29 September 2020

Een biografie van homoseksualiteit

Jakob Anton Schorer speelde een belangrijke rol in het doorbreken van het zwijgen over homoseksualiteit in het Nederland van voor de oorlog. Theo van der Meer laat in een mooie biografie van de oprichter van een van de eerste homorechtenorganisaties ter wereld zien hoe het leven van Schorer vrijwel parallel liep met het ontstaan van het homoseksuele personage. Schorer was zonder twijfel een bijzonder mens, maar mist het visionaire en de eruditie die je hoopt tegen te komen bij een man van zijn historische statuur.

Jakob Anton Schorer droeg een deftige naam. Het geslacht Schorer stelde iets voor in Nederland – de Schorers waren invloedrijk en mochten het predikaat jonkheer voor hun naam plakken. Het zal niet verbazen dat de openlijk homoseksuele jonkheer Jakob Schorer, die in 1903 ook nog eens een beschuldiging van seksueel misbruik van een minderjarige aan de broek kreeg, het zwarte schaap van het geslacht Schorer was. Hij zou de familienaam te grabbel hebben gegooid door zijn weinig discrete openheid over en strijd voor de homoseksualiteit.
Desalniettemin voelde Schorer zich zeer verbonden met zijn familiale achtergrond. Zijn kijk op de wereld, ook op de homoseksualiteit, werd in hoge mate door zijn standsbewustzijn bepaald. Daardoor was zijn visie op de seksualiteit geïsoleerd van andere maatschappelijke kwesties. Zo blind als de hoofdstromen van links en de arbeidersbeweging waren voor (homo)seksualiteit, zo blind was Schorer voor de relatie tussen seksualiteit en maatschappijhervorming in het algemeen. Jakob Schorer was, hoe paradoxaal dat ook klinkt voor een man die al in 1912 de eerste organisatie voor homorechten van Nederland oprichtte, een product van zijn tijd. Dat heeft zijn visie op de seksualiteit beperkt. Maar het heeft ook een aantal deuren geopend. Schorer voerde zijn strijd in een moeilijke tijd, maar kon aanspraak maken op zijn deftige naam en het familievermogen. Schorer was op het juiste moment op de juiste plek.

Schandaaltje
Schorer woonde, na een studie rechten in Leiden en een promotie, in Middelburg. Hij werkte daar onder andere als beëdigd klerk en vestigde zich al advocaat. Hij maakte zich sterk voor de bescherming van dieren, zoals zoveel anderen in zijn maatschappelijke positie, voor wie dierenmishandeling een zedenmisdrijf was. Schorer en de zeden zouden altijd stevig met elkaar verbonden blijven.
In 1903 werd Schorer in Middelburg beschuldigd van ‘ontuchtige handelingen’ met minderjarige jongens en dus publiek ‘uit de kast’ gedwongen. De beschuldiging – een veroordeling volgde nooit – moet erg traumatisch voor Schorer en zijn directe omgeving zijn geweest, stelt Van der Meer. Middelburg was een klein stadje waar men elkaar kende en Schorer kwam uit een vooraanstaande, gekende familie.
Wat Schorer overkwam kan niet los gezien worden van een bredere context. In 1902 pleegde Alfred Krupp, de rijkste man van Duitsland, zelfmoord na beschuldigingen van ontucht met minderjarige jongens in Italië. De socialistische krant Vorwärts had hierover in Duitsland uitgebreid bericht. Een decennium eerder had in Groot-Britannië het schandaal rond Oscar Wilde plaats. Wilde werd veroordeeld wegens ‘ernstig onfatsoen’ (gross indecency) en kwam om als gevolg van de hem opgelegde werkstraf.
De beschuldigingen jegens Schorer hadden veel minder om het lijf. Er viel niets te bewijzen. Desalniettemin moet het Middelburgse schandaaltje voor Schorer een moment zijn geweest waarop het besef doordrong dat zijn homoseksualiteit een centrale rol zou spelen in zijn leven.

De derde sekse
Het schandaal hielp hem op de weg van de strijd voor homorechten, een weg waar hij zijn hele leven niet meer vanaf te brengen was. Schorer vertrok naar Berlijn. Daar greep hij in 1904 de kans ‘wraak’ te nemen op wat hem in Middelburg was overkomen door het schrijven van een artikel in het Nederlandse juristenblad Themis, dat heel wat stof deed opwaaien. In het blad nam Schorer het op voor de homoseksueel en met name de zogenoemde derdeseksetheorie die moest bewijzen dat homoseksuelen weliswaar ‘van nature’ anders waren maar desalniettemin dezelfde rechten verdienden als heteroseksuelen.
Het idee van de ‘derde sekse’ diende als wapen tegen de dominante ideologie die homoseksualiteit zag als een vorm van degeneratie. Medici en andere wetenschappers vonden dat homoseksualiteit als voortkwam uit een verlies van controle. Homoseksueel gedrag was het gevolg van een hedonistische levensstijl. Homoseksuelen werden wel met vrouwen vergeleken, die ook al niet in staat waren tot zelfcontrole. De derdeseksetheorie keerde zich tegen dit idee. Zich baserend op negentiende eeuwse ontwikkelingen op het vlak van embryologie en de klierwerking, werd betoogd dat er vele tussenvormen tussen man en vrouw bestonden. Homoseksuele mannen waren in deze theorie mannen met in meer of mindere mate vrouwelijke eigenschappen. Voor lesbische vrouwen gold precies het omgekeerde.

Magnus Hirschfeld
Een van de centrale wetenschappers van de derdeseksetheorie was de Duits-joodse arts en seksuoloog Magnus Hirschfeld. De homoseksuele sociaaldemocraat Hirschfeld was in 1897 de oprichter van de eerste organisatie voor de emancipatie van homoseksuelen ter wereld: het Wissenschaftlich-humanitäre Komitee. In 1919, ten tijde van de relatieve tolerantie van de Weimar Republiek was Hirschfeld de stichter van het Institut für Sexualwissenschaft.
Het was het Berlijn waarin Hirschfeld al in 1904 hard werkte aan homorechten, maar ook het recht op abortus en gelijke rechten voor vrouwen, waar Schorer zich vestigde. Berlijn had veel te bieden voor de ontluikende homoseksueel. Met name: jongens. Homoseksuelen uit Schorers ‘stand’ richtten hun erotische bewondering vaak op jongere jongens uit lagere sociale klassen, bijvoorbeeld soldaten. Berlijn had meer dan genoeg van deze jongens, die zich ophielden in de vele cafés waar homoseksuelen elkaar in die tijd ontmoetten. Ook Schorer is niet vies geweest van de seksuele kant van de homoseksualiteit. Dit ondanks het feit dat hij en veel andere homoseksuelen in die tijd seksuele matigheid predikten. ‘Solitaire masturbatie’ werd bijvoorbeeld door Schorer als gevaarlijk afgewezen. Het zal niet verbazen dat wederzijdse masturbatie in de ogen van Schorer wel de goedkeuring kon wegdragen.
Schorer werkte in Berlijn nauw met Hirschfeld samen. Zijn leven lang zou Schorer Hirschfeld als mentor zien. Terug in Nederland richtte Schorer een Nederlandse variant van Hirschfelds Komitee op, het Wetenschappelijk-Humanitair Komitee.

Artikel 248bis
Terug in Nederland in 1909 zette Schorer al snel zijn in Berlijn opgedane strijdlust en ervaring om in activiteiten voor de rechten van homoseksuelen in Nederland. Al snel na zijn terugkomst in Nederland – hij vestigde zich na de dood van zijn vader weer in Middelburg – werd de streng katholieke industriëlenzoon Robert Regout minister van Justitie. Regout werd om zijn conservatisme op zedelijk gebied in linksliberale en sociaaldemocratische kring reeds gevreesd. Terecht, zo bleek, want Regout introduceerde artikel 248bis in het Nederlandse strafrecht, dat tot 1971 zou bestaan en decennialang dé manier was om homoseksuele mannen verdacht te maken en aan te pakken.
Artikel 248bis was een artikel ‘tegen homoseksuele verleiding van minderjarigen door meerderjarigen’. Het artikel maakte seks tussen volwassenen en mensen tussen de 16 en 21 jaar strafbaar. Soortgelijke maar heteroseksuele contacten vielen niet onder de bepaling. De achtergrond van dit artikel was de overtuiging van Regout en veel anderen, dat jongeren kwetsbaar waren voor verleiding en zo homoseksueel ‘gemaakt’ konden worden. Dat moest voorkomen worden.
De strenge wetgeving leidde in Nederland tot enig protest. Met name de sociaaldemocratische fractie onder leiding van Troelstra verzette zich tegen de invoering van de 248bis. Schorer bracht de brochure Tweeërlei Maat uit, waarin hij opnieuw de derdeseksetheorie verdedigde en zich zo verzette tegen de opvatting dat jongeren tot homoseksualiteit verleidt konden worden. Homoseksualiteit was aangeboren!
Aan die visie zou Schorer zijn hele leven krampachtig vasthouden. Voor andere ideeën over seksuele ontwikkeling was geen plaats. Voortschrijdend inzicht in met name de psychologie – Freud – wees hij falikant af en zag hij als bedreiging voor zijn strijd voor gelijke rechten.

Stand en politiek
In de jaren na Regouts repressieve wet was Schorer dé dominante figuur in de Nederlandse homobeweging, wat hem na de Tweede Wereldoorlog het erelidmaatschap van het COC opleverde. Met dat COC en een van de centrale oprichters ervan, Niek Engelschman, had Schorer echter een moeizame verhouding, die het standsbewustzijn en snobisme van Schorer liet zien. Engelschman (zijn alias was Bob Angelo) was een arbeidersjongen die politiek was opgegroeid in revolutionair socialistische kring (de RSAP van Henk Sneevliet). Aan het eind van de jaren dertig kreeg Engelschman van Sneevliet de toestemming uit de jeugdorganisatie van de RSAP te stappen om zich te wijden aan de homo-emancipatie. Ook binnen revolutionair links was het in die tijd ondenkbaar dat men zich met deze kwestie bezighield in het kader van de activiteiten voor de partij, hoewel Sneevliet - al tamelijk vooruitstrevend voor die tijd - volgens Sal Santen (in Sneevliet, rebel) de analyse dat homoseksuelen een maatschappelijk onderdrukte groep vormden leek te delen.
Schorer had weinig vertrouwen in Engelschman. Zijn stadsbewustzijn stond een normale relatie in de weg. Schorer begreep weinig tot niks van homoseksuelen uit andere sociale klassen en leek ook te vinden dat ze hun mond moesten houden. Van der Meer legt overtuigend uit waar Schorer stond: ‘Veranderingen werden afgedwongen door ernstige, goed opgeleide heren, niet door de straat.’
Schorer was een deftige, rechtse heer. Een groter contrast is niet mogelijk dan tussen Engelschman en Schorer. De linkse Engelschman kwam snel in het verzet terecht na de inval van de nazi’s. Schorer daarentegen liet lang zijn oor hangen naar zijn Duitse, nationaal-socialistische stiefzoon en relativeerde in de jaren dertig de ‘nieuwe orde’ in Duitsland en de positie van homoseksuelen daar. Hij was daarentegen wel zo verstandig – en Van der Meer stelt terecht dat we hem dankbaar mogen zijn – zijn volledige archief aan brieven en adressen van homoseksuele Nederlanders te vernietigen. Schorers zorgvuldig opgebouwde bibliotheek over (homo)seksualiteit werd tijdens de oorlog door de nazi’s afgepakt.

Terecht heeft Van der Meer gekozen om van zijn boek een ‘biografie van homoseksualiteit te maken’, waarin de nadruk ligt op de ontwikkeling van het homoseksuele personage in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw. Jakob Anton Schorer stierf in 1957. Hij leidde een leven dat in veel opzichten gek genoeg interessanter was dan de man zelf. Het is de verdienste van de biograaf de context waarin dat leven zich afspeelde zo te hebben opgelicht, dat je wat weemoed voelt en veel sympathie voor die homo’s en lesbo’s die de wegbereiders waren voor de emancipatie na de oorlog.

Theo van der Meer (2007). Jonkheer mr. Jacob Anton Schorer (1866 – 1957): Een biografie van homoseksualiteit. Schorer Boeken. ISBN 978-90-73341-30-2, geïllustreerd; 440 blz. € 28,50

Soort artikel: 

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
To prevent automated spam submissions leave this field empty.
Image CAPTCHA
Vul de tekens uit bovenstaande afbeelding in.

Reageren