'United we stand, divided we fall'

Het roerige jaar 2005 begint eigenlijk in maart 2004. De leiders van de vijf vakbonden die later ook een centrale rol in de splitsing spelen, vinden elkaar in een ‘New Union Partnership’(NUP). De SEIU (dienstensector), HERE (die de horeca organiseert), UNITE (Garment and Textile Workers), de Laborers Union (organiseert 800.000 arbeiders in vijftig industrieën) en de Carpenters Union, die al in 2001 uit de federatie AFL-CIO stapte, stellen een model voor waarin het organiseren van werkplekken top-prioriteit wordt, onder het motto ‘organize for power’. (De VS kent het zogenaamde ‘closed shop’ systeem dat zoveel betekent als dat vakbonden het recht om de werknemers van een bedrijf te vertegenwoordigen moeten winnen door middel van verkiezingen waarin de meerderheid van de werknemers voor de aanwezigheid van de vakbond dient te stemmen.)
Om dit te bereiken moet de federatie meer zeggenschap krijgen over de lidbonden en de lokale vakbondsstructuren; moeten de zestig lidbonden samengevoegd worden tot vijftien sectorgerichte bonden; en moet eenderde van het budget geoormerkt worden voor ledenwerfcampagnes. Die moeten worden gefinancierd door een vermindering van financiële steun aan politieke campagnes en een aantal nationale AFL-CIO departementen zoals scholing, mensenrechten en veiligheid en gezondheid.
Behalve veel en vaak verhitte discussies levert de New Union Partnership (NUP) niets op. Zes maanden later, na vruchteloze pogingen om overeenstemming te vinden binnen de leiding van de AFL-CIO, wordt de ‘Change to Win Coalition’ opgericht. De coalitie wordt gevormd door dezelfde leden als de NUP, aangevuld met de illustere Teamsters (de vervoersbond) en de UFCW (Food and Commercial Workers), en borduurt voort op het programma van de NUP.

Change to win
Met nog zes weken te gaan voor het nationale congres van de AFL-CIO waar zowel de verkiezing van de voorzitter als de viering van het vijftigjarig bestaan op de agenda staan, loopt de spanning op. Nadat duidelijk is geworden dat de Change to Win Coalition definitief het pleit heeft verloren binnen de nationale leiding én onvoldoende afgevaardigden op het congres zal hebben om stemmingen te kunnen winnen, verlaten de SEIU en de Teamsters op de vooravond van het congres de federatie. De anderen boycotten het congres en breken op een later moment stuk voor stuk met de federatie. INà In het proces nemen ze 3,6 miljoen leden mee. Twee maanden later, in september van het vorig jaar, wordt de nieuwe federatie ‘Change to Win’ opgericht.
Deze korte samenvatting kan nooit de complexiteit van de gebeurtenissen weergeven en toch vallen er al een paar dingen op. Ten eerste: waar zijn de leden? En twee: heeft Change to Win (CtW) ook iets anders dan organisatorische antwoorden te bieden? Beide vragen zijn meer met elkaar verbonden dan men op het eerste gezicht zou denken.
Amerikaanse vakbonden hebben de laatste decennia voornamelijk leden verloren, met als voorlopig dieptepunt een organisatiegraad van minder dan 12,5 procent in 2005 (al liet dat jaar tegelijkertijd in absolute getallen voor het eerst in zes jaar een lichte stijging van 213.000 leden tot 15,7 miljoen leden zien). Om deze leegloop te keren zijn vakbonden massaal gaan fuseren, waarbij sectorale verbondenheid niet altijd een voorwaarde was. Dit catch all-beleid heeft vervolgens geleid tot een concurrentieslag tussen de vakbonden op zoek naar leden. SEIU’s voorzitter Stern, de aanjager van zowel het debat als de splitsing, heeft dit gegeven gekoppeld aan de constatering dat de organisatiegraad nog nooit zo laag is geweest en de vakbeweging nimmer zo zwak.
Deze drie elementen samen hebben geleid tot de keuze om de massa van de bonden zowel te vergroten als strategischer te gebruiken en in te zetten. De massa moet vergroot worden door meer leden te werven; strategischer gebruikt worden door de leden samen te ballen in grotere en ‘dus’ sterkere vakbonden georganiseerd langs sectorale lijnen; en strategischer ingezet worden door vooral leden te werven in de dienstensector. In deze sector speelt internationale concurrentie nog het minst een rol en kan de nationaal georganiseerde vakbeweging nog het meest voor elkaar boksen, zo is de redenering. à wissen: ( Een overigens niet onbelangrijk detail is dat de bonden die Change to Win uitmaken inderdaad voornamelijk de dienstensector organiseren. Dat is dé economische groeisector van de afgelopen twee decennia. Met het wegbreken van deze sector forceren ze dus ook een scheiding tussen een sector in ontwikkeling en de oude industriële bonden die meer en meer terrein verliezen.

Het verloren pleit...
De antwoorden van de bonden van Change to Win vloeien dus zeker voort uit een analyse van de defensieve situatie waarin de vakbeweging opereert. Maar het idee van de vakbeweging als een emancipatoire beweging is afwezig. De vakbond is geen organisatie in dienst van de arbeidersklasse en de wil en de stem van de individuen die de vakbond opmaken spelen geen rol van betekenis, omdat ze vooral dienen als stuwingsmassa. Op de site van de Labourers Union wordt dit laatste goed verwoord door ledenwerving ‘expanding market share’ te noemen.
Deze apolitieke benadering van nut en noodzaak van een vakbeweging is echter niet voorbehouden aan de leiders van Change to Win. De leiding van de Amerikaanse vakbeweging heeft al decennia lang het doel om een verantwoordelijke partner te zijn voor het Amerikaanse zakenleven. Vakbondsactivist en opiniemaker Bill Fletcher stelt het als volgt: ‘We hebben in de VS een beweging die gelooft dat er niks anders mogelijk is dan een ‘junior partner’ van het kapitaal te zijn. Zelfs de meer militante leden van de oppositie zien een speciale relatie met de verlichte vleugel van het kapitaal, en ontwikkelen geen serieuze visie op arbeidersmacht.’
Dit zogenaamde business unionism werd dominant toen in 1955 de AFL met de CIO fuseerde. Zeventien jaar eerder, in 1938, waren vijf vakbonden afgesplitst van de AFL op basis van een diep meningsverschil tussen twee stijlen van arbeidersorganisatie: het craft unionism, aangehangen door de meerderheid van de AFL-bonden en het industrial unionism, gepropageerd door de bonden die later de ‘Congress of Industrial Organisations’ (CIO) zouden vormen. De AFL hing de overtuiging aan dat arbeiders georganiseerd moesten worden op basis van hun vakmanschap (skill), dat had hen immers allerlei voordelen opgeleverd, zoals een grote mate van controle over het productieproces. De aanhangers van het industrial unionism pleitten juist voor vakbonden georganiseerd op basis van de werkplek gebruikmakend van de grote massa van arbeiders om macht en eenheid af te dwingen, een organisatievorm die door onder andere de radicale International Workers of the World (de ‘Wobblies’) werd toegepast.

De CIO werd aanvankelijk een succes. De jaren voor de oorlog kenden grote sociale onrust, terwijl tijdens WOII de oproep van de overheid aan werkgevers om vakbonden te erkennen in ruil voor sociale rust, de CIO ook geen windeieren legde. Hun ledental was explosief gegroeid, ook al waren ze nog steeds een stuk kleiner dan de AFL en het alternatieve social unionism ontwikkelde zich; het idee dat de vakbeweging méér zou moeten doen dan enkel economisch gewin voor de leden nastreven. Maar deze progressieve periode is van korte duur en in de jaren vijftig wordt ook in de CIO het business unionism dominant. De jacht op ‘het rode gevaar’ en de stap van een voornamelijk activistische naar een voornamelijk legalistische vakbondsstrategie markeren de toenadering tot de AFL, die in 1955 wordt bekrachtigd door de fusie tot een federatie. Hiermee wordt ook de laatste succesvolle poging om tot een ander soort vakbeweging in de Verenigde Staten te komen, begraven.

Een concurrerende vakbeweging
De visie dat zowel het wegbreken van de CIO als de fusie een kleine twintig jaar later goed is geweest voor de Amerikaanse vakbeweging heeft brede aanhang. Het verbaast dan ook niet dat zowel Change to Win zelf als sommige media regelmatig een vergelijking tussen de scheuring nu en die in de jaren dertig maken. Een van de punten van vergelijking is de nadruk die door beide afvalligen gelegd werd en wordt op ‘organisatie’.
Maar een belangrijker aspect in de vergelijking is het idee dat concurrentie goed is: de jaren dertig werden gekenmerkt door sterke competitie tussen bonden én kende de grootste vakbondsgroei ooit. Dit klopt ongetwijfeld. Een klimaat waarin het normaal is dat arbeiders zich organiseren heeft zeker voordelen boven de situatie waarin het overgrote deel van de vakbeweging in de geïndustrialiseerde wereld zich nu bevindt. Tegelijkertijd is het ook waar dat de concurrentie in de jaren dertig iets anders was als zomaar een wedstrijdje – het was gebaseerd op een diep meningsverschil over de rol en positie van de vakbeweging in de samenleving. De Amerikaanse vakbeweging kende toen een politieke oppositie die we sindsdien niet meer gezien hebben. En die ook met de geboorte van Change to Win niet wordt gerealiseerd.

Saskia Mannessen is werkzaam bij TIE-Netherlands

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop