Borderless

13 October 2019

Een achterhaalde strijd

Onder de kop De oorlog die nooit ophoudt ging Koen Haegens in het vorige nummer van Grenzeloos in op de crisis van de antifascisme beweging in Nederland. Zijn conclusie was: uiterst rechtse ideeën kunnen en moeten bestreden worden op hun inhoud zonder dat er een verband hoeft te worden gelegd met traditioneel fascistische opvattingen en de Tweede Wereldoorlog. Een andere Grenzeloos redacteur gaat een stap verder. Volgens hem kan het hele begrip antifascisme met de vuilnis mee.

In het naoorlogse Nederland is de term ‘fascisme’ vooral een morele categorie geworden: symbool van het politiek heel erg foute. Zo werd het begrip van zijn historische en politieke inhoud ontdaan. Antifascisme werd daarmee automatisch een aantrekkelijk banier. ‘Nooit meer oorlog, nooit meer fascisme’, wie kan daar tegen zijn?
Toch lijkt het de hoogste tijd om de begrippen opnieuw te ijken. Wat verstaan we onder fascisme, en behalve dat we er tegen zijn? Waarin onderscheidt het fascisme zich van allerlei ander uiterst rechts gespuis?
Als we daar iets zinnigs over willen zeggen moeten we een onderscheid maken tussen het klassieke fascisme - de bewegingen van Hitler en Mussolini - en de hedendaagse navolgers. Ofschoon de bewegingen in Duitsland en Italië op vele punten verschilden, hebben ze een aantal kenmerken gemeen, die het zinvol maken ze onder de noemer ’fascisme’ samen te vatten. Kenmerken die het fascisme onderscheiden van andere uiterst rechtse stromingen.
Het karakteristieke van het fascisme schuilt niet in de ideologie. In de fascistische ideologie vinden we elementen die ook in andere uiterst rechtse bewegingen een rol spelen: extreem nationalisme, verheerlijking van het eigen (verbeelde) nationale verleden, racisme, vreemdelingenhaat, autoritarisme, de hang naar een sterke leider, antifeminisme, anticommunisme, haat tegen alles wat als zwak wordt gezien, militarisme, nadruk op de mannelijkheid.
De ideologie van iedere uiterst rechtse stroming bestaat uit een cocktail van (een deel van) deze elementen. Hoe die cocktail er van geval tot geval precies uit ziet, hangt af van de historische omstandigheden; tussen de Duitse nationaal-socialistische en de Italiaanse fascistische ideologie zijn eveneens duidelijk verschillen aan te wijzen.

Massabeweging
Ook de politieke doelstelling van de fascistische beweging: het vestigen van een dictatuur komt overeen met die van andere rechtsautoritaire stromingen. Maar op één punt is er een essentieel verschil tussen het fascisme en andere bewegingen. Het fascisme volstaat niet met het organiseren van een beperkte groep medestanders gericht op het veroveren van de politieke macht, maar bouwt een massabeweging op onder de kleine burgerij en delen van de arbeidersklasse: een nationaal-socialistische of fascistische massabeweging gericht op het vernietigen van de sociale- en arbeidersbeweging en de linkse politieke organisaties.
Onder de specifieke omstandigheden van de jaren dertig is het daar in geslaagd. En daarmee gelukte het ook zich succesvol als een alternatieve beheersvorm van het kapitaal te presenteren en de steun van een groot deel van de bourgeoisie te krijgen.
De omstandigheden behelsden onder andere: een diepe economische crisis, een door de bourgeoisie sterk gevoelde noodzaak tot politieke centralisatie en de aanwezigheid van voldoende mensen (gedemoraliseerde en vaak door de crisis geruïneerde kleine burgerij) om een dergelijke massabeweging te vormen. Onder die voorwaarden kan een deel van de bourgeoisie er voor kiezen haar kaart te zetten op een fascistische beweging, en het risico nemen dat het terzijde schuiven van de parlementaire democratie met zich meebrengt .

Moderniteit
Zo’n bepaling van het begrip fascisme maakt duidelijk dat het - in weerwil van het gebruik van Germaanse respectievelijk Romeinse symbolen - bij uitstek een moderne beweging is; een reactie is op kapitalistische ontwikkeling en de omvangrijke arbeidersbeweging die daar uit voort is gekomen.
Een van de schokkende aspecten van de opkomst van het fascisme was dat het naast terreur en intimidatie ook gebruik maakte van de strijdmethoden van de arbeidersbeweging: het opzetten van massaorganisaties, demonstraties enzovoort. En dat het succesvol was en een omvangrijk deel van de kleine burgerij en van de arbeiders voor zijn karretje wist te spannen.

Anno nu
Het is duidelijk dat dergelijke omstandigheden nu in Nederland en in Europa niet bestaan, en dat weinigen een reden zien voor zo’n avontuur. De parlementaire democratie biedt de bourgeoisie onder de huidige verhoudingen voldoende mogelijkheden haar politiek door te voeren, hoe graag kaalkoppen en rechtse types van allerlei slag het ook anders willen.
In die zin is er geen sprake van een fascistisch gevaar. En was dat evenmin het geval op enig ander moment in de naoorlogse Nederlandse geschiedenis. Hoe komt het dan toch dat er in Nederland al zo lang een antifascistische beweging bestaat en dat een deel van links zich als antifascistische definieert?
Ten eerste heeft het te maken met ‘de oorlog die nooit ophoudt’. Niet alleen generaals, maar ook linkse activisten hebben de neiging de vorige oorlog nog eens over te doen. Daarnaast hadden sommige politieke krachten er belang bij, zoals de CPN die direct na de oorlog haar hoogtepunt beleefde als gevolg van de rol van het Sovjetleger en de eigen rol in het verzet. Door zich als partij van het antifascisme te manifesteren kon het roemrijke verleden in de schijnwerper worden gezet terwijl tegelijkertijd zaken als het Stalin-Hitler pact van 1939 en de aarzelende houding van de CPN in het begin van de Duitse bezetting zo veel mogelijk onder het vloerkleed geveegd werd. Ook andere linkse krachten schaarden zich graag achter het vaandel van het antifascisme omdat het een nadere politieke verduidelijking overbodig maakte. ‘Nooit meer fascisme, nooit meer oorlog’ was een leuze waar 99 procent van de Nederlanders zich in kon vinden. Als linkse activist kon je volstaan met de leuze zo militant mogelijk, en waar nodig in directe confrontatie met fascisten, uit te dragen.
Tenslotte leidde ook de schrik over de opkomst van uiterst rechts in de jaren tachtig, de groei van racisme en vreemdelingenhaat, tot een versterkt richten van het vizier op het fascisme.
Het bestrijden van nazistische groepen en uitingen, hoe klein die ook zijn, was belangrijk. In de jaren tachtig waren die groepen niet zo klein en leek het gevaar van een groei - zoals in Vlaanderen - geenszins denkbeeldig. Ook het laten zien van de verbanden tussen deze groepen en de rechtse bovenwereld is heel nuttig.
Maar voor de fixatie op het fascisme heeft links wel een prijs moeten betalen. Behalve het verwaarlozen van andere aspecten van de politieke werkelijkheid, heeft het geleid tot een vertekening van waar het in de strijd tegen het fascisme om zou moeten gaan.
In de antifascistische beweging bestaat een neiging het fascisme niet te zien als een maatschappelijk en politiek fenomeen, maar als een ideologie, of sterker als een individueel stel normen en waarden, soms zelfs als een soort geestesgesteldheid. De strijd tegen ‘fascistische’ opvattingen, meningen en gedachten wordt dan het belangrijkste doelwit.
Aangezien elementen van de fascistische ideologie zoals seksisme, racisme, nationalisme - in de burgerlijke maatschappij rijkelijk voorhanden zijn, ligt de weg open voor een antifascistische gedachtepolitie, die waakt tegen het binnendringen van de fascistische bacil in het (linkse) denken. Het idee dat iedereen die over het internationale flitskapitaal spreekt, gewantrouwd moet worden omdat fascisten en antisemieten immers ook altijd over het joodse grootkapitaal spreken – is daar een karikaturaal voorbeeld van. De neiging om steeds te zoeken naar het ‘fascistische element’ in (uiterst) rechtse groepen en opvattingen heeft een hoge vlucht genomen. Naar mijn gevoel heeft dat meer bij gedragen aan de verwarring en verzwakking van links dan aan de bestrijding van uiterst rechts.

Parlementair en extreem rechts
De constatering dat er geen fascistisch gevaar dreigt, betekent niet dat rechtse ideeën en praktijken niet bestreden moeten worden. De invloed van uiterst rechts is vooral indirect. Er bestaat een wisselwerking tussen extreem rechtse groepen en ‘gewone’, parlementaire rechtse partijen als CDA en VVD. Uiterst rechts maakt allerlei zaken ‘bespreekbaar’, en ‘gewoon’ rechts neemt die opvattingen geheel of gedeeltelijk over.
Zo is de huidige politiek van Balkenende en Zalm in belangrijke mate het resultaat van het succes van Fortuyn, net als de verrechtsing van de VVD onder toenmalig leider Bolkenstein gestimuleerd werd door het succes van de Centrumpartij en de Centrumdemocraten. Op zijn beurt is het succes van Fortuyn weer niet los te zien van het anti buitenlanders- en ‘vol is vol’ sentiment dat door uiterst rechts jarenlang is verspreid. Maar daarmee zijn Bolkenstein en Fortuyn nog geen hele of halve fascisten.
Waar we met Balkenende 2 mee geconfronteerd worden, is een versterkt rechts offensief, dat sociale- en democratische verworvenheden dreigt terug te draaien. Daar moet links zich tegen keren. Hoe beter dat lukt, hoe minder ruimte er voor rechts en uiterst rechts overblijft. Een antifascistisch vaandel heeft daarbij weinig zin.
De oude oorlog kan ophouden, want de nieuwe is al lang begonnen.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren