Waarom zijn we in Afghanistan?

Concepten van guerrilla en contra guerrilla De verwarring over ‘het hoe en waarom’ van Afghanistan wordt vergroot door misvattingen over kernconcepten van een guerrillaoorlog. Dat komt tot uiting in het 3D concept van de regering: Diplomacy, Development and Defence (diplomatie, ontwikkeling en veiligheid).

Daarmee kijkt ze uitsluitend vanuit het militaire perspectief van de contraguerrilla naar ‘diplomatie’ – diplomatie als slechts een manier om de steun van de bevolking te winnen door hun hearts and minds te winnen. Diplomatie wordt hierbij ontdaan van haar ware aard, namelijk het onderhandelen van twee strijdende partijen met verschillende politieke doelen om tot een aanvaardbaar compromis te komen. Door diplomatie te beperken tot een middel in de oorlog in Afghanistan wordt ook het debat over de politieke doelen van de strijd vermeden. Zelfs het hulpbeleid (zelfs onafhankelijke NGO’s als Artsen zonder Grenzen en Healthnet) wordt gezien als onderdeel van de militaire operaties tegen de guerrilla.

Samen met de ‘inktvlek strategie’ zijn deze 3D en hearts and minds concepten principes van contraguerrilla oorlogsvoering maar aan het thuisfront worden ze verkocht als wederopbouw. Militaire experts proberen lessen geleerd tijdens de vorige grootschalige contraguerrilla-campagne van het Nederlandse leger, die tegen onafhankelijkheidsstrijders in Nederlands Indië, toe te passen – net zoals de Verenigde Staten lessen probeert te trekken uit de oorlog in Vietnam.

Invloed

In Afghanistan draait alles om de relatie tussen de bevolking en de militaire- of politiemacht in een bepaalde regio. Veelal is beslissend of er een permanente bestuurlijke vertegenwoordiging is van het centrale gezag of dat plaatselijke machthebbers of de Taliban de belangrijkste invloed uitoefenen. Deze situatie verschilt over heel Afghanistan. De meest zekere indicatoren van bestuursinvloed, te weten de mogelijkheid om belastingen te heffen, scholen op te zetten en het verkeer op de wegen te controleren, zijn beslissend. Ze vormen vermoedelijk de basis voor de veiligheidsinschattingen die de VN organisaties in Afghanistan maakt om te bepalen of men veilig kan rondreizen of werken in een bepaald gebied.

De mate van die bestuurlijke invloed is afhankelijk van de directe sociaal-economische en culturele belangen die voor de bevolking spelen. Daarbij is de papaveroogst cruciaal, omdat die vaak de belangrijkste bron van inkomsten vormt. Deze is zo belangrijk dat allerlei betrokken partijen, van de boeren zelf tot de Taliban, van de plaatselijke politie tot al dan niet georganiseerde misdaad (plaatselijke krijgsheren) en van transportfirma’s tot de centrale regering (vergunningen, wegblokkades, patrouilles aan de grens) betrokken zijn bij de verbouwing, verwerking en transport van de immense oogsten naar de buitenlandse, veelal westerse markten. De invloed van al deze groeperingen en instituties op de bevolking, meer nog dan de militaire beheersing van een bepaald geografisch gebied, is van beslissend belang.

En controle

De NAVO en de Nederlandse regering houden stug vol dat de strijd gewonnen kan worden. De vooronderstelling daarbij is dat het Afghaanse regeringsleger de NAVO troepen in de gebieden waar het grootste deel van de bevolking woont, kan vervangen en een bestuursstructuur kan ondersteunen die vanuit de hoofdstad wordt gecontroleerd. Dat is de laatste maanden her en der gelukt, zij het steeds met de steun van de westerse troepen. Maar wie heeft de meeste invloed en waar? Onafhankelijke rapporten zoals die van de VN, suggereren dat grote delen van zuid Afghanistan in ieder geval niet onder controle van ISAF staan. Dat werd bevestigd door het toenmalige hoofd van de Amerikaanse inlichtingendiensten Michael McConnell tegenover een Senaatscommissie eind februari 2008: 30 procent van zowel land als bevolking werd gecontroleerd door de regering, 10 procent door de Taliban en 60 procent door plaatselijke machthebbers, zoals stamhoofden, plaatselijke religieuze leiders en georganiseerde criminelen.

In grote delen van Afghanistan is het niet eenduidig wie de macht heeft. Volgens de Israëlische militaire expert Van Creveld zijn er dan twee mogelijkheden. Of het regeringsleger (in dit geval dus ook de NAVO) gaat zeer intensief en jarenlang te voet patrouilleren om de veiligheid te creëren die noodzakelijk is voor bestuurlijke stabiliteit. Of het gaat met immense wreedheid optreden waarbij in feite door terreur controle over de bevolking wordt afgedwongen. In het eerste geval zijn er over een langdurige periode verliezen te incasseren, iets dat door de westerse binnenlandse politiek niet wordt geaccepteerd en al helemaal niet zonder dat de overwinning zeker is. Volgens gangbare vuistregels is bovendien voor een langere periode een troepenmacht noodzakelijk die ongeveer 12 keer zo groter is dan de guerrilla. Die verhouding is nog lang niet bereikt en veronderstelt bovendien een homogeen regeringsleger en een betrouwbare politiemacht. Geen van beiden bestaan in Afghanistan.

Voor de tweede mogelijkheid zijn er aanwijzingen dat door commando eenheden van ISAF inderdaad ‘onthoofdingmissies’, gericht op het doden van de leiders en middenkaders van de guerrilla’s worden uitgevoerd. Aan dit optreden worden echter grenzen gesteld door de publieke opinie van het thuisfront (mits deze geïnformeerd wordt door de media).

De NAVO-strijdkrachten maken ook grootscheeps gebruik van vuurkracht op afstand: artillerie, luchtbombardementen en beschietingen. Het vermijden van eigen doden en gewonden speelt een cruciale rol in de keuze voor deze wapens. Maar burgerdoden zijn onvermijdelijk bij het inzetten van deze wapens en voor de bevolking is er dus wel degelijk sprake van een vorm van terreur.

De huiszoekingen in gebieden waar de Taliban sterk aanwezig is zijn voor de bevolking evenzeer een vorm van terreur. Dat geldt ook voor het interveniëren in de religieuze en culturele gebruiken met een beroep op de universele rechten van de mens. Onderwijs voor meisjes bijvoorbeeld is niet vanzelfsprekend in een sterk religieuze samenleving en dit afdwingen kan daarom door de bevolking ervaren worden als een religieus conflict, als deel van de kruistocht van christelijke troepen tegen ‘ware gelovigen’.

Verder is er nog de basale afkeer die veel Afghanen voelen voor de vreemdelingen die overduidelijk een beslissende invloed hebben op de samenstelling van hún regering en bestuursstructuur.

Tenslotte is er de directe aanslag op de inkomsten van de mensen die afhankelijk zijn van de papaveroogst. Verder is er de permanente stroom van nieuwe rekruten uit het grensgebied met Pakistan en de moeilijk te definiëren invloed van buitenlandse jihadi’s. Deze zaken gezamenlijk maken een overwinning zo goed als onmogelijk, zelfs niet na tientallen jaren strijd.

De Great Game

Als we terugkeren naar de vraag waarom we in Afghanistan zijn, moeten we voor een antwoord ons oor te luister leggen in de wereld van strategen, opiniemakers en denktanks. Daar heeft men het niet over de ‘oorlog tegen terreur’, daar spreekt men van een herleving van de negentiende eeuwse Great Game : het strategische steekspel om invloed in centraal Azië. In die gedachte is Afghanistan een bruggenhoofd en uitvalsbasis voor interventie in centraal Azië, evenals een doorvoerroute voor olie en gas naar de markten in de geïndustrialiseerde wereld.

In de Nederlandse publieke discussie is weinig terug te vinden over deze verdergaande doelstellingen. Om politiek draagvlak te creëren was het noodzakelijk om de missie in Afghanistan te definiëren als een wederopbouw missie. Voor de Nederlandse politiek bestaan formeel geen geopolitieke belangen, het gaat zogenaamd slechts om handhaving van de internationale rechtsorde en ‘bestrijding van het terrorisme’.

De officiële discussie gaat dus slechts over de mate waarin de missie nog ‘opbouwend’ is en over de mate van militaire effectiviteit tegen de Taliban. In Uruzgan wordt opgebouwd terwijl elders wordt gevochten. De scheiding in terminologie is al verwarrend, de geografische scheiding die wordt aangebracht tussen Uruzgan en de rest van Afghanistan is gewoon onterecht. De termen die het debat bepalen in Nederland hebben weinig te maken met de werkelijkheid in Afghanistan. En doordat de strategische politieke discussie niet aan de orde komt, gaan de debatten grotendeels over deelaspecten van de oorlog - en zo wordt het straks makkelijker voor de regering om een verder verblijf van Nederlandse troepen in Afghanistan mogelijk te maken.

De toezegging om de leiding in de provincie Uruzgan in 2010 op te geven, sluit zo’n langer verblijf niet uit. De druk om meer troepen in te zetten wordt opgevoerd, zeker nu er ook in Pakistan een escalatie van de strijd plaatsvindt. De twee oorlogstonelen zijn immers nauw met elkaar verbonden. Helaas valt te verwachten dat het beleid van de regering Obama, die denkt door uitbreiding van het aantal troepen een oplossing af te kunnen dwingen, in Nederland de doorslag zal geven.

De steeds grotere inzet van troepen en de directe vereisten van de contraguerrilla oorlog zullen een situatie scheppen die niet meer te onderscheiden valt van kolonialisme. De Taliban propaganda over de ‘westerse kruisvaarders’ zal dan op vruchtbare bodem vallen. Dat wordt vermoedelijk goed gezien door de Duitse regering en die van andere NAVO lidstaten, die in tegenstelling tot Nederland weigeren om in het oorlogsgebied in Afghanistan te opereren. Niet alleen moet de vraag ‘waarom zijn we in Afghanistan?’ centraal staan in het debat in Nederland, maar eigenlijk ook de vraag: willen we van Afghanistan een nieuwe permanente kolonie maken omwille van de Great Game?

Karel Koster is onderzoeker bij het Wetenschappelijk Bureau van de SP

Soort artikel

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop