29 October 2020

Neoliberalisme ter discussie

Op 18 juni organiseerde het Solidariteitsfonds XminY en de Katholieke Universiteit Brabant een seminar over het neoliberalisme en mogelijke alternatieven.

Het seminar richtte zich op de gevolgen van het neoliberalisme in de Derde Wereld. Onomstreden was dat het beleid van het IMF, de Wereldbank, en de G7 geen bijdrage levert aan de economische, sociale en cultu­rele ontwikkeling van de Derde Wereld. Ook ontwikkelingshulp is steeds meer een middel gewor­den om het neoliberale beleid te ondersteu­nen. En ontwikke­lingsorganisaties zelf stellen het beleid niet meer ter dis­cussie. Dit maakt het volgens de deelnemers nood­zake­lijk dat linkse mensen na denken over een alternatief ontwik­kelingsbe­leid.

Het braafste jongetje van de klas
Het seminar zou volgens de organisatoren het startpunt moeten zijn van een langer durend onderzoeksproject over neolibera­lisme. Zij zien dit als een eerste stap richting een alterna­tief plan dat model zou kunnen staan voor een ander - beter - ontwikkelingsbeleid in Nederland.
Dit leidde direct al tot discussie. Er werd er op gewezen dat Nederland vaak het braaf­ste jongetje van klas is als het gaat om het doorvoeren van neoliberale politiek. Nederland speelde bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de onderhandelingen over het Multilaterale Verdrag inzake Inves­teringen (MAI). Een andere deelnemer wees er op dat er een groot verschil is tussen de progressieve retoriek van Neder­land op internationa­le conferenties en het beleid wat ze werkelijk doorvoert. Het zijn ook grote Nederlandse bedrij­ven die profiteren van dat neoliberale beleid en het is be­langrijk om te analyseren hoe zij het beleid beïnvloeden. Een dergelij­ke politieke van de manier waarop neoliberaal beleid tot stand komt, werd door meer deelnemers bepleit. Zeker omdat er sinds de crisis in Azië breuken lijken te ontstaan binnen de neoli­berale consen­sus.

IMF en Wereldbank hervormen?
Belangrijk - zo schrijven de organisatoren van het seminar in de reader - bij het uitwerken van alternatieven is de vraag of de uitwassen van het neoliberalisme te verklaren zijn door het 'doorschieten' van de liberalisering of dat zij hun basis vinden in fundamentele kenmerken en wetmatig­heden van de kapitalistische orde.
De Zuidafrikaanse econoom Patrick Bond meent dat het laatste het geval is. Hij oppert in een buitengewoon goed onderbouwde bijdrage dat internatio­nale progressieve coalities zich minder zouden moeten richten op het hervormen van instanties als het IMF en de Wereldbank. In plaats daarvan zouden zij zich meer moeten richten op nationale strategieën voor meer democratie, ontwik­keling en vooral voor financiële zelfvoor­ziening van ontwikke­lingslanden.
Bond verklaart de macht van de financiële instellingen en de schuldenlast van de Derde Wereld dus uit fundamentele tegen­stellingen binnen het kapitalisme. Belangrijk is daarin de vervanging van menskracht door machines in het produktie­pro­ces. De be­langrijkste reden hiervoor is dat machi­nes veel goedkoper zijn dan mensen en dus de concurren­tieposi­tie van de ondernemer kan verbeteren. Gevolg is echter dat de hoeveel­heid arbeidskracht binnen het produktieproces wordt verminderd waardoor de winsten dalen; alleen arbeids­kracht creëert meer­waarde en dus winst. Deze tendens werd weliswaar tegengewerkt doordat in de jaren zeventig en tachtig de lonen minder hard stegen en vaak daalden, maar dat resul­teerde ook weer in een lagere koopkracht en dus minder de afzetmogelijkheden.
Dit alles leidde er toe dat kapitaalbezitters hun geld niet meer investeerden in het produktieproces, maar liever hun geld bij financiële instellingen in bewaring gaven. Ook een aantal landen die profiteerden van de hogere olieprijzen in de jaren zeventig, zoals Saoedi-Arabië en Koeweit belegden geld bij de financiële instellingen.

Deze instellingen waren er om dezelfde redenen als de onderne­mers niet happig op 'hun' geld te investeren in het produktie­pro­ces. Een gedeelte van het geld werd belegd in onroerend goed, vandaar de hausse in de bouw van kantoorpanden.
Een ander gedeelte werd belegd in de aankoop van kust en antiek, vandaar de recordprijzen voor kunst en antiek op diverse veilingen.
Maar het allergrootste deel van dit kapi­taal werd uitgeleend aan regeringen in de Derde Wereld. De banken waren in de jaren zeventig zó op zoek naar investeringsmogelijk­heden dat ze nauwelijks voorwaarden stelden aan wat die regerin­gen met het geld gingen doen. Een groot deel van het geleen­de geld werd besteed aan luxecon­sumptie, statu­sob­jecten en bewa­pening. Omdat al deze zaken echter niet tot inkomsten leidden, waren de Derde Wereldlanden aan het begin van de jaren tachtig niet in staat om hun schul­den terug te betalen.
Een belangrijke rol speelde daarbij de dalende grondstofprij­zen, wat er toe leidde dat ze voor een groeiende hoeveelheid geëxporteerde grondstoffen, minder geld ontvingen. In het begin van de jaren tachtig dreigde de situa­tie dat wanneer één of meerdere grote schuldenlanden in de Derde Wereld bankroet zouden gaan, dat op z'n beurt zou leiden tot het bankroet van een aantal belangrijke Westerse banken.
Dit is uiteindelijk niet gebeurd omdat het IMF bereid was nieuw geld te lenen aan de Derde Wereldlanden, maar deze keer wel met voorwaarden aan het gebruik. Het geld wat het IMF aan deze landen leende was overigens gedeeltelijk belastinggeld, zodat de belastingbetalers in het Noorden opdraaiden voor het wanbeleid van de banken. Ondertussen blijven de Derde Wereld­landen een groot gedeelte van hun BNP besteden aan de aflos­sing van de schuld.

Microkrediet
De hervormingsprogramma's van het IMF en de Wereldbank zijn er op gericht de export te vergroten. Veel ontwikkelingsorganisa­ties gaan er eveneens van uit dat meer handel goed is voor de economie van de ontwikkelingslanden. Ze proberen daarom, bijvoorbeeld, door het verbeteren van landbouwmetho­den of het opzetten van coöpe­raties de export te vergroten.
Op het seminar werd getwijfeld aan de effectiviteit van deze projecten. Zo zette Lou Keune vraagtekens bij een project in Guatemala waarbij hij betrokken was. De doelstelling van het project was om strategieën te ontwikkelen zodat boeren meer maïs op hun akkers konden verbouwen. Het gevolg was dat de er meer maïs op de markt kwam, waardoor de prijzen daalden. Wat weer tot gevolg had dat boeren in El Salvador opeens veel minder inkomsten hadden.
Ook binnen deze context stond de zin van het hervormen van instanties als de Wereldbank ter discussie. Vanuit diverse groepen is er jarenlang op gewezen dat de politiek van de Wereldbank om het ondernemerschap in de Derde Wereld te stimu­leren niet werkt.
Vrouwen hebben jarenlang moeite gehad met het krijgen van krediet. Terwijl de weinige vrouwen die wel kleine leningen kregen het zeer be­trouwbaar afbetaalden. De meest vrouwen zetten met dit zogenaamde mikrokrediet kleine bedrijfjes op.

De Wereldbank heeft naar deze kritiek geluisterd en verstrekt tegenwoordig krediet aan banken die mikrokrediet aan vrouwe­lijke ondernemers verle­nen. Veel mensen zien dat als het bewijs dat de Wereldbank te hervormen is. Maar is dat wel zo? In dit geval speelde in ieder geval mee dat vrouwen hun schul­den zo betrouwbaar aflossen.
Er zitten bovendien haken en ogen aan het verstrekken van mikrokrediet aan vrouwelijke onderne­mers. Nike heeft bijvoor­beeld in Vietnam problemen om perso­neel vast te houden.
Tegelijkertijd is er wereldwijd kritiek op de arbeidsomstan­digheden bij dit bedrijf. Nu beroept Nike zich er op dat het een bijdrage aan de ontwikkeling van Vietnam levert doordat het vrouwelijke arbeiders en vrouwen van arbeiders helpt bij het krijgen van mikrokrediet voor het opzetten van bedrijfjes. Maar dan ga je er wel van uit dat de vrouw in staat is om naast de zorg voor het huishouden en een baan er ook nog een be­drijfje bij te runnen. Daarnaast is het grote voor­deel voor Nike dat als vrouwelijke arbeiders of de vrouwen van arbeiders zo'n bedrijfje hebben opgezet, ze minder snel kunnen verhuizen om ergens anders te gaan werken. Een manier dus om hun perso­neel beter vast te houden.

Alternatieven
Deze en andere voorbeelden leidden tot een discussie over de toekomst van ontwikkelingshulp, de mogelijkheid van alterna­tieven en de vraag wie die alternatieven tot stand zou kunnen brengen.
John van 't Hoff, als adviseur betrokken bij de vakbondsfede­ratie van Zimbabwe, gaf een voorbeeld van deze mogelijkheden: de regering van Zimbabwe heeft onlangs een verdrag gesloten met het IMF. De vakbeweging heeft in Zimbabwe het recht om de regering te adviseren over de implementatie van zo'n plan. Op een bijeenkomst waar dat advies besproken zou worden, kwam men al snel tot de conclusie dat men niet eens advies wilde geven, omdat het zo ver af staat van alles waarvoor de vakbeweging staat. Maar de vakbeweging staat zo wel voor de noodzaak een economisch alternatief te formuleren.

Positieve geluiden
Gerrit Huizer, verbonden aan het Derde Wereldcentrum van de Katholieke Universiteit Nijmegen, wijst er in dit verband op dat er tegenwoordig een te eenzijdig negatief beeld bestaat van het economisch beleid in Oost-Europa, China en Nicaragua. Zo bedroeg de gemiddelde economische groei in China, dankzij een radicale herverdeling van bezit, landhervorming en natio­nalisatie van de industrie, ongeveer tien procent per jaar. In 1979 was de gemiddelde levensverwachting van een Chinees 13 jaar hoger dan van een Indiër en 17 jaar hoger dan die van een Indonesiër. Was China ontkomen aan de desastreuze gevolgen van de Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolu­tie, dan had haar economie waarschijnlijk nog beter gepres­teerd. China liberali­seert tegenwoordig haar economie, maar de langzame Chinese markthervormingen leveren nog steeds betere resultaten op dan de shocktherapieën van het IMF.
Ook over Zuid-Korea, Taiwan en Japan zijn er positieve verha­len te vertellen over hun pogingen een eigen economie op te bouwen. In de jaren na de Chinese revolutie werden er door de regeringen van deze drie landen, bang voor het overslaan van de revolutie, omvangrijke landhervormingen doorgevoerd. De relatief welvarende boerenstand die zo ont­stond, was in staat de produkten van de eigen industrie te kopen.
Goedkope Westerse importgoederen werden door de regering van Zuid-Korea en Taiwan van de markt geweerd. Door dit alles kon de industrie in Taiwan en Zuid-Korea zich in het razend tempo ontwikkelen.

De economische politiek van deze landen was precies het tegen­overgestelde van de vrij handel die het neoliberalisme nu als de weg naar welvaart propageert. Opvallend is dat sindsdien in bijna geen enkel land meer iets aan land­hervormingspolitiek is gedaan. De gedeeltelijke landhervorming die Nasser in de jaren vijftig in Egypte doorvoerde, wordt tegenwoordig op aandrang van de neoliberalen ongedaan gemaakt. Op die manier en door het opleggen van vrij handel, wordt het de Derde Wereld onmo­gelijk gemaakt om zelf­standig te industri­aliseren.

Derde wereldnationalisme
Een paar jaar geleden leek het er op dat een klein aantal internatio­nale campagnegroepen zich als enigen tegen de neoli­berale consensus keerden. Er is echter sprake van een beschei­den opleving van het Derde We­reld-nationa­lisme. China en India verzetten zich wat overtui­gender dan een paar jaar geleden tegen verdere liberalisering van hun finan­ciële sec­tor. De Maleisische regering beperkte als reactie op de Azi­-crisis de vrije export van kapitaal, en dat beleid had gunstige gevolgen voor de Maleisische economie. De Venezualese populist Hugo Chavez won de verkiezingen doordat hij zich fel uitsprak tegen het IMF. Dat een organisa­tie als het ANC, de regeringspartij van Zuidafri­ka, onlangs een document uit­bracht waarin expli­ciet gevraagd werd: "Is het mogelijk om een Brasilia-Pretori­a-Delhi-Bejing consensus tot stand te bren­gen, als alternatief voor de consensus van IMF en Wereldbank?", is een ontwikkeling die implicaties op wereldschaal kan hebben.

Sociale bewegingen
Twee redacteuren van het alternatieve vakbondsblad Solidari­teit en een groot aantal andere aanwezigen schetsten een beeld van de manier waarop de FNV en de grote Nederlandse ontwikke­lingsorganisaties geïntegreerd zijn in de Nederlandse neoli­berale consensus. Tegelijkertijd signaleerde de confe­rentie dat er een grote hoeveelheid nationale bewegingen en
internationale netwerken bestaat. Dat zich actief keert tegen de gevolgen van het geglobaliseerde kapitalisme en ook naden­ken over alternatie­ven en strategieën om die alternatieven te verwezenlijken. De onder­linge uitwisseling van ervaringen, ideeën en discussies is intens.
Elk jaar opnieuw vinden er conferenties plaats tijdens welke activisten, wetenschappers en politici uit verschillende landen of zelfs verschillende werelddelen hun ervaringen uitwisselen. Een greep uit dat soort internationale bijeen­komsten in 1998; een bijeenkomst in New Delhi ter gelegenheid van het feit dat Vasco da Gama vijf eeuwen geleden voet zette in India (wat het begin van het kolonialisme in Azië beteken­de), een bijeenkomst over vakbonden, homosek­sualiteit en arbeid in Amsterdam, een vierdaagse conferentie over globali­sering in Zuid-Afrika, het internationale jonge­renkamp van de Vierde Internationale in Denemarken en diverse internationale bijeenkomsten van vakbonds­leden.
Aan het eind van de jaren tachtig kon je nog zeggen dat de internationale organisatie van links ver achter liep bij de
internationale organisatie van het kapitaal. Aan het eind van de jaren negentig onderhouden linkse groepen vaak opmerke­lijk goede banden met het buitenland en bestaat er op interna­tiona­le conferenties een soort consen­sus over de problemen die sociale bewegingen tegenkomen. Het probleem is veel meer dat die bewegingen doorgaans nog zwak gewor­teld zijn in hun land van herkomst.
Ook het niveau van de analyse van de problemen waarvoor socia­le bewegingen vandaag staan, is bemoedigend. Mensen die heim­wee hebben naar een gouden periode van de arbeidersbewe­ging, zouden eens over het volgende moeten nadenken: vanaf 1945 traden er ingrijpende veranderingen op in de werking van het internationale kapitalisme, zoals de opkomst van de wel­vaarts­staat, de onafhankelijkheid van de koloniën, het ont­staan van multinationals, om er maar enkele te noemen. Toch zou het pas tot 1962 duren eer die veranderingen op een creatieve manier geanalyseerd zouden worden, in Ernest Mandels 'De economische theorie van het marxisme'. Er zijn misschien minder linkse intellectuelen dan in de jaren vijf­tig, maar het lijkt wel alsof diegene die er zijn, harder werken, creatiever naden­ken en de belang­rijke ontwikkelingen sneller bevatten. Het seminar in Breda laat zien dat langzamerhand ook Nederlandse weten­schappers daaraan hun bijdrage leve­ren.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren