Borderless

20 July 2019

Marcel Kurpershoek

De arabist Kurpershoek combineert zijn functie als directeur Midden-Oosten op het ministerie van Buitenlandse zaken met een buitengewoon hoogleraarschap Arabische Taal- en Letterkunde aan de universiteit van Leiden. Hij is dus zowel diplomaat als wetenschapper en daarnaast een publicist met uitgesproken literaire belangstelling en kwaliteiten.
Bij uitgeverij Meulenhof verscheen van hem onder de titel “Wie luidt de doodsklok over de Arabieren?” een bundel met essays waarin een veelheid aan onderwerpen uit de Arabische wereld aan de orde komen. Het is een leesbaar en veelzijdig werkje, met rake observaties en sfeervolle beschrijvingen. Maar ook een bundel die vaak wel erg makkelijk langs de vragen heen scheert.

Het zuiver wetenschappelijke werk van Kurpershoek concentreert zich op de orale dichtkunst van de bedoeïenen in het hart van Saoedi-Arabië. Gewapend met bandrecorder en opschrijfboek verbleef hij regelmatig langere tijd in het ‘Lege Kwartier’, de grootste woestijngebied ter wereld om iets van de grote orale dichttraditie van de bedoeïenendichters vast te leggen.
Daarover schrijft hij met liefde en passie. Hij is “verslingerd geraakt aan deze orale cultuur vanwege zijn taal, beelden en begrippen.” Hij voelt zich er door aangetrokken “alsof ik het me herinner uit mijn vorige incarnatie.” Het is het gevoel van eenheid en continuïteit waarin de mensen gedichten van eeuwen her citeren alsof ze gisteren geschreven zijn, dat hem doet bekennen: “Zonder een jaarlijks verblijf in het veld voel ik me minder lekker.”
Ook als hij het werk van geestverwanten, andere woestijnreizigers als Charles Doughty, en T.E. Lawrence (Lawrence of Arabia) bespreekt gaat dat met het aanstekelijk enthousiasme van de ware liefhebber.

Arabisme en islamisme
Maar Kurpershoek beperkt zich niet tot deze historische en culturele onderwerpen. In de verschillende essays gaat hij ook in op meer actuele en politieke zaken, zoals positie van Jeruzalem, de moderne Arabische film en dergelijke.
“De Arabische bedoeïenen worden wel ‘het materiaal van de islam’ genoemd: zij zijn het volk dat de islam tot wereldgodsdienst maakte. Dat is reden tot trots, maar het beperkt ook de keuzevrijheid: wie een Arabische identiteit aanhangt, krijgt de islamitische op de koop toe,”schrijft Kurpershoek in het titelverhaal.
Daarmee is het belangrijkste thema van deze bundel gegeven: de verwevenheid van de Arabische cultuur en de islam. Zijn bewondering en liefde voor de eerste maakt Kurpershoek niet blind voor de rol van de tweede. Hij laat zich zeer kritisch uit over verschillende aspecten van de islam en de invloed daarvan op de Arabische wereld. Bij hem is op dat punt geen spoor van vergoelijking of cultuurrelativisme te bespeuren. Hij schetst een beeld van de Arabische wereld gekenmerkt door stagnatie, machtspolitiek (‘dat is volgens mij de essentie van Arabische politiek’), gebrek aan vrijheid en verdraagzaamheid. Hij citeert daarbij uitvoerig progressieve, liberale Arabische schrijvers en intellectuelen, die zich zoals hij constateert steeds meer buiten de Arabische wereld ophouden.
In een van de artikelen gaat hij in op de positie van de vrouw in de islam, en daarin hekelt hij pogingen vanuit Nederlandse moslimhoek om de fundamenteel ondergeschikte rol van de vrouw in de islam te verdoezelen en voor een westers publiek acceptabel te maken. Zoals in het hele boek doet hij dat op een milde, nauwelijks polemische manier, maar zijn stellingname tegenover de “Nederlandse bekeerlinge Sajidah die in een boekje van de Stichting Nederlandse Moslimvrouwen over dit onderwerp schrijft dat het slaan van vrouwen ‘zachtjes moet gebeuren, niet harder dan het aanslaan van een muziekinstrument’”, is er niet minder duidelijk om.

Stagnatie
Het streven naar Arabische eenheid, dat vooral in de vijftiger en zestiger jaren als een progressieve kracht werd gezien, benadert Kurpershoek vooral vanuit het oogpunt van legitimering van de politiek van de huidige regimes in de verschillende Arabische landen. Hij benadrukt dat er feitelijk geen enkele vooruitgang is geboekt op het vlak van de Arabische eenheid, in de zin van een grotere economische of politieke integratie van de Arabische wereld. “De organisaties die zich professioneel op deze doelstelling toeleggen, zoals de Arabische Liga en de Organisatie van de Islamitische conferentie, zijn fabrieken van holle woorden die nooit één geloofwaardig besluit hebben kunnen nemen of uitvoeren”, schrijft hij. Het idee van de Arabische eenheid, en de vermeende bedreiging daarvan wordt door de verschillende Arabische landen en regimes steeds gebruikt om iedere vorm van kritisch denken als onderdeel van een westerse samenzwering af te doen, zo benadrukt hij.
Ook wijst hij er op dat het hele bestaan van een Arabische wereld zoals wij die nu kennen, niet zo vanzelfsprekend is als het lijkt. In navolging van de Libanese journalist Hazim Saghie schetst hij een mogelijke ontwikkeling waarbij de Golfstaten zich oriënteren op Azië en de Maghreblanden op mediterraan Europa, om dan de vraag te stellen: wat blijft er over voor het Arabische Midden-Oosten?

Beperking
De artikelen over meer actuele en politieke thema’s bevatten zeer interessante beelden, observaties en passages, maar zijn uiteindelijk toch niet helemaal bevredigend. De literaire stijl van Kurpershoek die de meer cultuurhistorische teksten zo leesbaar maakt, geven bij een onderwerp waar je een grotere analytische diepgang verwacht iets onbevredigends.
Zo is het deel in het openingsverhaal dat handelt over de economische stagnatie van de Arabische wereld gebaseerd op een Wereldbankstudie uit 1995 (wat toch voor een in 2001 verschijnend boek niet erg sterk over komt). Uit dat Wereldbankrapport worden de nodige cijfers geput die de stagnatie illustreren, maar op de vraag naar de verklaring van de stagnatie antwoordt Kurpershoek dat we daarvoor “waarschijnlijk moeten zoeken bij de mentale infrastructuur van de regio, de broncode, om in computertermen te spreken.” Dat is een mooi beeld, maar het verklaart niet zo veel. Het weerhoudt Kurpershoek er dan ook niet van om een paar zinnen verder op te merken: “Maar als er één negatieve factor moet worden aangewezen, dan zou mijn keuze vallen op de olie”, om vervolgens te schetsen hoe de olie tot een extreme afhankelijkheid en de creatie van een schijnwereld heeft geleid.
Wat hij schrijft over de rol van de olie is zeker geen onzin, maar het blijft erg hangen bij beelden en beschrijvingen, waarbij steeds de mentaliteit, de verklarende factor lijkt te zijn. Op de vraag waarom die mentaliteit zo is en zo blijft wordt eigenlijk niet in gegaan. Zo komt Kurpershoek wel erg dicht in de buurt van een cirkelredenering. De stagnatie wordt verklaard vanuit de mentaliteit, en de mentaliteit is op haar beurt weer het gevolg van de stagnatie. Dat bevredigt niet echt.

Dossier: 
Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren