29 October 2020

Schaarste te midden van overvloed

De aarde is niet te klein om de hele wereldbevolking goed te voeden. Maar het gebruik van biobrandstof, de achteruitgang van de productie van voedsel in de derde wereld als gevolg van een verkeerde landbouwpolitiek en overconsumptie en verspilling in rijke landen zorgen er nu voor dat miljoenen mensen honger lijden.

De cijfers zijn onthutsend. Volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties stegen de prijzen van graan tussen maart 2007 en maart 2008 met 88 procent, die van olie en vetten met 106 procent en die van zuivel met 48 procent. De populairste kwaliteit rijst in Thailand kostte vijf jaar geleden 198 dollar per ton, een jaar geleden al 323 dollar en nu betaal je voor dezelfde hoeveelheid 1000 dollar. De Wereldbank verwacht dat de voedselprijzen zeker nog tot 2015 ver boven het niveau van 2004 zullen blijven.
Dat deze crisis nu ontstaat is geen toeval. Sinds een aantal jaren zijn diverse landen over gegaan landbouwgrond te gebruiken voor gewassen die verwerkt worden tot biobrandstof. Biobrandstoffen worden zwaar gesubsidieerd en daarom is productie hiervan voor boeren aantrekkelijker dan hun grond voor de aanbouw van voedsel te gebruiken. Alle Amerikaanse auto's die op biodiesel rijden gebruiken samen een hoeveelheid maïs die de importbehoefte van de 82 armste landen ter wereld kan dekken. Dat biobrandstof de uitstoot van C02 vermindert is omstreden maar de EU streeft er ondertussen naar dat in 2010 alle autobrandstof voor 5,75 procent uit biodiesel moet bestaan, in 2020 moet dat zelfs 10 procent zijn.
Dit streven van het toevoegen van een bepaald percentage biobrandstof aan de gewone benzine is ecologische waanzin. Als je in 2020 met een grote auto voor 10 procent op biobrandstof rijdt, ben je heus niet milieuvriendelijker bezig dan als je nu in een kleine auto op 100 procent benzine rijdt. Behalve voor wat betreft de verwerking van afvalproducten als frituurolie is biobrandstof geen oplossing. Staken van de productie van biobrandstoffen zou een vrijwel onmiddellijke daling van de voedselprijzen tot gevolg hebben.
Ook de klimaatverandering heeft een nadelige invloed op de wereldvoedselproductie. Australië is een belangrijke exporteur van tarwe, gerst en ook rijst. Maar door een beangstigende droogte in dit land is de productie met tientallen procenten achteruit gegaan. Australië kon ooit 20--> miljoen mensen in hun jaarlijkse behoefte aan rijst voorzien, maar door een zes jaar aanhoudende droogte is de opbrengst van oogst met maar liefst 98 procent gedaald. In Cuba daarentegen slaagde men opbrengst van de landbouw te doen toenemen door kleine perceeltjes in de steden als landbouwgrond te benutten. Omdat het voedsel dan dichtbij de consumenten wordt geproduceerd, is er ook minder transport nodig. En dat is weer goed voor het afremmen van de klimaatsverandering.

Vrijhandel
Mar het is niet alleen de afgenomen export uit een aantal rijke landen die ervoorzorgt dat veel mensen nu honger lijden omdat ze hun eten niet kunnen betalen. DerdeWereld Wereldlandenproduceren ook steeds minder voedsel. Haïti, een land waar de nood nu zeer hoog, is een schrikbarend voorbeeld. In Haïti werd eeuwenlang rijst verbouwd en tot ongeveer twintig jaar geleden produceerden de boeren genoeg om 95 procent van de lokale behoefte te dekken. De boeren ontvingen geen overheidssubsidie, maar de lokale markt werd wel beschermd door een belasting op de import van rijst. In 1995 had het land echter behoefte aan een lening: het IMF stelde als uitdrukkelijke voorwaarde voor die lening, dat de importbelasting op rijst verlaagd zou worden van 35 procent naar procent.Amerikaanse rijst veroverde vervolgens de Haïtiaanse markt. Dat gebeurde niet omdat de Amerikaanse rijstboeren efficiënter en dus goedkoper kunnen produceren, maar omdat de export van rijst zwaar gesubsidieerd wordt door hun regering. Grote Amerikaanse rijstboeren in de VS kunnen hun rijst daarom op de internationale markt voor een prijs verkopen die dertig tot vijftig procent lager dan de productiekosten.
Op het moment dat de prijs op de wereldmarkt voor rijst steeg, werd die rijst voor de arme Haïtianen hoe dan ook te duur om nog te betalen. Eind maart verdubbelde de prijs van rijst op de markt in Haïti. Volgens markteconomen zou dat natuurlijk voor de Haïtiaanse boeren een 'prikkel'moeten zijn om hun productie op te voeren. Maar dat gaat niet zo gemakkelijk. Akkerbouw is een activiteit die gebonden is aan een groeiseizoen. En landbouw op kleine familiebedrijven is afhankelijk van hele specifieke kennis en een infrastructuur die het werk is van generaties boeren. Op het moment dat failliete boeren naar de stad trekken, verdwijnt die kennis en die infrastructuur. Had Haïti al die jaren importbelasting gehouden, dan was het land nu niet in de problemen geraakt. De rijst van de rijke Amerikaanse rijstboeren had ondertussen door de Amerikaanse regering opgekocht kunnen worden om te bewaren voor een tijd dat in een ander land de oogst mislukte.
Alle grote beschavingen hebben er altijd aan gehecht een dergelijke noodvoedselvoorraad aan te leggen. In het oude China werden overschotten bewaard in een magazijn van de keizer voor het geval er schaarste zou zijn. Die keizer was tot in de negentiende eeuw in staat om in geval van hongersnood effectief hulp te organiseren. Pas door de herstelbetalingen die China na de opiumoorlog aan Engeland moest betalen, raakte dit systeem in verval, hetgeen resulteerde in grote hongersnoden. Zo'n voorbeeld laat duidelijk zien dat landbouw nooit heeft gefunctioneerd zonder een bepaalde vorm van regulering en overheidsoptreden. Er was ook altijd een zekere marktwerking, maar juist de efficiënte aanpassing van het aanbod aan de vraag wordt tegenwoordig bemoeilijkt doordat in de ontwikkelde landen veel bedrijven helemaal gericht zijn op de productie van één product.
Vijftig jaar geleden, toen één boer meestal tegelijkertijd aan zowel aan tuinbouw deed, verschillende soorten vee hield en verschillende soorten akkerbouw bedreef, konden boeren nog besluiten meer werk te steken in de productie van een bepaald product als daar een tekort aan was. Tegenwoordig zijn ze volledig afhankelijk van een grootschalige technische infrastructuur en kunnen ze niet meer overschakelen.
In de derde wereld waar dit soort gemengde bedrijven soms wel nog bestaan, ontvangen die bedrijven steeds minder steun. Overheden in de derde wereld gaven in 1980 het dubbele uit aan landbouw van wat ze in 2004 uitgaven. De landbouw wordt zelfs uitgemolken. In China betaalden boeren tot 2006 landbouwbelasting. Ze konden daardoor minder investeren en bleven arm. Hun kinderen vertrokken naar de stad om in de industrie te werken, op zoek naar een beter leven. De regering gebruikte het belastinggeld om infrastructuur voor buitenlandse investeerders aan te trekken. Investeerders die in China vooral goedkope consumentenartikelen voor de wereldwijde markt maken. Op die manier groeide de productie van consumentenartikelen spectaculair, maar ten koste van de groei van de agrarische productie die niet meer in de behoeften kon voorzien. Gelukkig heeft China ondertussen de belasting op het platteland verlaagd.
Cuba is een voorbeeld van een land dat wel op kleinschalige ecologische landbouw heeft gegokt. De productiviteit in de landbouw is gestegen en het land kan tegenwoordig in de eigen behoefte aan voedsel voorzien. Alleen melk, eieren en vlees blijven relatief schaars. Een ander voorbeeld van hoe het wat voedselproductie betreft kan is Algerije. De stabiliteit van de regering daar was in 1988 bedreigd door voedselrellen. Verarmde plattelandsbewoners die naar de stad trokken bleken bovendien vatbaar voor islamitisch fundamentalisme. Een president besloot in 1999 daarom maar tot een investeringsprogramma in de landbouw dat Algerije zelfvoorzienend moest maken en werkgelegenheid op het platteland zou scheppen. Tegenwoordig hoeft Algerije alleen nog maar wat graan en melk te voerenen exporteert het zelfs weer een aantal producten. Terwijl er wereldwijd een voedeselcrisis is zijn er dit jaar in ieder geval geen voedselrellen in Algerije.

Overconsumptie en verkwisting
De groei van het gebruik van biodiesel, de achteruitgang van landbouw in de derde wereld en de gevolgen van de klimaatverandering verklaren een gedeelte van de huidige voedselcrisis. Een ander deel van de verklaring is dat met name in de ontwikkelde landen veel voedsel gewoon weggegooid wordt. In Nederland gaat het om eenderdevan al het voedsel! Huishoudens gooien 10 tot 15 procent van al het voedsel dat ze kopen weg, maar gebeurt ook in de landbouw, de horeca, de supermarkten en de industrie. Omdat er de hele tijd zo'n overdaad aan verschillende producten in de winkels aanwezig is, blijven die winkels voortdurend met restjes zitten. Het systeem is volkomen doorgedraaid. Er wordt veel geld uitgegeven aan reclame om consumenten te bewegen veel te kopen. Al dat voedsel moet geproduceerd, verpakt en getransporteerd en vaak ook nog gekoeld worden. En van al dat voedsel wordt dus eenderde weggegooid.
Om de wereldbevolking van voedsel te voorzien hoeft echt niet iedereen vegetariër of veganist te worden, hoewel dat zeker wel zou helpen. Het is wel zo dat de hoeveelheden voedsel en vooral de hoeveelheden vlees, zuivel en vet die veel mensen in het westen nu eten niet gezond zijn en ook nog eens buitengewoon inefficiënt geproduceerd worden. Terwijl mensen in het rijke Noordelijk halfrond te kampen hebben met overgewicht en door te vet eten komen elders mensen om van de honger. Een rationeel landbouwbeleid gaat niet samen met kapitalisme, schreef Marx meer dan honderd jaar geleden. Dat had de beste man toch maar mooi door.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren