anti-PT-sentiment van de afgelopen vijf jaar’, zegt Valerio Arcary, ‘is een Braziliaanse vorm van het anti-links, anti-egalitarisme of anti-communisme van de jaren dertig. Het was geen gok van de belangrijkste kern van de bourgeoisie tegen het gevaar van een revolutie in Brazilië... Bolsonaro’s kandidatuur is een uitdrukking van een reactionaire massabeweging van de middenklasse, gesteund door minderheidsfracties van de bourgeoisie, in het licht van de economische recessie van de afgelopen vier jaar.' 5)

Aan deze autoritaire radicalisering van de kleine burgerij moeten we de sociale invloed van het evangelisme [vaak christenfundamentalisme] toevoegen (22% van de bevolking), dat, in antwoord op de 'wensen van de gemeenschap' in de meest verpauperde sectoren van de bevolking, een aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt binnen de volksreligiositeit en een opmerkelijke politieke macht in Brazilië heeft opgebouwd (ze hadden tijdens Lula's twee termijnen al de vicepresident, José Alencar).

In zeer algemene zin zien we dat de opkomst van extreemrechts in Latijns-Amerika een antwoord is op de 'progressieve golf'. Dat geldt niet alleen voor hun regeringen (in sommige gevallen radicaler, in andere gevallen meer sociaalliberaal), maar ook voor de politieke dynamiek die begon met de volksopstanden aan het begin van de eeuw en hun politieke en sociale weerklank die het offensief van de dominante klassen aan banden legde. De gevallen van Argentinië en Brazilië laten parallellen zien bij de kleine burgerij in Venezuela of in het oostelijke deel van Bolivia, waar fascistische componenten duidelijk zichtbaar zijn. Hoewel de populariteit van de Mexicaanse president AMLO nog steeds heel groot is en rechts in dat land nog steeds onsamenhangend, kondigen sommige initiatieven de mogelijkheid van een dergelijk fenomeen ook in Mexico aan, hoewel de 'progressieve' dynamiek nog maar net begonnen is en het voorbarig is om vastomlijnde voorspellingen te doen.

Bij het vergelijken van de autoritaire reactie op het ‘Latijns-Amerikaanse populisme’ met de autoritaire reactie op het communisme in het interbellum moet echter zorgvuldig te werk worden gegaan. Niet alleen omdat de revolutionaire dreiging waarop het historisch fascisme reageerde, ontbreekt in de 'progressieve golf', met de gedeeltelijke uitzonderingen van Venezuela en Bolivia. Maar omdat het land waar een regering met semi-fascistische kenmerken zoals die van Bolsonaro op dit moment oprukt, precies een land is waar de arbeidersklasse al in het defensief was en waar de 'populistische dreiging' tammer was. Het in diskrediet brengen van de PT vóór de afzettingsprocedure was breed genoeg om een zeer waarschijnlijke nederlaag in een  'normale' verkiezing te veroorzaken. Het is dus noodzakelijk om de veronderstelling te vermijden dat het fascisme slechts het burgerlijke antwoord is op een crisissituatie.

Een nauwgezette balans van het Latijns-Amerikaanse 'progressivisme' is van cruciaal belang voor de volgende periode, waarin het sombere beeld van de huidige autoritaire rechtse reactie is verwerkt. Jarenlang werd door verschillende stromingen van gematigd-links naar het PT-model verwezen, waarbij de trage vooruitgang en de brede allianties van de politiek van Lula werden afgezet tegen het radicalisme van de mislukte ervaring van de Chileense Unidad Popular of het Bolivariaanse proces dat zich parallel daaraan ontwikkelde. Een snelle blik op het Latijns-Amerikaanse geopolitieke landschap toont echter een relevante trend voor onze strategische debatten: de radicale ervaringen van Venezuela en Bolivia zijn degene die, ondanks de meest agressieve vijandelijkheden (militaire staatsgrepen, separatistische pogingen, interventionele manoeuvres) de grootste duurzaamheid en penetratie in de volksklassen bewerkstelligen. De zachtaardige linkerzijde van Brazilië, Argentinië, Ecuador, Honduras of Paraguay, die fantaseerde over de kracht van haar gematigdheid, haar brede allianties en haar verzoeningspolitiek ten opzichte van de bourgeoisie, toonde al snel haar opmerkelijke zwakte tegenover de druk van de dominante klassen.

Voetnoten

1 Voor een betere ontwikkeling van de karakterisering van het 'Bolsonaro-fenomeen' en de actuele debatten over fascisme, zie mijn tekst 'Al borde del abismo: Bolsonaro y el retorno del fascismo'.

2 Torre, Juan Carlos, 'Los huérfanos de la política de partidos revisited'.

3London Review of Books, 7 februari 2019 'Bolsonaro's Brazil’.

4Idem.

5 Arcary, Valerio '¿Bolsonaro es o no un neofascista?'.

Dit artikel verscheen eerder in Viento Sur nr. 166. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Dossier: 
Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren