Geef witte mensen iets te doen

09.02.2021

Toen in juni vorig jaar na de politiemoord op George Floyd de Black Lives Matter (BLM) protesten wereldwijd losbarstten , was er geen gebrek aan artikelen die witte mensen aanwijzingen gaven hoe ze hun steun voor de zaak konden betuigen.

Voor het grootste deel gingen deze artikelen over hoe witte mensen zich interpersoonlijk zouden moeten gedragen, en hoe zich te gedragen bij protesten. Tot deze do's en don'ts behoorden het niet verschijnen op demonstraties met een dashiki (Afrikaanse kleding) aan, het uitdagen van racistische vrienden of familieleden en in het algemeen vermijden de grote jongen uit te hangen in de omgang met zwarte mensen. Dergelijke artikelen kunnen worden opgevat als hulp voor goedwillende witte mensen bij het herkennen van microagressie en het tegengaan daarvan in een sociale context; maar minder charitatief gezien is er misschien iets voor te zeggen om te stellen dat dit gewoon etiquettehandleidingen zijn die zich voordoen als politieke voorlichting. Zoals ik elders heb geschreven, hebben de gebeurtenissen van de afgelopen jaren – Brexit, BLM, de verkiezingen van Donald Trump en Boris Johnson – een nieuw cohort jonge, sociaal bewuste witte mensen gepolitiseerd. Een combinatie van sociale media en een enigszins gediversifieerd uitgeverslandschap heeft hen snel vertrouwd gemaakt met ideeën als kruispuntdenken, anti-zwartheid en wit voorrecht. Zeker, sommige van de manieren waarop dit tot uiting komt (een zwart vierkant posten op Instagram, zichzelf tot 'bondgenoot' verklaren op Twitter) zijn performatief, onhandig en gewoon een beetje irritant. Maar dat is nu eenmaal de pijn van bewustwording: voor elke zinvolle daad van solidariteit is er wel een vervelende en historisch reductieve TikTok. Misschien is de meer leerzame vraag: hoe moeten politiek welwillende witte mensen zwarte en bruine mensen steunen in de antiracistische strijd? Wees geen eikel is één, woon de protesten bij en open je portemonnee zijn andere. Dit zijn allemaal belangrijke en tastbare vragen, maar op zichzelf misschien ontoereikend. Pogingen om verder te kijken dan het onmiddellijke en het intermenselijke ontberen vaak een solide basis in het echte leven. Zeggen dat witte mensen moeten proberen 'hun voorrechten op te geven' om structureel racisme te bestrijden klinkt goed, maar wat betekent dat in de praktijk? Hoe geeft een wit mens die nog nooit is aangehouden en gefouilleerd, of nog nooit problemen heeft gehad op een vliegveld, of nog nooit is gepasseerd voor een baan vanwege zijn naam, het voorrecht op dat hij geniet? Witte mensen aansporen om zwart en bruin personeel aan te nemen is nuttig als je je tot de verantwoordelijke richt, maar minder als je een uitzendkracht bent die bij de afdeling datainvoer werkt. Inderdaad, zelfs de meer specifieke voorschriften betreffende individueel gedrag kunnen in verschillende richtingen gaan. Er gaan tegenstrijdige signalen uit van het extreem online identiteitspolitiek-industrieel complex. Het gebod om 'in je straatje te blijven' staat onwennig naast de eis dat witte mensen hun platformen gebruiken om racisme aan de kaak te stellen waar ze het aantreffen; de aanmoediging om te luisteren naar en te leren van mensen van kleur wordt ondermijnd door de repliek van 'ik ben hier niet om jou op te voeden'. Natuurlijk vereist het tonen van raciale geletterdheid in het dagelijks onderscheidingsvermogen – vermijden van microagressie, het tonen van empathie, niet iemand met een 'leuk kleurtje' omschrijven – en het nemen van persoonlijke verantwoordelijkheid. Maar volhouden dat solidariteit van witte mensen neerkomt op eigenrichting volgens tegenstrijdige leuzen en stelregels, wijst op hiaten en beperkingen binnen het hedendaagse begrip van hoe identiteitspolitiek moet worden geconceptualiseerd, en hoe het moet worden georganiseerd. Zoals Asad Haider in Mistaken Identity betoogt, is wat wij tegenwoordig onder identiteitspolitiek verstaan het resultaat van decennia van afdrijven van de radicale en antikapitalistische oorsprong ervan. Het Combahee River Collective, dat de term in 1977 voor het eerst bedacht, beschouwde identiteitspolitiek als een revolutionair project, waarbij je rechtstreeks werkt aan datgene wat je onderdrukt. Dat is geen separatistische strategie. Het is veeleer de taak om in elkaar grijpende systemen van onderdrukking (ras, klasse, gender, seksualiteit) aan te pakken, vanuit een praktijk die voortkomt uit de stelling dat identiteit collectieve posities van kwetsbaarheid creëert. Mettertijd is deze expliciet revolutionaire en antikapitalistische politiek echter veranderd in wat Haider een 'gewonde gehechtheid' noemt, waarbij het gemarginaliseerd zijn zelf als een bron van identiteit wordt beschouwd. Bij een gewonde gehechtheid staat niet het zoeken naar een gemeenschappelijk terrein van strijd centraal, waar emancipatie mogelijk is, maar het volhouden dat lijden onveranderlijk is en dat alles wat je kunt vragen is dat anderen het erkennen. In de tussenliggende ruim vier decennia is identiteitspolitiek meer geïndividualiseerd geworden en steeds meer gericht op de ervaring van trauma's in plaats van op de bevrijding ervan. Er is een spanning tussen wat we de afgelopen jaren hebben gezien – een collectieve afrekening  met politiegeweld en anti-zwarte discriminatie in het mondiale noorden – en een visie op identiteitspolitiek die identiteitsgedreven strijd voorstelt als geatomiseerd, alleen kruisend op het niveau van het individu. Het is niet verwonderlijk dat er weinig overtuigende en propositionele visies zijn over hoe witte mensen kunnen deelnemen aan antiracistische strijd. Als politieke actie voortkomt uit je identiteit, die zelf een vaststaand punt is, dan wordt het tonen van 'bondgenootschap' voor witte mensen een kwestie van hoe ze zich als witte mensen gedragen, in plaats van deelname aan gedeelde organisatieruimtes. Dus, hoe zou die gedeelde organisatie eruit zien? Net als Haider vind ik het leerzaam om terug te kijken op de geschiedenis en de politiek van de Black Panther Party (BPP). De zelforganisatie en het leiderschap van de Black Panthers op het gebied van rassenkwesties veronderstelden niet de passiviteit van witte en niet-zwarte bondgenoten. In juni 1969 kondigden de Black Panthers van Chicago de vorming aan van de Regenboogcoalitie met de Puerto Ricaanse Young Lords (een voormalige straatbende die veranderde in een beweging voor zelfbeschikking van de buurt en nationale zelfbeschikking), en de Appalachian Young Patriots (een groep witte jongeren uit de arbeidersklasse van het Zuiden die naar Chicago waren overgeplaatst). De Rainbow Coalition werd een nationaal model, overgenomen door Black Panther afdelingen in New York en Oakland, met een expliciete inzet voor antikapitalisme dat organisaties over de scheidslijn van ras heen met elkaar verbond. Zoals een Black Panther-leider in New York het formuleerde: 'Wij geloven dat racisme voortkomt uit klassenstrijd [...] Wanneer we gratis ontbijt verstrekken aan arme kinderen, verstrekken we dat aan arme witte mensen en arme zwarten.' Maar het was niet alleen onderdrukking op basis van klasse die de Black Panthers gebruikten om coalities te vormen. Huey Newton, die samen met Bobby Seale de Black Panther Party oprichtte, stond sympathiek tegenover de doelstellingen van wit Nieuw Links (ook al was het gevoel van onderdrukking dat witte middenklasse revolutionairen hadden, in zijn woorden, 'enigszins abstract'). De politiek van het anti-imperialisme, scherp in beeld gebracht door de oorlog in Vietnam en de voortgang van de dekolonisatie over de hele wereld, vormde een gemeenschappelijk terrein voor de Black Panthers en Nieuw Links. Zoals Newton opmerkte terwijl hij in de gevangenis zat in een interview met de krant Movement zei:: 'Er zijn veel jonge witte revolutionairen die oprecht proberen zich weer op één lijn te stellen met de mensheid, en de hoge morele normen die hun vaders en voorvaderen alleen maar uitdroegen, proberen te verwerkelijken [...] Jonge witte revolutionairen schreeuwden: weg uit Vietnam, handen af van Latijns-Amerika, weg uit de Dominicaanse Republiek, en ook: weg uit de zwarte gemeenschap en de zwarte kolonie. Je hebt dus een situatie waarin jonge witte revolutionairen zich proberen te identificeren met het onderdrukte volk van de koloniën en de uitbuiter.' Natuurlijk wil dit alles niet zeggen dat de huidige antiracistische beweging er beter aan zou doen de esthetiek, retoriek en politieke positionering van de Black Panther Party simpelweg na te bootsen. De politieke gemeenschappen die de BPP in stand hielden zijn in de tussenliggende jaren versnipperd geraakt door coöptatie, repressie en atomisering. De manier waarop de Panthers coalities vormden, suggereert echter dat het antwoord van witte mensen op zelforganisatie door zwarten en bruinen niet beperkt hoeft te blijven tot 'ga naar het protest en wees geen lul', en evenmin mag blijven steken in de zweverige en eindeloze zaak van het afzweren van je eigen privilege: het is een wederzijdse en bondgenootschappelijke inspanning om je te organiseren op basis van klasse en anti-imperialisme. De politisering van witte mensen in de afgelopen vijf jaar heeft zich tot nu toe beperkt tot het veranderen van de manier waarop mensen denken. Nu is het tijd om te veranderen wat ze doen. Ash Sarkar is redacteur bij Novara Media. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Soort artikel

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.