9 May 2021

Unilever voedt alleen nog aandeelhouders

De tijd is lang voorbij dat iedereen boodschappen deed bij de groenteboer en de bakker, dat kinderen wisten dat melk van de koe kwam en dat er in Nederland gemengde boerenbedrijven waren. Ons eten wordt tegenwoordig op tafel gezet door een honderdtal multinationals. Grote grondstoffenproducenten zoals Bunge die bossen platbranden voor de verbouw van soja. Multinationals als Unilever die van deze grondstoffen merken maken met ‘functionaliteiten’ als gemak en vitaliteit. Grote supermarktketens die ons zoveel mogelijk willen laten kopen.

“Ambachtelijk bereid met natuurlijke ingrediënten” staat er misschien op maar de producten komen allang niet meer uit de wereld van Ot en Sien. De voedingsindustrie is een wereldwijde productieketen die het landschap, het milieu en de levens van boeren en arbeiders flink overhoop heeft gehaald. Het het produceren van goede en goedkope producten is achterhaald geworden door de steeds feller geworden concurrentiestrijd. Het gaat nu om het maken van aandeelhouderswaarde.
Deze multinationals zijn als gevolg van fusies rijker geworden en hebben steeds meer macht terwijl de armen steeds armer worden. Drie miljard mensen heeft een inkomen van minder dan 1,75 euro per dag. En 45% procent van de totale wereldbevolking is even rijk als 400 multimiljardairs.

Multinationals gemangeld?
Dit lijkt geen nieuws meer, maar de wereld verandert steeds sneller en het kan nog erger. De financialisering van de wereldeconomie gaat niet voorbij aan de voedingsindustrie. De handel in aandelen en de beurs krijgen een steeds grotere invloed op de voedingsindustrie. Nieuwe afzetmarkten zoeken en goedkoper produceren zijn niet genoeg om de beurslieveling te worden. In het westen groeit door de vergrijzing de markt nauwelijks. Oost Europa en China hebben potentie als nieuwe afzetmarkten maar zijn niet stabiel en minder lucratief dan het westen.
De grote voedingsmiddelenconcerns worden bovendien in kostenverlaging gehinderd door de leveranciers van grondstoffen die wel lucratieve nieuwe afzetmarkten gevonden hebben en hun producten niet zomaar goedkoop van de hand willen doen. Kolossen als Unilever hebben zichzelf in de vingers gesneden door hun eigen raffinaderijen en plantages te verkopen aan de grondstoffenproducenten.
Door de stijgende olieprijs en met hulp van subsidies wordt het winstgevend grondstoffen als maïs, soja en raap, de basis voor veel moderne voedingsmiddelen, als biodiesel op te stoken. Multinationals als Unilever zijn niet meer de enige klanten van de grondstofleveranciers en kunnen de prijs niet langer dicteren. Het dreigend tekort aan schoon water in de toekomst helpt ook niet en is niet alleen voor de armen een probleem: ook multinationals hebben schoon water nodig voor hun productie.
En de supermarktconcerns worden ook steeds sterker. Ze kopen centraal in en kunnen daarom goedkopere inkoopsprijzen afdwingen. De grote voedingsconcerns hebben niet alleen veel productie uitbesteed; toen ze deze afstootten ging er ook veel kennis mee. Supermarktconcerns hebben ondertussen niet stilgestaan en kunnen nu sneller dan de voedingsconcerns profiteren van nieuwe technieken die ontwikkeld zijn door de voedingsproducenten. De supermarktoorlog laat zien dat de grote merken niet meer vanzelfsprekend op de beste plaats in het schap komen en er niet langer vanzelfsprekend een hogere prijs voor gevraagd kan worden. Op standaardproducten als melk is al bijna geen winstmarge meer te halen. De eersten die daarover mee konden praten waren de boeren, maar ook de Melkunie komt, ondanks de schaalvergroting, langzamerhand in de problemen.

Weg naar groei
Eind jaren negentig werd bij Unilever de 'Weg naar groei’ ingezet. Doel was het weer laten stijgen van de waarde van de aandelen. Topman Anthony Burgmans beloofde dat het rendement op het geïnvesteerde vermogen van de aandeelhouders zou stijgen van 12,5% procent in 2003 tot 17 procent in 2010. Middel om dit doel te bereiken: geld vrijmaken door het aantal merken terug te brengen naar 400 en het sluiten of verkopen van meer dan 150 fabrieken. Wereldwijd verdwenen zo’n 50.000 banen.
De tijd dat aandeelhouders in de voedingsindustrie genoegen namen met een stabiel, maar laag, rendement is definitief voorbij. In andere sectoren zijn immers voor hetzelfde geld de rendementen groter. Door financiële analisten zoals in de Britse Telegraph wordt al langer gespeculeerd op overname en splitsing van Unilever. Uit angst hiervoor doet het concern hetzelfde als waar de zogenaamde 'durfkapitalisten' voor gevreesd worden; verkopen, sluiten, uitbesteden en arbeidsplaatsen verplaatsen. Onder de groeiende druk van grondstofleveranciers en supermarktconcerns wordt dit proces versneld. De rendementsdoelstelling is immers heilig!
Na al de saneringen is er ondertussen een cash flow gegenereerd van ruim 30 miljard euro, voor een groot deel uitgekeerd in de vorm van dividend voor aandeelhouders en het terugkopen van eigen aandelen. En als de rendementsdoelstelling even in gevaar komt door gebrek aan marktgroei wordt er weer wat nieuws in de uitverkoop gezet. Van de 1,7 miljard die de verkoop van de diepvriesdivisie aan durfkapitalist Permira opleverde ging 1,5 miljard naar de inkoop van eigen aandelen. Grote profiteurs van deze methodes zijn het topmanagement met hun forse aandelenpakketten. En omdat steeds meer aandelen in steeds minder handen komen hoeft de winst ook over minder personen verdeeld te worden.

Het concentreren op zogenaamde 'kernactiviteiten' en merken is niet alleen ingegeven door de drang naar efficiency en hoge rendementen. De beperking van het aantal onderdelen maakt het voor financieel analisten ook makkelijker het bedrijf te waarderen en de aan- of verkoop van aandelen te adviseren.
Werken met flexibele arbeidskrachten maakt het makkelijk snel in te springen op veranderingen in het denken bij beursanalisten. Er kan zo makkelijker worden gereorganiseerd en geschoven met productie.

De enige reden dat grote voedingsconcerns de productie niet helemaal uitbesteden is dat zij toezicht willen houden op de kwaliteit en willen voorkomen dat kennis van innovaties verdwijnt. Nestlé heeft het zogenaamde ‘global standardisation of data management and information systems’ ontwikkeld. Hierdoor is de helft van de 170 fabrieken in eigen handen en de andere helft in het bezit van goedkopere 'co-packers', bedrijven die in opdracht van anderen produceren. Nestlé heeft het merk, maar laat het niet in de eigen fabriek maken, maar bij een derde, meestal goedkopere partij. De toegevoegde waarde van merken wordt steeds meer de enige bron van inkomsten van het concern.

Bij Unilever vallen alle fabrieken in Europa voortaan onder één kantoor in Zwitserland dat alle grondstoffen centraal inkoopt, de productie verdeelt en doorverkoopt. Zo moet overcapaciteit verdwijnen en de productie daar gedaan worden waar deze het goedkoopste is. Zo veel mogelijk activiteiten die geen strikt productiewerk zijn worden aan gespecialiseerde multinationals uitbesteed die dit werk dan dikwijls laten verrichten door bedrijven in Oost Europa en India.

Ontslagen en de versnelde afbraak van arbeidsvoorwaarden zijn het gevolg. Uitbesteding en specialisering lijken de toekomst van de voedingsindustrie meer en meer bepalen. Ons eten en onze banen worden er niet beter van. Al het geld dat naar de aandeelhouders gaat, en dit is steeds meer, wordt niet meer in het bedrijf gestoken. Onderhoud, opleidingen, sociaal beleid komen allemaal onder druk te staan van de kwartaaldoelstellingen die steeds meer geld toezeggen aan de aandeelhouders. Wat zijn mooie visies als die van het door Balkenende gestarte 'innovatieplatform' of afspraken in de SER over banen creëren voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten nog waard als deze worden ingehaald door korte termijn rendementsdoelstellingen?

Natuurlijk zijn de normale doelstellingen van winst en productiviteitsverhoging niet verdwenen. Maar deze kunnen als gevolg van grotere politieke beslissingen van het concern onbelangrijk worden. De waarde van de onderneming kan bijvoorbeeld net zo makkelijk vergroot worden door het vernietigen van productiecapaciteit om zo geld te generen voor uitbetalen van dividend. En voor aandeelhouders heeft dit laatste het voordeel dat veel sneller gaat.

Eigen plan.
Financialisering heeft dus grote gevolgen voor vakbonden en hun leden. Het oude verband tussen een groeiende productiviteit en winst die vervolgens stijgende lonen mogelijk maakten en vroeger het grondbeginsel voor CAO overleg was, wordt verbroken. Zelfs vestigingen met hoge productiviteit en winstgevendheid moeten zich zorgen maken over hun toekomst. In India is een goeddraaiende Unilever zeepfabriek verkocht en vervolgens gesloten. In de fabrieken waar het werk naartoe ging zijn de arbeidsomstandigheden een stuk slechter, zo vertelde een Indiase vakbondsleider op een internationale vakbondsconferentie. Zijn Zuid-Afrikaanse collega James Mdlalose bevestigt dat: ‘De mensen die ontslagen worden, zoeken wanhopig naar een baan en gaan akkoord met een lager salaris en met slechtere arbeidsvoorwaarden dan ze voorheen hadden.’ Overal ter wereld hetzelfde verhaal.

Bij de CAO-onderhandelingen in Nederland heeft de vrees voor afbraak van werk en arbeidsvoorwaarden tot een nieuwe aanpak geleid. Er is een eis neergelegd dat als Unilever niet toe wil geven aan de eis om over reorganisaties op Europees niveau te onderhandelen drie jaar werkzekerheid en werkgelegenheid gegarandeerd moet zijn. Lucas Vermaat, bestuurder bij FNV Bondgenoten: “Het heeft weinig zin meer om op nationaal niveau met Unilever te onderhandelen. Dan praat je alleen met de zetbazen.” Vermaat is niet gerust op de nabije toekomst. “Ik denk dat als de afbraak in hetzelfde tempo doorgaat de komende tijd bij Unilever veel banen gedumpt gaan worden. Als we niet alleen maar willen meepraten over het oplossen van de sociale gevolgen moeten we internationaal onze positie versterken.”

Om de eisen te onderbouwen wordt door alle ondernemingsraden en vakbondskadergroepen gewerkt aan eigen plannen. “Plannen die uitgaan van ons eigen belang en niet door hoe Unilever rekent” vertelt een vakbondskaderlid. “Als we ons beperken tot de richtlijnen van Unilever komen we tot dezelfde conclusies als zij. We zijn altijd te duur en niet flexibel genoeg. De afbraak van banen en arbeidsvoorwaarden is de afgelopen jaren alleen maar verder gegaan. We willen uitgaan van wat nodig is om onze bedrijven op de kaart te houden. Dus moet er geïnvesteerd worden in gebouwen, in nieuwe producten en technieken. Er moet ook geïnvesteerd worden in mensen, in opleiden, in het aannemen van nieuw en vast personeel om de vergrijzing het hoofd te bieden. Hoe meer uitzendkrachten er zijn, hoe makkelijker een bedrijf gesloten kan worden. Om zo breed mogelijk steun te krijgen is het essentieel iedereen te betrekken bij het maken van deze plannen. Het moet ons plan worden. Het overtuigen van het nationaal management zal waarschijnlijk niet genoeg zijn.”

Van ene kant bezien zijn deze plannen een poging om terug te keren naar het oude verband tussen productiviteitsverhoging, winst en loon. Maar aan de andere kant worden de plannen ook gemaakt met vertrouwen op eigen kracht van de vakbeweging als basis. Dat maakt het een interessant proces.

Voor meer informatie kijk op de site www.geenafbraakmaarafspraak.nl

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren